Pater/etnoloog Jan Boelaars, Zuid Nederlands Nieuw-Guinea
Jan Boelaars (Tilburg, 17 februari 1915 – aldaar, 19 juni 2004) werkte van 1950 tot 1970 als missionaris in Zuid-Nederlands Nieuw-Guinea (het huidige Papoea, Indonesië), na een studie culturele antropologie en linguïstiek aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Van 1970 tot 1984 doceerde hij antropologie aan meerdere katholieke theologische hogescholen in Indonesië.
Boelaars was een markante Nederlandse missionaris, etnoloog en verzamelaar. In zekere zin kan hij worden beschouwd als een opvolger van Meuwese en Verschueren, met wie hij ideologisch en spiritueel verwant was. In hun voetsporen verrichtte hij cultuuronderzoek in het moeilijk toegankelijke moeras- en regenwoudgebied van Zuid-Papoea, het woongebied van onder meer de Awyu- en Jaqai-volken. In de hoger gelegen gebieden langs de Kao- en Digoelrivier bestudeerde hij de culturen van de Muyu en Mandobo.
Boelaars vertegenwoordigt een bijzondere generatie missionarissen die hun roeping niet alleen met religieuze overtuiging, maar ook met een diep respect voor inheemse culturen vervulden. Hij stond bekend om zijn dialogische benadering van missie: in plaats van lokale culturen te willen vervangen door westerse normen, zocht hij naar een synthese tussen christelijke waarden en inheemse adat (tradities en gebruiken). Zolang culturele elementen niet in strijd waren met fundamentele menselijke waardigheid of christelijke moraal, liet hij daarvoor ruimte of integreerde hij deze in de christelijke geloofspraktijk—een benadering die in zijn tijd als vooruitstrevend kan worden beschouwd.
Naast veldwerker was Boelaars ook een zorgvuldig documenterend wetenschapper. Hij publiceerde meerdere boeken en artikelen over de volken van Zuid-Nederlands Nieuw-Guinea, waarin hij bijzondere aandacht besteedde aan materiële cultuur, sociale structuren, rituelen en religieus-symbolisch denken. Hij gold als een kenner van Papoea-artefacten en had vooral een grote belangstelling voor rituele voorwerpen.
Waar sommige tijdgenoten vooral verzamelden met het oog op museale presentatie, was Boelaars primair geïnteresseerd in de betekenis die objecten hadden binnen het sociale en religieuze leven van de lokale gemeenschappen. Hij sprak uitvoerig met informanten, documenteerde gebruikscontexten en trachtte objecten zoveel mogelijk te plaatsen binnen hun rituele en maatschappelijke samenhang.
Na zijn terugkeer in Nederland besteedde Jan Boelaars grote zorg aan het fotoarchief dat hij tijdens zijn etnologische veldstudies in Zuid-Nederlands Nieuw-Guinea had opgebouwd. Dit archief werd in zes omvangrijke van bondige annotaties voorziene fotoalbums onderverdeeld. Met toestemming van de congregatie van de Missionarissen van het Heilig Hart (MSC) konden deze albums worden ingezien en gekopieerd in de studiezaal van het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven Sint Agatha, waar het MSC-archief wordt bewaard. Ook werd toestemming verleend dit materiaal te publiceren. Wij willen hier graag nogmaals onze dank betuigen aan de congregatie van het MSC en de buitengewoon behulpzame medewerkers van het Erfgoedcentrum Sint Agatha.
Een aantal van Boelaars' gepubliceerde werken is onderaan de pagina in te zien.
Externe links: wiki
Pater Boelaars aan het kinnen-wrijven met een van de Asmatters. Zo werd vriendschap gesloten. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20167-30
Boven Digoel, de Muyu en Mandobo.
Djair=Mandobo. Gab-Gab=Muyu.
