Papua Tengah: Paniai / Dogiyai / Deiyai

Overzichtskaartje van stammen en talen der Bergpapoea's van Westelijk Centraal Nieuw-Guinea

Map Central New-Guinea. Cannibal Valley, page 277. Arthur T. Hitt 1962

Fragment overzichtskaart westelijk deel Nederlands Centraal Nieuw-Guinea 1939. Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap onder leiding van C.C.F.M. le Roux 

Kaart Paniai. 0041 Lemari Paniai 1957-1962 

Paniai-Dogiyai-Deiyai: Mapcarta.com

Wisselmeren luchtopname. Donkers diapositief Papoea 1972-1973- 046 

Paniai en Tage-meer 1985. Donkers diapositief 757 

KENNISMAKING MET DE WISSELMEREN

In 1926 bezocht de Amerikaanse expeditie van Prof. M. W. Stirling het bovenstroomgebied van de Rouffaer-rivier, waar men in aanraking kwam met de stammen Dem, Moni en Ndani. Al deze tochten leidden tot de conclusie dat het Centrale Bergland van Nieuw-Guinea vrijwel overal bewoond is en dat de bevolkingsconcentraties er veel dichter zijn dan aan de kusten. Dat al deze Bergpapoea's een lange schaamkoker als enig kledingstuk droegen, was nog niet zo bijzonder als hun uitgesproken kleine lichaamslengte ten opzichte van hun flink uit de kluiten gewassen broeders aan de kusten. De wetenschap der antropologie interesseerde zich in het bijzonder voor deze mensen. Aan de hand van hun lichaamslengte werden ze beschouwd als een dwergvolk — Pygmeeën. Nader onderzoek bleek echter gewenst.
Juist vanuit de Mimika-kust, in het Zuiden, waar het bergland de zee dicht nadert en dus ook de woonoorden der Kapaukoe's— zoals de Mimikanen de kleine bergmensen noemen — zou men hun woongebieden met een betrekkelijk weinig kostbare expeditie kunnen bereiken. Dr. H. J. T. Bijlmer, die als arts en antropoloog in 1920 ook de expeditie onder Van Overeem naar de Swart-vallei had meegemaakt en daar kennis had gemaakt met de stam der Timorini's, deed eind 1935 pogingen de Kapaukoewoonplaatsen in het boven-Mimika-gebied te ontdekken. Met pater H. Tillemans en de bestuursambtenaar S. van der Goot, trok hij het Charles Louisgebergte over en bereikte het dal van de Pogi, een zijrivier van de Mapija, waar een grote concentratie van Bergpapoea's woont.
Pater Tillemans werkte al jaren aan de Mimika-kust en had verschillende malen Bergpapoea's ontmoet, die hun tabak aan het kustvolk kwamen verhandelen. Maar ze hadden nooit gids willen zijn naar hun eigen woongebieden. Nu ze tegen hun zin toch ontdekt waren, namen ze dit vrij gemoedelijk op en de expeditie had grote medewerking van Auki Tekege, de hoofdman van het Pogi-dal. Auki sprak de kusttaal en vertelde dat verderop in het bergland nog vele Kapaukoe's woonden. Maar hij had liever niet dat men verder trok. In de eerste plaats gunde hij niet aan anderen de voordelen, die de expeditie in de vorm van bijlen, schelpen en messen afwierp en in de tweede plaats wenste hij er niet voor aangezien te worden zomaar vreemdelingen naar anderen te zenden. Ze mochten hem de eventuele nadelige gevolgen eens kwalijk nemen. Wel stuurde Auki mensen uit met de boodschap, dat hij vreemdelingen op bezoek had, die serieus contact met het bergvolk wilden. Zo werd het kamp van de expeditie achtereenvolgens door verschillende groepen van Bergpapoea's bezocht, waaronder ook mensen van de Wisselmeren. Maar hiervan was toen nog niets bekend. Als laatste groep verschenen de Mannekoe's en juist dezen werden vol spanning afgewacht, want Auki had verteld, dat ze blank waren. Toen ze dan eindelijk kwamen, bleken ze even donker als de anderen. Maar ze vielen op door hun fiere en zelfbewuste houding, waarvoor ook de andere Kapaukoe's ontzag toonden. Het waren de Moni's uit Koegapa en ze stonden onder leiding van Kikimokaja Zongonau, beter bekend als 'de generaal' en Soalekigi Zongonau, de latere vriend van Dr. J. V. de Bruyn, de Jungle Pimpernel.
Wanneer men maar weinig van een Papoeataal afweet, rijzen overal misverstanden. Auki zal heus wel geweten hebben, dat de Moni's niet blank zijn. Maar in hun overleveringen hebben deze mensen connecties met een ras van blanke Papoea's, die al vroeg in hun geschiedenis naar onbekende oorden vertrokken zijn. Geen wonder, dat men de expeditie Bijlmer aanzag voor nakomelingen van hun voorouders, die het verbroken contact kwamen herstellen. Ze hadden zelfs een varkentje meegenomen, dat niet geslacht mocht worden. De blanke stamgenoten moesten het mee naar huis nemen, verder fokken en daarvan later enige biggetjes terugbrengen. Een vorm van deelteelt, die bij het bergvolk algemeen toegepast wordt.
Dr. Bijlmer had volop gelegenheid zijn antropologische studie voort te zetten en, gevoegd bij hetgeen reeds bekend was, kwam hij tot de conclusie, dat de Papoea's van het Centrale Bergland van Nieuw Guinea toch geen Pygmeeënstam vormen. Hun gemiddelde lichaamslengte ging het daaraan gestelde maximum van 150 cm toch iets te boven. Ze werden als Pygmoïde betiteld, dus geen dwergen, maar dwergachtige Papoea's. Ze behoren tot hetzelfde ras als de Kustpapoea's. Door verschillende omstandigheden, zoals onder andere voeding en woongebieden, kunnen ze wat kleiner gebleven zijn. In het toch al afgelegen Nieuw-Guinea wonen de Bergpapoea's weer geïsoleerd van het kustvolk; tussen beide groepen strekt zich immers een brede strook onbewoond heuvelland en moeras uit. Op enkele punten wordt wel een schaars handelscontact onderhouden, maar men trouwt niet onderling. Dit verklaart mogelijk weer de overige verschillen tussen Berg- en Kustpapoea's, zoals een bredere schedel en sterkere beharing bij de eersten.
De Wisselmeren, die een 60 krn oostelijk liggen van het door Bijlmer bezochte gebied, werden een jaar later toevallig ontdekt.
Op 31 December 1936 vloog de Luitenant ter Zee Vlieger Ir J. F. Wissel van Japen (een eiland in de Geelvinkbaai ten noorden van Nieuw-Guinea) naar de Etnabaai (aan de zuidkust, even west van de Mimika). Hij kwam over nog niet verkend gebied en zag onverwachts beneden zich een groot meer, waarop zich zeer veel prauwen bevonden. Volgende verkenningen uit de lucht toonden aan dat er drie meren zijn. Ze zijn Wisselmeren genoemd, naar de ontdekker.
De Nederlands Indische regering vond het thans zaak de Bergpapoea's onder bestuur te brengen. De Assistent Resident van Fakfak, Dr J. W. Cator, waaronder het nieuw ontdekte gebied ressorteerde, maakte hier onmiddellijk werk van. Ter nadere verkenning maakte hij gedurende September en October 1937 een tocht naar het bergland. Hij bereikte zijn doel niet, maar tijdens de tweede poging kwam hij op 16 December 1937 bij het Tigimeer aan, het zuidelijkste van de Wisselmeren. Daar werd de groep opgewacht door de Moni's, die reeds gehoord hadden dat hun blanke broeders in aantocht waren. Ze leidden de groep langs een grote omweg naar Koegapa, waar onder volledige goedkeuring van de Moni's de Nederlandse vlag gehesen werd, als teken dat het gebied onder bestuur gekomen was. Hierna bracht men de expeditie naar het Paniaimeer, het grootste van de drie Wisselmeren, waarnaar men vanaf den beginne op zoek was en dat slechts een 15 km westelijk van Koegapa bleek te liggen.
(...)(...)(...)
Het gebied van de drie meren — Paniai, Tage en Tigi — bleek bewoond door de stam der Ekagi's. Oostelijk hiervan wonen de Moni's. Beide stammen zijn vredelievende landbouwers en doen— zoals trouwens overal in het Centrale Bergland — niet aan koppensnellen of kannibalisme. Toch hebben beide weinig waardering voor elkaar. De Moni's zien verachtelijk op de Ekagi's neer en dezen beschouwen hun kort aangebonden buren als onberekenbare bruten. Vlak bij Enarotali, dus eigenlijk in het Ekagi-gebied, woont een groep Moni's. Deze vestiging was met veel strijd gepaard gegaan en daar juist, in Koegapa, had Cator de Nederlandse vlag gehesen. Hoewel de Ekagi's de vestiging van de bestuurspost in Enarotali een daad van wijsheid vonden, hadden de Moni's er een geheel andere mening over. 'Eerst toch zeker Koegapa en daarna helemaal niets meer'.
Van Eechoud verzamelde onder al die moeilijkheden toch vele gegevens en vertrok, toen in November 1938 de controleur Dr. J. F. Stutterheim het bestuur overnam. Deze bleef niet lang en werd opgevolgd door de controleur Dr. J. V. de Bruyn.
Om een nieuw gebied onder bestuur te brengen, rekent men tien jaar voor het gebied gepacificeerd is: vijf jaar om kennis te maken met de bevolking en haar gewoonten en nog eens vijf jaar om het daadwerkelijk bestuur te beginnen. De Bruyn was vol enthousiasme en vorderde snel. Hij leerde de taal en maakte mooie tochten in oostelijke richting, waar meerdere bewoonde dalen lagen. Zijn gids en toegewijd vriend bij dit exploratiewerk was Soalekigi, de Moni-hoofdman uit Koegapa.