Gab-Gab mensen. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 10210 D1
Onderafdeling Moejoe. Uit: Kaart bij Tourneeverslag controleur binnenlands bestuur J.W. Schoorl tournee naar de Sibilvallei op Nieuw-Guinea 1955 pag.19
Onderafdeling Boven Digoel. Uit: Kaart bij Tourneeverslag controleur binnenlands bestuur J.W. Schoorl tournee naar de Sibilvallei op Nieuw-Guinea 1955 pag.19
Papoea's met een van de expeditieleden gekregen spiegel bij het tweede Zwaluwbivak 1909-1910. Foto J.M. Dumas. TM-60015325 CC-BY-SA NMVW
Expeditieleden bij paalwoningen in de omgeving van het tweede Zwaluwbivak. Foto J. M. Dumas 1909. CC-BY-SA TM-60015343 NMWV
Behuizing Digoel gebied. AR-P027-10210 Doos 3
Digoel rivier. AR-P027 10210 Doos 3
Gab gab krijgers en opgesierde vrouw bij varkensfeest. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 10210 D1
Djair-mensen overzijde van Digul tegenover Pesnamnam April 1951. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20213 Serie BI 76 en 164
Portret van een jonge man van Boven-Digoel met diadeem van Coix pitten en een borstsieraad van varkenstanden. Afdruk Pater P. Vertenten 1924-1932
Het Muyugebied ligt niet alleen ver weg van Merauke, maar het is ook geaccidenteerd terrein, moeilijk begaanbaar, soms ondoordringbaar, met regenbossen bezet op lage en dichtbegroeide hellingen en dalen, bovendien vochtig warm, zelfs benauwend en zonder wegen of echte paden. De mensen verblijven in paalwoningen, zich beschermend tegen de vochtige grond en tegen de vijanden. Flora en fauna zijn niet vriendelijk: bloedzuigers (soms massaal), duizendpoten, schorpioenen, muskieten en slangen. Er zijn niet veel vogels (hier en daar paradijsvogels, jaarvogels, kroonduiven), wel veel varkens, die ook wel door de mensen gefokt worden omdat er buiten de varkens weinig vlees te vinden is. En tenslotte: in de snelstromende riviertjes zit weinig of geen vis. Zo is het menu schraal en onvoldoende, ook volgens verslagen van artsen. Het voedselpakket bestaat uit: sago, zoete aardappelen, keladi en ubi, die hier en daar aangeplant zijn in onvruchtbare grond, en uit vrij veel pisang. De Muyuër zelf is ten eerste een uitgesproken individualist; hij leidt zijn eigen leven, hij heeft zijn eigen huis, zijn eigen grond, hij is zijn eigen tovenaar en zijn eigen rechter. Hij is zichzelf voldoende. Daarom wordt een moord met moord gewroken, hetgeen uitloopt op kettingmoorden. Een tweede kenmerk is zijn voortdurende angst en wantrouwen, een gevoel van onzekerheid wegens toverij, zwarte magie. Vandaar is het derde opvallende element: het zoeken naar bestaanszekerheid door het stichten van belangengemeenschappen op basis van welwillendheid. Hij zoekt en speurt naar relaties. Het huwelijk, het gezin is een van de voornaamste schakels in het spel van die relaties. Beschermd en verborgen leeft hij in het bos, in zijn eigen huis met zijn gezin, met zijn familie (drie, hoogstens vier boshuizen bij elkaar). Op zoek naar relaties weegt hij kansen af en is hij ondernemend; hij trekt weg als hem dat veiliger lijkt of als dit beter voor hemzelf uitkomt. Hij gaat dan op reis, hij blijkt dus zeer 'mobiel' te zijn.
Boelaars 1997 p.201
De Mandoboërs vertonen overeenkomst in cultuur met de Muyuërs (huwelijksregeling, varkensmarkten, schelpengeld). Zij zijn echter niet zo gesloten, zij zijn vrijer, opgewekter in de omgang; qua aard staan zij dichter bij de Awyuërs (aan de Ederah en Bamgi-Ia).
Ibid p.226 (Mandoboërs=Mandobo's. Muyuërs=Muyu's; Moejoes. Awyuërs=Awyu's; Auyu: Awjoes; Auwjoes: Aujoes)
De hoornvormige haardracht uit het Kaoh-Moejoe (Kao-Muyu) gebied.
Mandobo. Boelaars Mandobo's tussen de Digoel en de Kao illustratie pag 67
Tocht Muting-Ninati 1933. Pater Hoeboer met groep Papoea's. 20154 Album Piet Hoeboer MSC -
Eerste dorpsschool te Ninati 1937. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20154 Album Piet Hoeboer MSC blz 4
Mandobo jongelingen in feestkleding te Mindiptana Juli 1951
Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20213 Serie Boelaars I-184
Groepsportret Papoea's afkomstig uit de Boven Digoel ca 1930. CC-BY-SA TM-10008194 Collectie NMVW
Tocht Muting-Ninati 1933. Pater Hoeboer met beschilderde Papoea jongelingen. AR-P027 20154 Album Piet Hoeboer MSC
Mensen van Iwoer op bezoek in Oksibil. Kleurennegatieven Rudi Campschroer 1975
Mappi, de Jaqai en de Awyu
Toen ik in juli 1951 arriveerde in Képi, het dorp dat later de hoofdplaats van de onderafdeling Mappi worden zou, werd daar het grote feest van de verzoening tussen de Jaqai en de Awju gevierd. Hoewel juist met dit evenement het tijdperk van de oorspronkelijke cultuur werd afgesloten, lijkt het mij toch verantwoord over dit onderwerp te schrijven, omdat dit „verleden" voor de informanten nog geen absoluut verleden was. Weliswaar was het economische en sociale leven van de Jaqai niet onberoerd gebleven, nu het koppensnellen was afgeschaft en het hun verboden was zelf recht te spreken, maar het bleef in zijn wezenlijke elementen voortbestaan. Onder invloed van de katholieke missionering begon het religieuze aspect van de oude cultuur zich te wijzigen, maar bij de aanvang van het onderzoek waren aan de Qobarivier nog slechts weinig volwassenen tot de christelijke godsdienst overgegaan.