uit K.W.J. Boelen 'Dokter aan de Wisselmeren' pag 10 vv

Enkele kritiekpunten mbt bovenstaande tekst:

Een classificatie als "Pygmoïde" (dwergachtige) stammen behoort tot de koloniale rassenantropologie. Moderne antropologen verklaren de kleinere lichaamslengte simpelweg door genetische adaptatie aan het bergklimaat en specifieke voedingspatronen.

De beschrijving van de Moni als "onberekenbare bruten" en de Ekagi als "kort aangebonden" is een stereotype weergave. Dit negeert de complexe geopolitieke en culturele verhoudingen die destijds tussen de stammen speelden.

De tekst suggereert dat de Papoea’s pas betekenis kregen toen zij "ontdekt" werden en dat het hijsen van de vlag een vanzelfsprekende "daad van wijsheid" was. Het perspectief van de lokale bevolking op het verlies van hun autonomie ontbreekt volledig.

Termen zoals "flink uit de kluiten gewassen broeders" getuigen van een neerbuigende, koloniale schrijfstijl die vandaag de dag niet meer als neutraal of objectief wordt beschouwd.

    Portret van H.J.T. Bijlmer, leider van de Mimika-expeditie, met Auki Tekege. Foto gemaakt tijdens de Mimika-expeditie 1935-1936. NMVW TM-10032847  CC BY-SA 4.0 Datacollectie NMVW

    Herman Tillemans met Auki Tekege - Missionarissen-144-018

    Tillemans trekt met de bergmensen de bergen in achter Mimika. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20170-40

    Verslag tocht naar de Wisselmeren van 2 juni tot 1 juli 1938 door Pater H. Tillemans (beneden aan de pagina als tekst)

    Afdruk NEFIS* 19 augustus 1943 - Div-Wisselmeren 007

    Geschreven tekst achterzijde: Protestant Church and native settlement with gardens at Enarotali. Mount Robairo is in the background

    * NEFIS staat voor de Netherlands East Indies Forces Intelligence Service. Dit was de militaire inlichtingendienst van de Nederlands-Indische regering in ballingschap tijdens de Tweede Wereldoorlog.

    Wisselmeren NEFIS 1943

    Geschreven tekst achterzijde Wisselmeren NEFIS 1943 (zie onder)

    Van Meyer Ranneft* (...)

    5 Kapaukoes van Ekari** die als vrijwilligers (...) Dr. de Bruyn volgden tot (...) en toen via Merauke Brisbane naar Hollandia gingen, in het Papoea-bataljon van het KNIL werden opgenomen en 3 jaar na hun vertrek weer met de Bruyn naar Wisselmeren via Biak.

    Jo Boers

    * R. Meyer Ranneft, Controleur bij het Binnenlands Bestuur in het gebied van de Wisselmeren in Centraal Nieuw Guinea

    **Kapaukoe en Ekari (tegenwoordig Ekagi/Me) duiden op hetzelfde volk. Mogelijk werd waar Ekari geschreven werd de bestuurlijke hoofdplaats aan de Wisselmeren Enarotali bedoeld.

    Juli 1948: Vic de Bruyn met zijn Ekari's. Diapositief Anthony van Kampen. ( Jean Victor de Bruijn alias Jungle Pimpernel, bestuursambtenaar en avonturier op Nieuw-Guinea. 

    In 1939 werd De Bruijn gestationeerd bij de kort daarvoor ontdekte Wisselmeren in het Centrale Bergland. Hij was daar controleur en leefde te midden van de Bergpapoea's (Ekagi/Me).

    Na de Japanse invasie van Nederlands-Indië in 1942 kreeg hij de opdracht het Nederlands bestuur in het binnenland zo lang mogelijk te handhaven. Hij weigerde zich over te geven en voerde met een kleine groep en de hulp van honderden Papoea's een guerrillastrijd en inlichtingenwerk uit.

    Men moest zich constant verplaatsen door de onherbergzame jungle om uit handen van Japanse patrouilles te blijven. De Bruijn en zijn Ekagi hielden ruim twee jaar stand zonder aanvoer van buitenaf, dankzij de loyaliteit en de kennis van het terrein van de lokale bevolking.

    In juli 1944 werd De Bruijn met een watervliegtuig geëvacueerd vanuit de bergen. De groep ging via Merauke naar het hoofdkwartier in Brisbane (Australië) voor instructie en medische zorg. Na de bevrijding van de kustgebieden (Hollandia en Biak) keerden zij terug. Veel van de mannen die met De Bruijn meevochten, werden officieel ingelijfd bij het Papoea-Bataljon van het KNIL, dat een belangrijke rol speelde bij de bevrijding van Nieuw-Guinea.

    Drie jaar na vertrek keerde De Bruijn rond 1946-1947 weer terug naar zijn geliefde Wisselmeren om het bestuur te hervatten.

    Literatuur: Dr. J.V. de Bruijn 'Het Vergeten Volk'; Anthony van Kampen 'Jungle Pimpernel'

    Batavia 11 mei 1948 Brief Mgr. Oscar Cremers aan Pater Herman Tillemans mbt hervatting bestuur Wisselmeren met collage NEFIS opnames: Netherlands Forces Intelligence Service, een Nederlandse militaire inlichtingendienst tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het doel van de NEFIS was in eerste instantie het verzamelen van inlichtingen ten behoeve van de geallieerde strijdkrachten met betrekking tot Nederlands-Indië dat bezet was door Japan.

    Tekst brief linksboven:

    Batavia, 11 Mei 1948

    Eerwaarde P. Tillemans

    De Resident van Nieuw-Guinea verwacht dat hij zeer binnenkort in. staat zal worden gesteld om met behulp van een Catalina het bestuur te hervestigen op de Wisselmeren. Dit zal dan vanuit Hollandia-Biak geschieden. Openlegging vanuit het Zuiden is volgens de Resident in de toekomst uitgesloten, reden waarom Mgr. Grent uitgemaakt heeft dat de missionering aldaar de taak van O.F.M. zal zijn. Ik heb echter Mgr. gevraagd, omdat onze beschikbare krachten nog jong en onervaren zijn, of U daar toch de leiding zou kunnen nemen. Mgr. heeft dit goedgevonden, maar Mgr. veronderstelde dat U pas tegen het einde van dit jaar zou terugkomen. Het is daarom, dat ik zou willen verzoeken om naar aanleiding brief (waarvan ik afschrift zal zenden aan Mgr.) in correspondentie te willen treden met Mgr. en tevens mij in kennis te stellen van de vermoedelijke datum van uw terugkeer naar Nieuw-Guinea.
    U begrijpt hoe gaarne ik zou hebben als U, overeenkomstig de door Mgr. gegeven toestemming, inderdaad de leiding zou willen nemen bij de hervatting van het missiewerk op de Wisselmeren, dat zo exclusief uw werk geweest is en waar zozeer uw hart aan verpand had. U krijgt dan uit Hollandia twee jonge Franciscanen mee. Het zal U bekend zijn dat er al sedert geruime tijd twee Amerikaanse zendelingen zitten. Controleur van de nieuwe bestuurspost zal zijn Meyer Ranneft, een geschikt man.
    Morgen 12 Mei vertrek ik uit Batavia. Echter niet rechtstreeks naar Hollandia, maar eerst naar Ternate. Ik hoop tegen einde Mei in Sorong te zijn om daar 4 Juni de boot te nemen naar Hollandia, waar ik 9 Juli zal aankomen. Mis ik in Sorong de boot dan ben ik daar tot 2 Juli.
    Dus indien U iets goeds te berichten heeft, hoop ik dat spoedig van U te horen. Intussen mijn hartelijke groeten en tot nadere kennismaking!

    De Uwe in Xro

    Ekari vrouwen op Jawe-rivier die uitmondt in Paniaimeer. PKN negatief DSC_7819

    Zuster Bep Strijdhorst met Ekari's rond de grammofoon. Ca 1953.  PKN negatief DSC_7836b

    Bezoek aan de Wisselmeren bij de Kapaukoes (vroegere benaming voor de Ekari) 1952. Fotoafdruk C. Kruikemeier 011a

    Bezoek aan de Wisselmeren bij de Kapaukoes 1952. Fotoafdruk C Kruikemeier-011b

    Bezoek aan de Wisselmeren bij de Kapaukoes 1952. Fotoafdruk C Kruikemeier-011c

    11 Augustus 1962. Demonstratie in Waghete. Overdracht-afdrukken-014/007.

    De opstand in Waghete (Wisselmeren, Dogiyai) in 1962 was een direct protest van de lokale Ekagi of Mee bevolking (destijds ook wel Kapauku genoemd) tegen de gedwongen overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea aan Indonesië via het Akkoord van New York. De Papoea's in het centrale bergland eisten onafhankelijkheid en verzetten zich fel tegen de nieuwe Indonesische machthebbers

    Waghete Deiyai. J. Steltenpool OFM 1956-1962. Negatief IrianJaya1-80-029

    In de tijd van Nederlands Nieuw-Guinea (met name tussen de ontdekking van de Wisselmeren in 1936 en de overdracht aan Indonesië in 1962) werd de cultuur van de Kapauku (tegenwoordig Mee of Ekari genoemd) uitgebreid gedocumenteerd.

    De behuizing en de dorpsstructuur van deze bevolking in het Centrale Bergland kenmerkten zich door een hoge mate van individualisme en praktische aanpassingen aan het bergklimaat. 

    Een Kapauku-"dorp" (ituda) was geen dichtbebouwde kern, maar een losse cluster van verspreide woningen, bestaand uit ongeveer 15 huizen die circa 120 personen herbergden. De bewoners van zo'n cluster behoorden vaak tot dezelfde patrilineaire clan of sub-clan. De woningen lagen verspreid tussen de intensief bewerkte zoete-aardappeltuinen. 

    De traditionele woning, de owa, was een rechthoekige, verhoogde constructie die specifiek was ontworpen om bescherming te bieden tegen de koude bergnachten op 1700 meter hoogte. 

    Vloer en wanden werden gemaakt van stevige houten planken of boomschors. Het zadeldak werd dik bedekt met riet, gras of bladeren.

    De ruimte onder de verhoogde vloer deed vaak dienst als beschutting voor de gedomesticeerde varkens. Varkens waren het belangrijkste bezit en statussymbool binnen de Kapauku-economie.

    Het huis was van binnen door een houten wand in twee helften gesplitst: De voorste helft was het mannenverblijf (Emaage). Hier sliepen de man des huizes, zijn zonen en eventuele mannelijke gasten. De achterste helft was opgedeeld in kleinere kamers voor de vrouwen en kinderen (Koneka). Elke echtgenote (polygamie kwam veel voor) had haar eigen kamer met een eigen stookplaats.

    Om de warmte van de open vuurplaatsen binnen te houden, hadden de huizen geen ramen en slechts kleine, afsluitbare deuropeningen. 

      Vanwege de regelmatige tribale oorlogen en vetes in die periode, bouwden de Kapauku hun huizen vaak op strategische, goed te verdedigen plekken. Rondom de nederzettingen stonden soms houten wachttorens. Vanuit deze torens hielden gewapende mannen de omgeving scherp in de gaten om naderende vijanden vroegtijdig te signaleren

      Mee meisjes bij hun huis, Waghete Deiyai ca 1957. Steltenpool negatieven IrianJaya1-80-020 