Het onderzoek was geconcentreerd op de dorpen Képi en Dakèmoqon aan de middenloop van de Qobarivier. Steeds echter werden ook de dorpen aan de andere zijstromen van de Mappi in het fieldwork betrokken. Met behulp van de linguïstische studies van pater P. Drabbe m.s.c. heb ik mij de taal van het volk eigen gemaakt. Na enige tijd gelukte het me op eenvoudige wijze te converseren en kritisch te luisteren naar de gesprekken die gevoerd werden tussen de informanten en Jacobus Jabaimu, een door mij opgeleide jonge tolk uit Képi. Jabaimu dicteerde mij de belangrijkste mededelingen in zijn eigen taal en later werden die door mij met zijn hulp vertaald.
'Papoea's aan de Mappi' Boelaars 1957 p. 7
Jaqai=Yahrai; Mappiër. Awju=Auyu; Auwyu; Auwju; Auwjoe. Dakèmoqon=Dagimon
Kaart Mappi-Yahray Boelaars 1997 p.104
Yahray=Yahrai; Jaqai; Mappiër
Awyu=Auyu; Awju; Awjoe; Aujoe
Citah=Citak; Tjitak
Het land van de Yahray stam ligt boven de monding van de Digulrivier duidelijk als een wig in het land van de Awyu stam. De dorpen liggen aan twee rivieren die in de Digul uitstromen, namelijk de Mappirivier met haar zijrivieren: de Nambeomon en de Oba met haar zijtak de Miwamon enerzijds en de Bapayrivier - parallel aan de Nambeomon - anderzijds. De uiterwaarden van die rivieren en de moerassen daartussen vormen een laagland, en de waterscheidingen zijn de heuvelruggen waarop men woont.
Er is een legende - de tocht van de Ayré - waarin verteld wordt dat de mensen de Kaorivier (Boven-Digul) afdaalden, de Digul volgden en bij de monding in zee dit land bezetten.' Daar leefden toen de Awyuërs in de bossen van die waterscheidingen en in heel het achterland. De Yahray zijn moerasmensen, de Awyu bosbewoners. Het Nederlandse gouvernement kreeg al vroeg - in de twintiger jaren - te maken met deze mensen aan de Digul, Digullers genoemd, omdat die Yahray de Awyu dorpen overvielen en er 'koppensnelden' tot hoog de Digul op. Er werden politieposten opgericht te Asike en steeds meer stroomafwaarts, tot men te weten kwam dat deze Digullers de zogenaamde Mappiërs waren, later de Yahray genoemd. Daarom werd aan de monding van de Mappirivier de Mappi-post geplaatst, bemand met militairen (1936).
Van missiezijde werd het eerste contact gelegd door de paters J. Grent en P. Rievers, beiden MSC, die in mei 1936 eerst de Awyu stam aan de Digul en daarna de Yahray stam aan de Nambeomon bezochten.
Boelaars 1997 p.103
AR-P027 20214 Serie BII- het maken van een trom in Gaindamu (Awyu gebied)
AR-P027 20213 Serie BI-291 Jaqai (Yahrai) krijger naast schilden
Jaqai krijger. Nationaal Archief CC-BY-SA
Kaart Awyu aan de Digul, Boelaars 1997 p.187
De vele gegevens bij elkaar gelegd, maken het nu wel duidelijk dat de bovenloop van de Dayusi-, de Asuwé-, de Pasuwé-, de Mappi-, de Bamgi-Ia-, de Ederah- en de Kiarivier het land uitmaakt van de grote Awyu stam. Dat zijn zeer vriendelijke mensen, vrolijk, opgeruimd, kinderlijk, die het koppensnellen bij onderlinge gevechten wel kennen, maar met eengesnelde kop geen raad weten. Soms denkt men aan een tamelijk zinloze overname van de Mappi stam (Yahray). Deze Awyu stam verschilt van de Marind (een jagersvolk), van de Yahray (een vissersvolk) en van de Muyu (een primitief landbouwend volk). Het is een volk van sago-eters dat vooral de kweek van sagolarven in het groot beoefent. Dat vraagt wel telkens te verhuizen en dat, zo overwegen de missionarissen al, zal het beschavingswerk onder zulke van links naar rechts trekkende mensen, wel lastig maken, om van een toekomstig geregeld schoolleven nog maar te zwijgen.
Boelaars 1995 p.243
AR-P027 M 85 Auwyu huis
20216 Serie BIV-2225-2226-2227 Opgesierde jongens op de trap van het mannenhuis te Jibin
AR-P027 20216 Serie BIV-2238 tm 2245 Kinderen, knapen en ouderen te Jibin Ederah.
20165-5 Awyu (Auwjoe; Auyu; Awju; Aujoe) typen van het dorp Jibin aan de Ederah met Syrinx schelp als schaambedekking ten teken van hun koppensneller prestaties
20216 Serie BIV-2246 en 2247 Awyu mannen Jibin Ederah
Mappi kinderen met varkentje. Foto Arie Vriens, collectie Piet van Mensvoort.
AR-P027 20213 Serie BI-301 Awyu mannen (Awju; Auyu; Auwyu; Auwju: Auwju: Auwjoe)
AR-P027 20216 Serie BIV-2205 Schilden van de Awyu (Awju; Auyu; Auwyu; Auwju: Auwju: Auwjoe)
Het mannenhuis is een lange, brede schuur, op de grond of op korte palen gebouwd. Het dak komt aan de lange zijde tot dicht bij de grond en in de wand daaronder zijn kleine openingen uitgespaard, die door enkele bladscheden van de sagoboom kunnen worden afgesloten. In de voor- en achterwand is een smalle deuropening aangebracht, die in geval van nood door één man, opgesteld achter zijn schild, te verdedigen is. De ruimte wordt onderverdeeld door de vuurtjes en de daarboven aangebrachte brandhoutstellages, die in twee rijen rechts en links van het middenpad staan. Bij elk vuurtje zitten twee mannen, die eikaars verwanten of aanverwanten zijn. In de lange rijen hebben telkens die mannen dicht bij elkaar een plaats gekozen, die tot een bepaalde groep behoren. De aanvoerder daarvan neemt de centrale plaats in. In het middenpad slapen de jongens en de ongehuwde mannen. Tegen de zijwanden staan de schilden en hangen de speren. De volwassenen hebben hun dolk bij de hand. Aan de nokbalk hangen de koppen van de gesnelde vijanden. Hier leven de mannen. Zij roken uit lange bamboepijpen en bespreken de dingen van de dag of beramen plannen voor de komende sneltocht of wraakoefening.
'Papoea's aan de Mappi' Boelaars 1957 pp. 39-40
20214 BII-1054 Schilden te Tatomeo
Kerstening en vredesfeest
20213 Serie BI-194 Opening van het openluchtaltaar met een stralenkrans van Yahray (Jaqai/Yaqai) schilden en speren. Juli 1951
Verschueren kwam steeds meer tot het inzicht, dat wat zijn voorganger Meuwese door zijn luisterrijke feesten in Jatan en Enem had bereikt niet alleen ook voor het Qobagebied ondernomen moest worden, maar voor heel het Mappi- en Awjugebied, dat onder zijn leiding stond. Hij achtte daar de tijd rijp voor en terecht. De laatste sneltocht was nu twee jaar achter de rug, de onderwijzers hadden zijn leiding aanvaard, de hoofden en de goeroe's begrepen en volgden het beleid van Maturbongs. Alleen de mensen uit de dorpen waren nog niet overtuigd, dat ook de nieuwe tijd hun leven die glans en luister kon geven als de oude feesten dat hadden gedaan. Daarom begon de pastoor een groot feest voor te bereiden, waarop vijfduizend Mappiërs en duizend Awju's tezamen zouden komen, plechtig vrede sluiten en de doop van de schoolkinderen, twaalfhonderd in getal, meemaken. Heel het volk leefde mee met de voorbereidingen, omdat jong en oud geestdriftig werd gemaakt voor dit evenement. In Képi werd een apart dorp gebouwd voor de toekomstige feestgangers, dat bestond uit tweeëndertig grote bivakken.
Maanden werd er voedsel ingezameld. Door de mannen werden nieuwe schilden vervaardigd en matten voor de kerk door de vrouwen. Met de onderwijzers werden besprekingen gevoerd over de adat van de bevolking en de regeling van het feest. Liederen en gebeden moesten ingestudeerd worden en in ieder dorp werd gesproken over de initiatie van de kinderen, welke na de vredessluiting tussen Awju en Jaqai bij hun doop zou geschieden en het centrale gebeuren van het feest zou zijn.
In juli 1951 vond het feest plaats en het duurde een volle week. De intocht van de duizenden gasten, die daar getooid, zingend en trommelend aankwamen, was een aanblik zo groots als de Jaqai nog nooit hadden gezien. Het sluiten van de vrede gebeurde geheel overeenkomstig de oude gewoonten van de Jaqai en werd door de aanvoerders zelf georganiseerd en geleid. Speren werden bij honderden gebroken, voedsel werd door Jaqai en Awju's onderling verdeeld en in het midden rookten de oorlogsaanvoerders met elkaar de vredespijp.
(...)(...)(...)
Voor het openluchtaltaar, dat als achtergrond een weidse boog van Jaqaischilden had gekregen, werden de dorpsvoorlopers plechtig gevormd en na hen de honderden Mappiërs en Awju's, die dit sacrament nog niet hadden ontvangen.
(...)(...)(...)
De betekenis van dit feest lag zeker in de ontdekking van de Jaqai, dat hun aartsvijanden, de Awju's, evenals zijzelf de leiding van missie en bestuur hadden aanvaard en niet langer konden worden beschouwd als prooi van toekomstige sneltochten.
(...)(...)(...)
Niet alleen het gebruik van de kleurige schilden en de oude kleurige opschik, het dagenlang weerklinken van oude gezangen onder het gedreun van de trommen legden daarvan getuigenis af, maar vooral het feit dat de regeling van de vredessluiting aan de oorlogsleiders was overgelaten en dat de Papoea-voorlopers bij de voorbereiding van de feestelijkheden waren ingeschakeld. Het volk en de onderwijzers begrepen dat de vooruitgang gepaard zou gaan met feesten, waarvan de zin anders was dan die van de oude feesten, maar waarvan de vorm zou aansluiten op het grote verleden van de Jaqai, totdat deze langzamerhand aan de nieuwe elementen uitdrukking zouden geven in zelf gekozen vormen.