      Epouto Paniai1969. Donkers negatieven a1-f87-f071 

      Behuizing Modio Dogiyai 1969. Donkers negatieven a2-f170-f024 

      Timeepa Kamuvallei Dogiyai 1960-1962. Irian-jaya-1-87 -011 

      De hutten zijn klein en eenvoudig, maar bieden volledige bescherming tegen de regen en de nachtelijke kou. Ze zijn gemaakt van lange houtspanen, die een dubbele muur vormen, waartussen gras of boomschors aangebracht is. Het dak is van platen boomschors of van een laag dikke pandabladeren. Alles is met rotan keurig vastgebonden. De deur ontbreekt, er is slechts een kleine opening. Midden in de hut brandt een vuur op een stookplaat, welke van leem gemaakt en met stenen afgezet is. Hier poft men de knolvruchten in de hete as. In de nacht vlamt het vuur hoog op om de mensen warm te houden. De rook trekt door de spleten van het huis weg.
      Mannen en vrouwen wonen gescheiden. De grotere zoons wonen bij de vader in en de kleine kinderen en dochters blijven in de hut van de moeder. Het mannenhuis is wat groter dan het vrouwenhuis. Ook zijn er huizen, waarin de gehele familie onder één dak slaapt, maar dan zijn er toch gescheiden vertrekken voor mannen en vrouwen. Verschillende gezinshoofden kunnen in een mannenhuis tezamen wonen. Hoewel het voor een vrouw niet verboden is de mannenhuizen of vertrekken te betreden, is het stellig niet behoorlijk. Het is ook nergens voor nodig, want de huizen zijn zo klein, dat de vrouw vanuit de deuropening haar man de knolvruchten kan toereiken. En om hem haar ongenoegen over een of ander mede te delen, behoeft zij haar eigen hut niet te verlaten. De stemmen reiken ver genoeg om van huis tot huis te kunnen converseren.
      De inrichting der hutten is zeer eenvoudig. Er bevindt zich niets in wat de moeite van het stelen waard is. Ieder heeft zijn volledige bezittingen in het draagnet bij zich.
      De varkens wonen onder het mannenhuis of bij de vrouwen in. Wanneer 's morgens de planken of platen boomschors, die het deurgat afsluiten, weggehaald worden, ziet men het eerst van allen de grote en kleine varkens naar buiten komen.
      De hutten dienen niet om elkaar de liefde te verklaren of om samen te mijmeren over gezinsuitbreiding. Daar is het vrije veld voor. Ze dienen alleen als bescherming tegen de elementen, waartoe de Bergpapoea's ook de vele geesten rekenen, die in de natuur voorkomen.
      De woningen staan dicht bij de tuinen op een wat hoger en droger plekje, meestal tegen de berghellingen op. Men behoeft niet ver te lopen bij het bewerken der tuinen en kan er tevens enig toezicht op houden. Kampongvorming is er niet. Uit strategische overwegingen is dit ook niet nodig. Althans niet rond de Wisselmeren, want bij de oorlogen gaat het om vergelding van onrecht en niet om roof, hoewel dat laatste toch een enkele maal wel gebeurt. Meer in het oosten, waar de oorlogen veelvuldiger en feller zijn, vindt men bij de Ndani's wel omheinde kampongs.
      Wel staan de huizen in groepjes bijeen, zoals in Nederland de boerderijen op het platteland. De reden hiervan is de kleine afmeting van de bouwplekjes en bovendien wil men zich niet te eenzaam voelen tegenover de vele geesten.

      'Dokter aan de Wisselmeren' K.W.J. Boelen 1955 pp. 34-37

      Luchtopname Paniai meer ca 1970. Diapositief Henny van de Kerkhof d1s1 -041

      De bewoners van de Wisselmeren gebruiken prauwen als vervoermiddel en bij het vissen op de kreeftjes. Verder in het bergland vindt men geen prauwen, de rivierdalen zijn zeer steil en de rivieren woeste bergstromen. Het model van de bootjes is eenvoudig: een uitgeholde boomstam met een stomp voor- en achtereinde. Precies zoals men ze in Europa opgegraven heeft, afkomstig uit voorhistorische tijd. Men roeit met een lange peddel met een klein blad. De voortbeweging is traag.
      Op het Paniaimeer alleen al zijn er wel een paar duizend in gebruik. Om de zoveel jaar dient deze vloot, die ook geen eeuwig leven heeft, vernieuwd te worden. Wel niet allemaal tegelijk, maar in een bepaald tijdsverloop moeten er toch evenveel bomen geveld worden. Geschikte bomen zijn zeer schaars en moeten hoog in de bergen gezocht worden. Ter plaatse wordt de prauw uitgekapt. Met de stalen bijl gaat dit snel: vier man werken er ongeveer vier dagen aan. Dan komt het moeilijkste werk. Het logge gevaarte, dat een 5 tot 7 meter lang is, moet naar het meer worden gesleept. Het pad wordt geheel in gereedheid gebracht. Stevige stokken worden in de bochten in de grond geslagen. Waar de bodem erg ongelijk is, maakt men een glijbaan van gladde stammen. Rotankoorden worden in gaten in de boorden bevestigd en dan komt de gehele kampong bij de waterlating. Langzaam vierend wordt de prauw de steilten afgebracht. Bij de bochten houden de in de grond geslagen stokken het vaartuig in de goede richting. Op vlakkere stukken trekken de vrouwen en kinderen aan de lange lianen. De mannen duwen met korte stokken de prauw af, of brengen haar in een schommelende beweging, als ergens de voortgang hapert. Kilometers berg af en berg op, alles onder ritmisch gezang, wordt de prauw voortgesleept tot ze in het water ligt. Niet altijd lukt het vervoer, soms springt de prauw bij een bijzondere steilte uit de teugels en slaat te pletter. Men kan zich dan de verontwaardiging van de bevolking voorstellen. Het is geen zeldzaamheid; dergelijke prauwenpaden liggen bezaaid met wrakstukken.

      Dokter aan de Wisselmeren K.W.J. Boelen pag. 46-47

      Paniai. Diapositief Henny van de Kerkhof B3s5 - 018 

      Vrouwen met hun visnetten in het Paniaimeer. Sierat diapositief Paniai-'70-'74-026.

      Mee vrouwen met de boka een handzaam schepnet om mee te vissen, veel kleiner dan de jenu of jumaa waarmee we de vrouw hieronder zien afgebeeld waarvan het gebruik de nauwe samenwerking van meerdere kano's en vrouwen tegelijk vereist.

      Mee-vrouw met visnet. Ubbink diapositief 1-073 

      Dit gigantische, ovaalvormige sleepnet van de Mee-bevolking heet een jenu (in sommige dialecten ook wel gespeld als jumaa). De enorme ovaalvormige, buigzame rotanstengel (edu) wordt in zijn vorm gehouden door een lange tak of stam die in het midden is bevestigd, de jenu odii. Deze fungeert ook als steel en is onmisbaar omdat de vrouwen hiermee het enorme net vanaf hun prauw (moti) of wadend in het water diep naar de bodem van het meer kunnen duwen. De kano wordt vervolgens zachtjes vooruit gepeddeld of geboomd, waarbij het grote net als een soort handmatige trawler of sleepnet door het water en over de bodem wordt getrokken om de vangst op te scheppen. 

        Hoewel het een visnet wordt genoemd, visten de Mee-vrouwen er primair niet mee op vissen, maar op kreeften en zoetwaterkrabben (crayfish), evenals op kleine grondgrondel-visjes. Deze vormden een cruciale eiwitbron in hun dieet, dat verder hoofdzakelijk uit bataten (zoete aardappelen) bestond. 

          De visserij op het open water van het Paniai-meer met de (vrouwen-)kano (moti) was volledig het domein van de vrouw. Mannen hielden zich bezig met de landbouw, de varkenshouderij en de jacht, of visten hooguit met speren in de ondiepe kreken. 

            Het kreeftje in de Wisselmeren (ca 1970). Donkers negatieven A3-f243-019 

            De kreeftjes waarvan maar liefst acht verschillende endemische Cherax-soorten voorkwamen in de Wisselmeren, vormden decennialang de belangrijkste eiwitbron voor de lokale bevolking, die er met speciale netten vanuit kano's op viste. Sinds de introductie van agressieve uitheemse vissoorten (zoals de karper en de tilapia) in de tweede helft van de 20e eeuw, zijn deze unieke inheemse kreeftenpopulaties helaas gemarginaliseerd of nagenoeg verdwenen uit de grote meren.

            Ekari of Mee vrouw in haar prauw - Paniai ca 1955. Diapositief 121 Piet ter Laag.