'Papoea's aan de Mappi' Boelaars 1957 pp. 187-189
Auwju= Auwjoe, Awju, Aujoe, Awjoe, Awyu, Auyu
Mappiër=Jaqai, Yaqai, Yahrai
AR P027 20213 Serie BI-198 tm 203 Vredesfeest Kepi
198: In de stad der gasten wordt een varken gevild.
199: Aankomst van de laatste kampong Jodom, vrouwen met schilden voorop. (Jodom of Yodom iets ten zuiden van Badé aan de Digoel of Digul gelegen)
200: Mappiërs en Auwju's rukken op om vrede te gaan sluiten.
201: Mappiërs rennen rond de Auwju's; begin van het vredesfeest.
204: Mappiërs breken hun speren.
Auwju= Auwjoe, Awju, Aujoe, Awjoe, Awyu, Auyu
Mappiër=Jaqai, Yaqai, Yahrai
20213 Serie BI-243 Vredesfeest Kepi
AR-P027 20213 Serie BI-200 Mappiërs (Jaqai) en Auwju's rukken op om vrede te gaan sluiten.
AR-P027 20213 Serie BI-271 Erebogen langs de weg met Papoea-schilden versierd
AR-P027 20213 Serie BI-270 Erebogen langs de weg met Papoea-schilden versierd
20217 serie BV-2688 Feestpoort te Kepi vormfeest 1954
20216 Serie BIV- 2174 Altaar in Dagimon
AR-P027 20164 Altaar kerk Jermoqoin ca 1951 in dezelfde motieven versierd als de schilden
Afbeeldingen bij Boelaars' etnologisch onderzoek
AR P027 20213 Serie BI-469 Speerputje in de Bapei (Bapai) te Qoqojamon (Gogeamon)
20218 Serie BVI-3143 Het verven van de prauwen te Dagimon
AR-P027 20217 serie BV-2506-2511 Prauwversiering te Enem 1954 en Awyu-schonen van Assaring te Ngarai, aan kali Asuwe.
Hieronder een selectie uit de opnames die Boelaars voor zijn etnografische studie van schilden van de Papoea's in de Mappi maakte. Het dorp of de Papoeastam waar het gefotografeerde schild werd aangetroffen wordt in zijn annotaties die onder de afbeeldingen zijn opgenomen niet altijd vermeld.
Enkele zwart-wit opnames zijn met behulp van AI van kleur voorzien om de karakteristieken van de schilden beter te laten uitkomen.
AR P-027 20214 Serie BII 1418 Schilden tegen de kerkwand te Kepi.
Boelaars fotografeerde voor zijn etnologische studie enkele honderden schilden in de Mappi.
AR-P027 20213 Serie BI-292 Papoea schilden. Ingekleurd.
AR-P027 20214 BII-1040 t/m 1047 Schilden. Ingekleurd.
20214 Serie BII-1381 tm 1384 Jaqai schilden
20215 Serie BIII-1581 en 1582 Schilden van de Nambeomon
20214 Serie BII-1365 tm 1368 Jaqai schilden
Wapens (speren) van de Jaqai
De Jaqai heeft een vijftiental verschillende oorlogssperen, die uit allerlei houtsoorten gesneden en alle van weerhaken voorzien zijn. Speren waren er steeds in overvloed, omdat ze het voornaamste wapen in de strijd waren en er veel verloren gingen, zowel tijdens als na het gevecht. Vaak immers werd een speer op het slagveld rechtop in de grond gestoken en als teken van de overwinning achtergelaten. Vaak ook plantte de strijder de speer waarmee hij iemand gedood had thuis bij de bron. Dat gebeurde ten gerieve van zijn vrouw, die nu haar gezellinnen met trots zou kunnen wijzen op haar voortreffelijke echtgenoot. Behalve de speren waren er de schilden die uit wortels van grote bomen werden gehakt en daarna met snijwerk versierd. Met witte en rode kleurstof werd de motieven reliëf gegeven, zodat ze reeds van veraf te zien waren. Er waren snelhoorns nodig en trommen en ook daarvan kostte de vervaardiging veel tijd, omdat ze bij gebrek aan andere hulpmiddelen met vuur uitgehold moesten worden.
Het spreekt vanzelf dat niet iedere houtsoort geschikt is voor een trom. Alleen houtsoorten, die niet gemakkelijk barsten, komen in aanmerking, omdat de wand van snelhoorn en trom maar een geringe dikte mogen hebben. Als trommelvel gebruikt men de huid van een varaan, die met een kleverig boomsap over de opening wordt geplakt. Vóór het gebruik brengt men propjes hars op de huid aan en verwarmt die, zodat het vochtige vel droogt, krimpt, en zich daardoor spant. De trom wordt op de feesten bespeeld tijdens de zang, waarin gebeurtenissen uit het leven van de sneller worden verhaald. Zulk een gezang wordt door een groep mannen uitgevoerd, onder begeleiding van enkele trommen.
'Papoea's aan de Mappi' Boelaars 1957 pp. 43-44
20214 BII-1331/1330 Man in feestdos te Gej-Aboge
De mannen zien hun wapens na en vullen hun voorraad speren aan met nieuwe van allerlei vorm en maat. Behalve steek- en slagwapens worden pijlen en bogen vervaardigd. De mensenpijl is bijzonder klein en licht en wordt met hele bundels meegenomen. Ter bescherming van zichzelf hakt men bovendien nog uit grote plankwortels nieuwe schilden, waarin motieven worden uitgesneden. Wie klaar is met zijn uitrusting, begint aan zijn opsiering aandacht te schenken. Op het hoofd dragen sommigen een breeduitwaaierende paradijsvogel, terwijl anderen de witte veren van de papegaai in de zwarte kroesharen steken en een vuurrode vogel over het voorhoofd leggen. Met kalk en gebrande aarde brengt men rode en witte kleuren aan op het gezicht, waarin de donkere, wilde ogen schichtig glinsteren. Ook het lichaam wordt in de verf gezet en aan armen en benen komen banden, waarin kleurige bladeren worden gestoken. Iedereen doet zijn eretekenen aan: de staarten van casuarishaar, de gordel van mensenhaar, opgesierde vruchten en snelmessen. Tenslotte worden de grote witte krullen in de neus gestoken en de krijgsman staat in vol ornaat gereed. Avond na avond wordt er gedanst. De gezangen over vorige tochten, die daarbij ten gehore worden gebracht, brengen de mannen in de vereiste oorlogsstemming.
Boelaars 1957 p.118
AR-P027 20214 Serie BII-1333 Schilden te Gej-Aboge 1951
De Papoea's die in en rond Aboge in het regentschap Mappi leven, behoren tot de Awyu.
Aboge is een dorp (kampung) in het district Assue (of Asue) binnen het regentschap Mappi, in de huidige provincie Zuid-Papoea. Dit gebied vormt het hartland van de Awyu-bevolking.
AR-P027 20214 BII-1288-1291 Abogé-groep
Gondugebied Boelaars 1997 p.99
Ten oosten van het Kasuarinengebied en ten westen van het Mappidistrict ligt een groot gebied tussen deze twee missiegebieden. Dit gebied werd voor het eerst vanuit Mappi verkend. Pater Meuwese probeerde al vanaf 1938 contact te leggen met de bewoners van het Boven-Bapaygebied.
In het boek Met Papoea’s samen op weg, de Baanbrekers staat dat pater Meuwese in oktober 1941 vanuit het dorp Gogeamon aan de Bapayrivier op zoek ging naar dorpen waar volgens verhalen Bapay-mensen woonden. Deze dorpen lagen bij de bron van de rivier. Hij bereikte het dorp Tatemeo, maar zijn begeleiders verhinderden hem om verder te gaan en meer te ontdekken.
Eerder, in oktober 1940, was het hem wel gelukt om vanuit Képi het dorp Ararè te bezoeken, dat dicht bij de bron van de Gondu-rivier ligt.
In 1948 en 1952 maakten de paters J. Verschueren en C. Meuwese reizen vanuit Képi om een verbinding te vinden tussen het Mappigebied en de Kasuarinenkust. Tijdens hun eerste tocht ontdekten zij een rivier die nog niet op de kaart stond. Ze noemden deze rivier de Koningin Julianarivier, naar de troonsbestijging in 1948. De lokale bevolking noemde de rivier echter de Gondu, en die naam wordt nog steeds gebruikt.
In 1952 bereikten zij via de Cookrivier de Kasuarinenkust. De mensen van de Gondu waren toen “ontdekt” en durfden daarna zelf naar Képi en Masin (een bestuurspost) te reizen om spullen te halen zoals ijzeren bijlen, kapmessen, tabak en vislijn.
(...)(...)(...)
In de loop der jaren verzamelde Lommertzen gegevens over de geschiedenis van de Gondu bevolking van vóór het eerste contact met C. Meuwese in 1940. Hij kon komen tot 1900. Hij ontdekte dat er een gedwongen verhuizing van mensen aan de Parrurivier plaats had gehad naar de Gombururivier. Tijdens dat gebeuren verbleven zij enige tijd nabij de huidige bewoners van Ararè. Deze groep verjoeg ter plaatse de mensen die nu aan de Cookrivier wonen. Hij hoorde dat van de bevolking die woonachtig was ten noorden van de Tammegeir-yo in het brongebied van de Purmi/Atsip, vijf dorpen waren verhuisd naar het gebied ten zuiden van de Tammegeir-yo, namelijk naar de streek tussen de Bapay- en Gondurivier. Het waren de dorpen Taragai, Ati, Gaumu, Kageir en Kayegai.
Ten noorden bleven de dorpen Gaitog, Yamé en Tsekere. Intussen echter waren de Tammegeiers-yo ook uiteengevallen. Zij hadden hun moederkampong losgelaten. De
Maggabag en Teriemu waren naar het brongebied van de Bapayrivier gegaan, de Toopm naar de kop van de Oba, en wat restte vestigde zich te Ararè.