            Vrouwen bezig met de visvangst. Diapositief Sierat Paniai-'70-'74-035 

            Gezelschap Mee (Ekari Kapauku) Papoea's in een prauw/boomstamkano, Waghete, Tigi-meer Deiyai 1973. Donkers negatieven a3-f283-022 

            De prauw kent tevens tevens de functie van veerboot. Er wordt echter onderscheid gemaakt tussen een koma en een moti binnen de cultuur van het Mee-volk (Ekagi) rond de Wisselmeren: een koma is de algemene term voor een prauw (boomstamkano), terwijl een moti, de kano die voor de visvangst gebruikt wordt, specifiek de vrouwenkano is.

            Landbouw-108-021 Thema-album Bob Schijns OFM

            De landbouw van de Kapauku (Mee) in het Wisselmerengebied was uiterst geavanceerd en intensief. Ondanks hun eenvoudige gereedschappen pasten zij complexe landbouwtechnieken toe, perfect afgestemd op het bergachtige en drassige landschap.

            Vormen van landbouw en akkerbouw

            • Zwerflandbouw (Shifted cultivation): Op de berghellingen pasten zij 'slash-and-burn' toe. Bossen werden gekapt en platgebrand om tijdelijke, vruchtbare akkers aan te leggen. Na een paar oogsten lieten ze de grond jaren rusten (braaklegging).

            • Intensieve dalbouw: In de vlakke valleien en moerasgebieden rond de meren bouwden de Kapauku permanente akkers.

            • Geavanceerde drainage: In de drassige dalen groeven zij een ingenieus netwerk van diepe sloten en greppels voor de afwatering. Dit voorkwam dat de wortels van de gewassen verrotten.

            • Compostering en terrassen: Zij verhoogden de bedden (mounds) en vulden deze met plantenresten (groenbemesting) om de bodemvruchtbaarheid te behouden. Op hellingen werden soms eenvoudige terrassen aangelegd tegen erosie. 

            Geteelde gewassen

            • Zoete aardappel (Nota): Dit was absoluut het belangrijkste hoofdvoedsel (ruim 90% van het dieet). De introductie hiervan eeuwen geleden zorgde voor een bevolkingsexplosie in de hooglanden. Het diende ook als hoofdvoer voor hun varkens.

            • Taro en Yams: Traditionele knolgewassen die vooral op de nattere of juist specifieke hellingen werden verbouwd.

            • Suikerriet: Dit werd op grote schaal tussendoor geplant als bron van suiker en vocht.

            • Bladgroenten: Verschillende inheemse groenten (zoals Rungia) en later door Europeanen geïntroduceerde soorten zoals Amarant.

            • Bananen en gember: Geteeld in de nabijheid van de nederzettingen.

            Sinds de koloniale periode en de daaropvolgende bestuurlijke veranderingen van het Wisselmerengebied is de fundamentele landbouwstructuur grotendeels intact gebleven. De belangrijkste verandering is dat de traditionele, zelfvoorzienende landbouw is geïntensiveerd door moderne gereedschappen en een kortere braakligging, aangevuld met nieuwe handelsgewassen zoals westerse groenten en koffie voor de verkoop.

            Taro-aanplant Wisselmeren. Landbouw-108-008 Thema-album Bob Schijns 

            Epouto Paniai1969. Donkers negatieven a1-f87-f018 

            Epouto Paniai 1969. Taro. Donkers negatieven a1-f87-f061 

            Oogst van de zoete aardappels (nota). Donkers negatieven a6-f509-032 

            De Mee verbouwden veel meer zoete aardappelen dan zij zelf konden consumeren. Omdat de nota in het vochtige bergklimaat niet lang bewaard kan worden (ze rotten snel), konden overschotten niet worden opgeslagen.
            De oplossing was het varken. Overschotten van de oogst, inclusief de kleinere knollen en de voedzame bladeren en ranken van de plant, werden aan de varkens gevoerd. Het varken functioneerde zo als een levende transformator: vergankelijke calorieën uit de grond werden omgezet in langdurig houdbaar, waardevol bezit op poten.

            Ekari met varken. Fotoafdruk E. M. van Emmerik* 024 Wisselmeren 1951-1954

            *E.M. van Emmerik, aspirant controleur t.b.v. onderafdelingchef Wisselmeren januari 1951 - augustus 1954

            Behalve landbouwer is iedere Bergpapoea ook varkensfokker. De dieren lopen vrij in de kampong rond. De tuinen zijn met stevige schuttingen omheind om te zorgen dat de varkens niet op eigen gelegenheid de knolvruchten gaan rooien. Vaak dringt een varken toch een tuin binnen en de benadeelde heeft het recht het dier ter plaatse te doden. De eigenaar van het varken evenwel ziet daar nooit de noodzaak van in en zo leiden varkenskwesties vaak tot oorlog.

            Geen Europeaan kan trotser zijn op zijn renpaarden dan de Bergpapoea op zijn varkens. Ze worden vertroeteld, hebben een naampje en slapen bij de mensen in de hutten. Bij feestelijke gelegenheden wordt hen door de eigenaar de schedel ingeslagen — zij het onder betuigenis van droefheid — en worden ze opgegeten.

            Het gewone varken is het type van een gewoon NieuwGuinees wild zwijn. De dieren hebben een grote kop. Ze zijn bedekt met zwarte borstels en de biggetjes zijn gestreept. Wanneer men in het bergland een wild zwijn tegen meent te komen, is het bijna altijd een varken dat de samenleving is ontvlucht. Echte wilde zwijnen zijn zeer zeldzaam. De jacht op deze dieren kan men echter niet beoefenen zonder in conflict met de Bergpapoea's te geraken.

            De dieren zijn volkomen tam. De kinderen laten zich op de rug rijden. Jonge biggetjes worden wel gelijk met de Kapaukoebaby aan de borst gelegd. Soms ontmoet men onderweg een zeug met biggetjes. Men schrikt wel als men tussen het manshoge riet ineens de grauw van het moederdier hoort. Deze brengt de 'indringer' helemaal tot de rand van haar gebied, maar valt hem toch niet aan.
            Bezit van varkens geeft een Bergpapoea aanzien.

            Herinnering aan enkele juwo's / yuwo's. Diapositief NG-Dorrestein-056 

            Voor zijn hut hangt hij de onderkaken van de geslachte dieren en een voorbijganger kan aan het aantal de belangrijkheid van de bewoner aflezen. Varkenstanden en staarten dienen om de draagnetten der mannen op te sieren en vertellen de buitenwereld ook over de maatschappelijke welstand van de drager.

            Bij allerlei belangrijke gebeurtenissen in het leven van de Bergpapoea's: ziekte, geboorte, overlijden, inwijdingen van huizen, varkensfeesten worden varkens geslacht. Nooit worden zo alleen maar met het doel om als voeding te dienen, gedood. In de oorlog beschermt men zich tegen de op wraak beluste geest van een gedode tegenstander, door varkens te slachten. Oorlogsschattingen worden ermee betaald. De koopsom voor een vrouw kan voor een deel in varkens worden voldaan. Verder kan men ze gewoon verhandelen.

            Dokter aan de Wisselmeren K.J.W. Boelen 1955 pp. 42-44

            De pijl wordt van dichtbij op de hartstreek van het varken gericht wat voor een snelle dood zorgt. Diapositief Sierat Timeepa-1966-1970-146 

            Begin varkensfeest in Timeepa, Kamu-vallei. Diapositief Joop Sierat Timeepa-1966-1970-153 

            Timeepa Kamu-vallei. Voorbereidingen varkensfeest (juwo) haren schroeien. Opname Jos Donkers ca 1966. Negatieven IrianJaya-1-6-022 

            Timeepa Kamu-vallei. Voorbereidingen varkensfeest (yuwo). De geschroeide haarresten worden verwijderd. Toeschouwer pater OFM Joop Sierat, schrijver van 'Rapadaba' . Opname Jos Donkers ca 1966. Negatieven IrianJaya-1-6-024 

            Diapositief Bob Schijns Thema Varkensfeest-174-008 

            De smoorkuil. Negatieven T207-IrianJaya-1-96-026 

            De smoorkuil.

            Er wordt een diepe kuil in de grond gegraven.
            De bodem wordt bedekt met dikke lagen gras en bladeren.
            Hierop legt men de gloeiend hete rivierstenen die met grote houten tangen uit het vuur zijn gehaald.
            Bovenop de stenen komt een mix van varkensvlees, zoete aardappelen (bataten), inlandse spinazie en varenbladeren.
            Tenslotte wordt de kuil luchtdicht afgesloten met dikke lagen varkenshuiden, gras en bladeren, waardoor het voedsel urenlang ondergronds stoomt.

            De varkens zijn gaar gesmoord. Wisselmeren, Paniai. Sierat diapositief P151-e82

            Varkensfeest Enarotali ca 1970. Negatief Donkers a3-f245-f026 

            Verdelen van het varkensfeest, Diyai Deiyai ca 1970. Donkers negatieven a3-f280-010 

            Idem. Donkers negatieven a1-f43-f010 

            Diapositief Bob Schijns Thema Varkensfeest-174-003 

             Tuguwai 1973 Varkensfeest - ruilhandel. Diapositief Sierat P141-f581

            Diapositief Sierat Timeepa-1966-1970-147 

            Weldra vlamden overal de houtvuurtjes op, waarop de dieren werden geschroeid. Met een houtje krabde men de haren eraf en met een bamboe mesje werden de dieren, volgens bepaalde regels, in de lengte doorgesneden. De kinderen zaten tussen de volwassenen en gristen kleine stukjes rauw vlees weg om ze op te snoepen. De familieleden kregen hun deel en het overblijvende was bestemd voor de handel. Vrouwen liepen rond met bundels ingewanden, die in modderpoeltjes uitgespoeld werden. Alles van het varken wordt gegeten. Stukjes darm zagen we verhandelen voor twee of drie kralen.

            Varkensfeest en handel in Timeepa, Kamu-vallei. Diapositief Sierat Timeepa-1966-1970-162 

            Enarotali Paniai 1967 driftdans. Donkers negatieven a1-f52-f004 

            Enarotali Paniai 1967 driftdans. Donkers negatieven a1-f52-f025

            Wat later op de morgen verzamelden de mannen van de organiserende kampongs zich op enige afstand. Beschilderd en met veren en bladeren versierd, kwamen ze in een lange rij aangerend, draaiden enige kringen voor het danshuis en gingen naar binnen voor een korte dans. Na hen volgden nog groepen mannen uit andere kampongs. Dit was het besluit van het feest; hierna werd alles handel. Deze avond zullen de mensen vlees eten en wat zingen, het danshuis zal nog wel een paar dagen door de jongelui worden gebruikt, maar het varkensfeest was afgelopen. Iedere joewo (yuwo) trekt honderden bezoekers. Er worden, al naar de grootte van het feest, een 40 tot 150 varkens geslacht. Men handelt en de hebzucht straalt van de gezichten. Zij, die gekomen zijn om gratis of voor weinig schelpen wat vlees te bemachtigen, lopen teleurgesteld van de een naar de ander en vertellen later: 'Het was maar een klein en armelijk feest; ik heb niets gehad'. De vrouwen en meisjes zijn getooid in hun mooiste kralen. 

            Dokter aan de Wisselmeren K.J.W. Boelen 1955 pp. 169-172

            Kaurischelpen (mege) tellen, Wisselmeren. Fotoafdruk E. M. van Emmerik-002

            Kan men, zij het slechts in beperkte zin, de varkens als groot kapitaal beschouwen, de schelpen vormen de pasmunt. Het gaat slechts om een bepaald soort schelp: de kauri-schelp (Cypraea moneta). De grootte van de schelp, de breedte van de gelobde rand, de kleur geeft verschil in waarde. De bol wordt eraf geslagen en de schelpen worden aan een snoer verzameld. Zestig van deze schelpen vormen een eenheid. Aan de noordkust van Nieuw-Guinea komen ze heel algemeen voor. Er schijnen evenwel slechts heel weinig handelscontacten te zijn, waarlangs ze het Centrale Bergland bereiken, anders zouden ze nooit als munteenheid gebruikt kunnen worden.
            Men kan er alles voor kopen wat het leven van de Bergpapoea waarde geeft: voedsel, vrouwen, varkens. Over de waarde van iedere schelp kan men uren confereren. Het wekt bij de Bergpapoea's dezelfde hartstochten op als het geld bij ons. Men gapt ze van elkaar of leeft in vrees dat ze gestolen zullen worden.
            Door onze vestiging in het bergland zijn honderdduizenden van deze schelpen door het Bestuur ingevoerd om de Bergpapoea's voor bewezen diensten te betalen. Dit heeft wel enige inflatie gegeven, maar toch niet in ernstige mate. Al spoedig maakten de Bergpapoea's verschil tussen 'echte Kapaukoeschelpen' en ingevoerde 'Soerabaja-schelpen'. Ze zien duidelijk verschil tussen de oude schelpen, die allang in het bergland aanwezig waren en de nieuwe, die wij er binnen brachten. Er is een soort koers voor de Soerabaja-schelp afgesproken — b.v. 20 Soerabaja-schelpen tegen 1 Kapaukoe-schelp. Deze koers wordt telkens herzien, naarmate wij meer schelpen invoeren.
            Bepaalde betalingen, zoals bij huwelijken, moeten voor een tevoren vastgesteld deel in oude Kapaukoe-schelpen voldaan worden. Eigenlijk beschouwen de Bergpapoea's de Soerabajaschelp een beetje als vals geld. Maar ze willen ze toch heel graag hebben, voornamelijk in de hoop, dat ze.er hun buurman mee te pakken kunnen nemen. Want de handelsgeest van de Bergpapoea is opmerkelijk sterk ontwikkeld. Bijna alles schijnt geoorloofd te zijn om in het bezit van schelpen te komen.
            Verder naar het oosten hebben wij nog geen contact met de daar wonende Bergpapoea's. Hun schelpen zijn nog grotendeels oude Kapaukoe-schelpen. De Ekagi's van de Wisselmeren maken grote tochten in oostelijke richting om de Soerabaja-schelpen te ruilen tegen Kapaukoe-schelpen. De koers ligt daar voor hen veel gunstiger.

            Dokter aan de Wisselmeren K.J.W. Boelen 1955 pp. 44-45

            Schelpen tegen varkensvlees. Paniai Wisselmeren. Diapositief Sierat P140-f580 

            Opname uit de serie 'Mee-Mogu Rouwslacht Moanemani 1966' (zie volgende opnames). Man met kostbaarheden in een kluwen touw verpakt. Donkers a1-f43-004 

            Ekari mannen met kip en een pakket van touw waar zich kostbaarheden als kaurischelpen, tabak of zout in zullen bevinden. NG-D4--004 

            De alleroudste, meest waardevolle schelpen (die individuele namen hadden en soms de waarde van meerdere varkens of een stuk land vertegenwoordigden) werden nooit los gedragen. Ze werden op een strook textiel of boombast genaaid, opgerold, en vervolgens ingepakt in beschermende lagen bladeren of zacht mos. Om te voorkomen dat er vocht bij kwam, of dat iemand stiekem kon zien hoeveel geld de man bezat (financiële privacy was essentieel om diefstal of jaloezie te voorkomen), werd het hele pakket angstvallig en extreem strak omwonden met meterslang, dik gevlochten boombast- of rotantouw. Het openmaken van zo'n pakket gebeurde alleen in het diepste geheim of tijdens cruciale politieke onderhandelingen.

            Donkers negatieven a1-f43-018 

            Op deze opname die Jos Donkers 1966 in Moanemani (het administratieve en culturele centrum van de Kamu-vallei)  maakte is geen sprake van een regulier, feestelijk varkensfeest (Juwo), maar vindt een traditioneel rouw- en herdenkingsritueel plaats waarbij varkens worden geslacht, de Mee-mogu of simpelweg de Rouw-slacht geheten.

            Dit fenomeen kent een heel specifieke dynamiek en komt in verschillende vormen bij bijna alle Bergpapoeavolkeren voor.

            Voor een westerse toeschouwer voelt het contrast tussen bergen rauw varkensvlees en huilende, met klei ingesmeerde mensen tegenstrijdig. Binnen de Kapauku-cultuur is dit echter de ultieme plicht van de nabestaanden.

            De Kapauku geloven dat de ziel van een overledene (me-mogu) in de buurt van het dorp blijft hangen en gunstig gestemd moet worden om te voorkomen dat hij de levenden ziek maakt of straft. Het slachten van varkens is een direct eerbetoon aan de overleden persoon. 

            De 'Rouw-schuld': Iedereen die naar de begrafenis komt om mee te huilen en steun te betuigen, moet door de familie van de overledene worden gecompenseerd. Het uitgestalde vlees dat u ziet, is de betaling aan de gasten voor hun gedeelde verdriet. De Kapauku zijn een kapitalistische en competitieve samenleving. Als een belangrijk man (een Tonowi) of een van zijn gezinsleden sterft, moet de familie tientallen varkens slachten en tonen om hun prestige te behouden. Als ze te weinig vlees hebben, verliest de clan acuut zijn politieke status in de vallei. De mannen op de foto zullen in rouw verkeren vanwege het hen ontvallen clanlid maar zullen mogelijk ook diep bezorgd zijn over de vraag of ze wel genoeg varkens en schelpengeld hebben om aan de sociale verwachtingen te voldoen.

              NB. De gehurkte vrouw in het centrum van het beeld draagt een bodda (antropologisch vaak geduid als de boda of pili-boda) bestaand uit grote, witte, schijfvormige handmatig afgeslepen en gepolijste segmenten van de Grote Conus-schelp (Conus litteratus of Conus leopardus) of de Melo-schelp (Melo melo). Dat zij deze ketting draagt te midden van de diepe rouw in Moanemani, heeft ook weer te maken met de rituele economie van de Kapauku en het tonen van kredietwaardigheid: Tijdens een rouwplechtigheid moest de familie van de overledene enorme schulden inlossen en compensaties betalen in de vorm van varkensvlees en schelpengeld. De gehurkte vrouw functioneerde op dat moment als het 'visuele uithangbord' van de bankrekening van de familie. Door de bodda te dragen, liet zij aan alle honderden aanwezige gasten zien: "Wij zijn diepbedroefd, maar wees niet bang, onze clan is rijk genoeg om iedereen te compenseren en alle schulden te betalen."

              Mee-Mogu, 'rouwslacht' Moanemani 1966. Donkers a1-f43-026 

              Het halssieraad van de staande mannen rechts wordt bij de Mee (Kapauku) een badi-badi genoemd. Als de kraag hoofdzakelijk met hondentanden is bezet, wordt van een Dodi gesproken. De Moni noemen deze kraag een Agya-pili of Pili-pili, de Lani gebruiken vaak de term Toli-pili of Akuni-pili.

                De basistechniek is bij alle drie de volkeren gelijk: een strak, kransvormig vlechtwerk van boombastvezels dat als een kraag om de hals sluit. De materialen waarmee dit vlechtwerk is bezet, vormen een ware symbolische 'menukaart' van de hooglanden: 

                De rechthoekige schelpdelen zijn minutieus uitgesneden en gepolijste stukken van de Conus- of Melo-schelp. Omdat ze plat en rechthoekig zijn gekapt, sluiten ze als de schubben van een vis of als een mozaïek perfect op elkaar aan rond de nek. 

                De Nassa-schelpjes (Nassa franica) worden aan de achterkant opgesneden zodat ze plat op het vlechtwerk genaaid kunnen worden. Ze zijn vaak in symmetrische, evenwijdige rijen aangebracht. Ze symboliseren vloeibaarheid en de verbinding met de verre geestenwereld van de oceaan.

                Soms zien we ook nog een toevoeging van Abruszaden (Abrus precatorius): Deze kleine, keiharde, natuurlijke zaden zijn felle blikvangers. Ze zijn intens glanzend scharlakenrood met een gitzwarte stip (lokaal vaak kralenogen genoemd). Omdat ze giftig zijn, blijven ze decennialang perfect van kleur en worden ze niet door insecten aangevreten. De Papoea's weven ze door het vlechtwerk heen om een vurig, contrasterend kleuraccent aan te brengen tussen het wit van de schelpen.

                Lokale verschillen:

                  De Moni staan erom bekend dat zij de meest 'rustige' en symmetrische kragen maken. Bij hen zie je vaak dat de rechthoekige schelpstukken exact even groot zijn en in één perfecte, doorlopende lijn over het vlechtwerk lopen. Zij gebruiken de rode abruszaden heel subtiel, vaak alleen als een strakke, minimalistische buitenrand om het wit van de schelpen extra te laten 'poppen'. 

                  Bij de Mee is dit sieraad de ultieme uiting van de Tonowi (de rijke man). Omdat zij geobsedeerd zijn door kapitaal, zie je bij hen vaak dat deze kragen rijkelijk gecombineerd worden met hondentanden (hoektanden van varkens of honden). De hondentanden steken dan als een dreigende, maar uiterst kostbare franje aan de onderkant van de kraag naar buiten. Hoe meer tanden en hoe meer lagen nassa-schelpjes, hoe hoger de kredietwaardigheid van de drager.

                  De Lani kunnen het uiteraard niet laten om ook in dit sieraad hun specialiteit te verwerken: de glanzend gele bosorchidee-vezel. Bij de Lani-varianten is het vlechtwerk aan de achterkant vaak niet van bruine boombast, maar is het zichtbare boordje prachtig ingeweven met gele en zwarte geometrische patronen, waar de rechthoekige schelpen dan trots onder hangen.

                  Tot slot is nog op te merken dat in tegenstelling tot de grote, zware Mitak van de Dani, die vooral door mannen in de strijd en tijdens de dans werd gedragen, deze verfijnde schelpenkraag (badi-badi / Agya-pili) een uniseks sieraad vormt. Zowel gerespecteerde clanleiders als hun eerste echtgenotes droegen deze kraag tijdens de meest formele momenten, zoals de overdracht van de bruidsprijs of de plechtige rouwuitdelingen

                  Diapositief NG-D4--003 

                  Man uit Modio met Dodi - een met nassa schelpjes belegde kraag met een omranding van hondentanden. Donkers a2-f170-013 

                  Krijgers in Diyai 1972. Donkers negatieven a3-f275-016

                  Evenals de Mee vrouw op de eerste foto van de Mee-Mogu ('rouwslacht') te Moanemani uit 1966, zien we op de borst van de man in het midden de bodda  (ook boda of pili-boda) prijken. Grote, witte, schijfvormige handmatig afgeslepen en gepolijste segmenten van de Grote Conus-schelp (Conus litteratus of Conus leopardus) of de Melo-schelp (Melo melo) neerhangend aan een koord over het bovenlichaam. Het sieraad gold als het exclusieve bezit van de Tonowi , de rijke, invloedrijke clanleden.

                  Enarotali ca 1970. Moeders met kinderen. Donkers negatieven A3-f240-004 

                  De algemene, overkoepelende term die in heel Papoea (en in de Indonesische taal) wordt gebruikt voor het traditionele draagnet is noken In de taal van de Ekari of Mee bevolking (voorheen Kapaukoe) in het gebied van de Wisselmeren (Paniai), is de naam voor dit draagnet agiya

                  Ekari meisjes en vrouwen uit de Mappia, Kamu-vallei. Sierat diapositief Timeepa-'66-'70-054 

                  De Mogu of Mogé van de Ekari (Mee) vrouwen en meisjes.

                  Net als de wambak van de Lani is de mogu niet verticaal geweven zoals de jurken van de Dani maar opgebouwd uit horizontale strengen van planten- en boombastvezels.

                  Deze koorden worden spiraalsgewijs, als een soort bandage of koker, strak om de heupen en het onderlichaam gewikkeld en vastgezet.

                    De Lani (die oostelijker leven) en de Ekari/Moni (die in het westen rond de Kamu-vallei en de Wisselmeren leven) delen dezelfde cultuurstroom van het westelijke bergland.

                    Binnen de Ekari-cultuur is de mogu een kostbaar bezit dat fungeert als statussymbool. Een verschil met de dracht bij de Dani en Lani is dat de overgang van de meisjesrok (sali) naar de volwassen rok (wambak/yokal) heel strikt pas op de trouwdag gebeurde en jonge Ekari-meisjes uit welgestelde families (bijvoorbeeld de dochters van een Tonowi, een rijke "Big Man" met veel varkens en schelpengeld) al op jongere leeftijd een rijk versierde mogu mochten dragen tijdens ceremoniële bijeenkomsten. Dit diende om te pronken met de rijkdom en de weefkunst van hun familie.

                      Kinderen in Enarotali Paniai. Foto Jos Donkers ca 1966. Negatieven Irian Jaya-2-115 -007 

                      Enarotali ca 1970. Ekarivrouw die vele kralensnoeren en een gevlochten band gedecoreerd met hondentanden en nassa-schelpjes draagt. Donkers negatieven a3-f245-039 

                      Jonge vrouw met kinderen Enarotali ca 1970. Donkers negatieven a3-f265-023 

                      Ekagi of Mee jongeling met snavel van de Zwarte sikkelsnavel (Black sicklebill) door het doorboorde neustussenschot (septum). Eind jaren '50. Negatieven Irian Jaya-2-124 -015.

                      De cultuur van de Mee vertoont sterke gelijkenissen met die van naburige hooglandstammen, waarbij de snavel van de sicklebill (met name de bruine sicklebill, die veel in de bergbossen rond Paniai voorkomt) een prestigieus statussymbool is.  Het dient, net als bij de Huli en de Dani, als een teken van mannelijkheid, succes in de jacht en ceremoniële rijkdom. Hoewel de gebogen vogel snavel zeer gewaardeerd wordt vanwege zijn unieke, dramatische vorm, dragen de Mee in het dagelijks leven of bij kleinere ceremonies vaker de naar buiten gekrulde slagtanden van een wild zwijn (bini) door de neus.

                      Modio Dogiyai ca 1970. Donkers negatieven a3-f262-033 

                      De Koteka: Van Alledaagse Kleding naar Cultureel Symbool

                      In de Nederlands koloniale tijd was de koteka (peniskoker) het dagelijkse kledingstuk voor mannen in de Papoease berggebieden. Gemaakt van een gedroogde fleskalebas, bood het fysieke bescherming en toonde het de identiteit en status van de drager. Aan de vorm zag je direct uit welke regio iemand kwam: de Mee droegen korte, robuuste kokers die recht omhoog wezen, terwijl bv de naburige Moni voor lange, slanke en elegant buigende exemplaren kozen.

                      Op de foto hierboven draagt de man rechts een typische Mee koteka. De man links draagt een meer ceremonieel exemplaar dat gedragen werd tijdens grote varkensfeesten (juwo) en zijn status als leider (tonowi) wellicht mede benadrukt. De afsluiting aan de bovenkant met een plukje zacht bont afkomstig van de koeskoes (een lokale buidelrat) had een decoratieve functie maar voorkwam ook dat er tijdens het lopen door het struikgewas vuil, insecten of regenwater in de koker vielen.

                      Vandaag de dag is de koteka nagenoeg verdwenen uit het straatbeeld. Door modernisering en actieve onderdrukking – zoals de Indonesische assimilatiecampagne Operasi Koteka in de jaren 70 – draagt de jongere generatie nu westerse kleding. Alleen een kleine groep ouderen in afgelegen dorpen gebruikt de koker nog dagelijks.

                      Toch is de traditie niet uitgestorven. De koteka wordt gekoesterd en als ceremonieel erfgoed in ere gehouden tijdens grote culturele festivals waarop hooglanders met trots hun specifieke, traditionele klederdracht tonen, alsook bij wijze van politiek protest: Jonge Papoease activisten dragen de koteka nu bewust tijdens demonstraties en rechtszaken als een krachtig symbool van culturele trots en vreedzaam verzet.

                        Waghete Deiyai.1956-1962. J. Steltenpool OFM Negatief IrianJaya-1-83-038

                        De twee mannen in het midden dragen elk een verfijnd gevlochten halsband met rondom uitstekende rechthoekig geslepen stukken schelp, bij de Ekari (Mee) een badi (of badi-badi) genoemd. 

                        De witte, rechthoekige stukjes die rondom de buitenrand uitsteken, zijn niet gemaakt van kaurischelpen, maar zijn minutieus uitgesneden fragmenten van de Melo-schelp (Melo melo, een zeer grote zeeslak). Omdat de Wisselmeren diep in het bergland liggen, waren deze grote zeeschelpen via de traditionele handelsroutes vanuit de kust extreem schaars en kostbaar.

                        Benevens de badi dragen beide mannen een schouderband bezet met evenwijdig lopende rijen varkenstanden, een typisch mannelijk prestigesierraad dat een wena (of wena-wena) genoemd wordt. Binnen de samenleving van de hooglanden was de man verantwoordelijk voor twee hoofdtaken: de jacht en de oorlogsvoering. Hoe meer rijen slagtanden een man op zijn geweven schouderband had gemonteerd, des te hoger was zijn status als succesvol jager, krijger of alliantieleider binnen de stam.

                          De basis van de wena bestaat uit een strak gevlochten of geweven band van sterke boombastvezels. De slagtanden van het varken worden met uiterste precisie doorboord aan de wortelzijde en vervolgens met fijne lianen of plantentouw in strakke, parallelle rijen dakpannen-gewijs naast en onder elkaar op de band genaaid. De band werd schuin over de schouder (als een draagband) of recht over de borst gedragen

                          Ubbink-1-148 Oudere Ekari-man met de eerder besproken badi en de met varkensslachttanden bezette schouderband wena. Het zijn de grote tonowi (alliantieleiders) die deze sieraden tegelijkertijd dragen

                          Diapositief Jos Donkers ca 1970

                          Mee-krijgers Waghete Deiyai 1972. Donkers negatieven a