Deze verhuizingen geschiedden wel ten koste van andere dorpen. De uit het gebied van de Gombururivier verdreven bewoners wonen nu halverwege de Cookrivier. De
Atsipburu hebben de oorspronkelijke bewoners van hun gebied uitgemoord. Deze mensen konden geen kant meer op (tussen Asmat en Yahray). Mensen die van de Gonnegeir wegtrokken naar de Kronkel, hebben daar de Sauwi groepen verjaagd.
Dit 'verhuizen' ging samen met koppensnellen bij groepen die als vijand beschouwd werden, maar het bleek dat zij dit zelf ook zagen als iets uit het verleden waarop men niet trots kon zijn. Enerzijds was er na een 'sneltocht' wel een feest, maar anderzijds was een 'expeditie' méér een afstraffing. Het gewelddadig optreden stond vooral in verband met de verovering van een nieuw sagogebied. Sterkere groepen roeiden zwakkere uit of verjoegen hen. Door het optreden van de politie in 1948 te Ararè en 1959 in het Yahray gebied kwam er aan het snellen een einde.
(...(...)(...)
SAGO
Het Gondugebied, vooral het westelijke deel, bestaat uit sago-moerassen, niet aangeplant, wel door verzorging van bomen of opgeschoten stekken tot betere gebracht. Bij de bomen, tot vijftien meter hoog, wordt onderzocht of hun inhoud bestaat uit houtvezels of meel. De bast heeft doorns, zodat varkens en kasuarissen er afblijven tot de boom geveld is en opengelegd. Het meel heeft alleen caloriewaarde en moet worden aangevuld met groente, vis of vlees. De sagowinning is een moeizaam bedrijf. Het meel moet losgeklopt, met water uitgewrongen en via een zeef afgedaald, opgevangen en in zakken naar huis gebracht. In het dorp deelt men de voorraad in tweeën: de helft voor het eigen gezin, de rest voor wie bedacht moeten worden, zoals schoonouders, de oppas, de eigenaar van het areaal. Dit rondbrengen is steeds een veelzeggend gebaar. De opbrengst kan per boom 80 kg zijn.
Het meel wordt 's morgens en 's avonds in staafvorm geroosterd, 's morgens droogweg gegeten en 's avonds hopelijk met bij spijs. Bij haast kan men ook een blok in het vuur leggen en de geroosterde schil eten. Een sagoboom kan ook opengekapt blijven liggen. De sagoboktor legt er eitjes in. Na twee maanden zijn dat larven, die geroosterd een gezochte lekkernij vormen. Is het eenmaal mogelijk sago te verkopen (in Képi), dan wordt men zuiniger in het omkappen van bomen enkel voor de larvenkweek. De larf bezit veel eiwit.
De bladeren dienen voor de dakbedekking, de dunne takken worden op maat aan elkaar geschoven voor de bewanding, of bevestigd als vloerbedekking. Het merg daarvan wordt boven het vuur gehard en als zout benut. Het blad in de jonge takken dient ter versiering en is tot koordjes te rollen voor de rok. De nerven van het blad worden speelgoedpijltjes. Jong blad wordt benut om er draagzakken van te maken.
Zie Boelaars 1997 pp. 72; 75 en 81
20214 BII 949-941 Mensen van Wagao (Gondugebied) op het feest van Jermoqoin
AR-P027 20214 BII 942-943 Wagao mensen op het feest van Jermoqoin
20216 Serie BIV-2253 t/m 2269 Wagow-man met doodskop - pastoor van Dongen met voorouderkop - schilden afkomstig uit Sogobi-Kakere aan de Juliana-rivier
Mitah Awyu
Boelaars 1997 Met de Papoea's samen op weg 3, p.130 kaart cultuurgebieden
AR-P027 20213 BI 0284 Huis in de kampong Semenak aan de doorsteek tussen Soewa en Becking.
(Kampong Semenak niet op de kaart te vinden, waarschijnlijk nabij Senggo, Citak-Mitah District).
20216 Serie BIV-1973-1979-2202-2203 Mannen uit Mita (Mitah) Awju (Awyu; Awyu; Auyu; Awjoe; Auwjoe; Aujoe)
Tjitak of Citah
De Citah (Noordoost Asmat) werd in 1960 bezocht door J. Duivenvoorde, die tezamen met de bestuursman Oosterman de Boven-Eilandenrivier en haar zijrivieren zo hoog mogelijk opvoer. Hij schatte de bevolking op vijf- tot zesduizend. Hij kon er twee catechisten plaatsen, namelijk te Asserib en te Senggo. In die tijd heeft de Zending (TEAM) in Senggo een zendingsleraar geplaatst.
Daarna, in 1962, bereiken W. van Dongen en T. van de Vlugt de Citah. De moeilijkheid is dat de Pasuwé (de waterweg van Wanggaté naar de Eilanden) telkens overdekt wordt met een dikke laag plantengroei, waar met de prauw of later met de motor bijna niet door te komen valt. Vanzelf komt de gedachte op dat dit gebied (Asmatters) gemakkelijker bereikbaar is vanuit Ac (door de osc) en de vraag is waar de grens tussen de werkterreinen van de MSC en de osc getrokken moet worden. Van Dongen stelt Merauke voor te Senggo een hulpgoeroe te plaatsen en in grotere dorpen een gesubsidieerde school te openen. In 1963 gaan zij samen nogmaals naar de Citah, nadat de politie daar te hardhandig is opgetreden. In 1964 gaat Van de Vlugt naar de Citah, bekijkt de mogelijkheden van dorpsvorming en bouwt zich een huis in Senggo. Hij kan er enkele Muyu catechisten plaatsen. Er blijken weer snelpartijen te hebben plaatsgehad.100 Het Burgerlijk Bestuur wil er opaf, maar komt niet door de Pasuwé heen.
In 1965 bereikt Van de Vlugt de Citah, een windhoos had scholen en woningen van de goeroes verwoest. In dat jaar krijgt Van de Vlugt de beschikking over een motorboot en gaat hij naar pater Zachmann osc, pastoor van Yaosekor (Asmat) om de overdracht van het Citahgebied aan de osc te bespreken. Deze overdracht komt tot stand.Tijdelijk trekt de osc de catechisten terug. In 1970 maakt pater Adr. Vriens een statistiek, hij komt tot 4.899 mensen in dertig dorpen.
Boelaars 1997 pp. 144-145
Citah=Citak Mitak;Tjitak
AR-P027 20215 Serie BIII-1985 Asmat schilden uit Tjitak gebied - foto Van Dongen (Tjitak=Citak; Citah)
20216 Serie BIV-2365 Schilden aangetroffen door P van Dongen bij Tjitak-mensen in 1955
20217 Serie BV-2637 Zelfde Tjitak schild te Isaqa. zie ook: WM35749 NMVW
20217 serie BV-2566 Schild uit Tjitak
20217 serie BV-2625 Schild uit Tjitak 1954
20217 Serie BV-2722 Schild van de Isaqa
AR-P027 20216 Serie BIV-2464 tm 2467 Schildmotieven op palmbladschede te Isaqa.
20216 Serie BIV-2467 2068 2072 2073 Schildmotieven op palmbladschede te Isaqa 1954
AR-P027 20217 Serie BV-2580 t/m 2587 Schildmotieven op palmbladschede 1954
AR-P027 20217 Serie BV-2588 tm 2595 Schildmotieven op palmbladschede 1954
20217 Serie BV-2596 tm 2603 Schildmotieven op palmbladschede 1954
20217 serie BV-2612 - 2618 Schildmotieven te Isaqa
20216 Serie BIV-2272 Lansen Tjitak 1954
Asmat
AR-P027 20214 Serie BII-1019 De zusters hebben een Asmat prauw gekocht
AR-P027 20217 serie BV-2621 tm 2628
2621 t/m 2622. Prauwversiering van Asmatters.
2623 t/m 2627. Gebruik van stenen bijl te Fos (Asmat).
2628. Asmat vrouwen en kinderen.
20215 Serie BIII-1877 tm 1884 Asmat schilden
20217 Serie BV-2709 Bisjpalen te Amborep.
Hierna volgen enkele opnames die Boelaars maakte van fragmenten van deze bisjpalen waarbij hij in zijn annotaties melding maakt van Sjuru in plaats van Amborep zoals bij bovenstaande opname het geval is.
20216 Serie BIV-2463 Bisjpalen te Sjuru (Syuru)
20216 Serie BIV-2456 Top Bisjpaal te Sjuru (Syuru)
20216 Serie BIV-2451 Fragment Bisjpaal te Sjuru (Syuru)
20216 Serie BIV-2138 / 20167-32 Top (tsjemen of cemen) bisjpaal te Sjuru (Syuru)
AR-P027 20167-35 Deel van de bisjpaal hier op de grond liggend tegen de bamboelatten met nipah- of rumbiabladeren die als dakbedekking dienst doen
20215 Serie BIII-1719 benen dolk Asmat
NIEUW GUINEA UW MENSEN ZIJN WONDERBAAR
HET LEVEN DER PAPOEA'S IN ZUID NIEUW GUINEA
Dr J. BOELAARS ETHNOLOOG 1953
PAPOEA'S AAN DE MAPPI
Dr. BOELAARS M.S.C. Etnoloog 1957
Met Papoea's samen op weg II
Dr. BOELAARS M.S.C. Etnoloog 1995
Met Papoea's samen op weg III
Dr. BOELAARS M.S.C. Etnoloog 1997
MONO KOAME 'wij denken ook'
door
Dr. J.H.M.C. Boelaars MSC, antropoloog en Drs. A.C. Blom, etnopsychiater 2001
BOVEN-DIGOEL
L.J.A. SCHOONHEYT 1936
Tussen de Digoel en de Kao. Dr. J. Boelaars 1970
Kebudayaan dan Perubahan
Suku Muyu
dalam Arus Modernisasi Irian Jaya
Culture and change among the Muyu. J.W. Schoorl 1993
Beeldcollecties Papua Selatan:
ASMAT:
ASMAT / MAPPI: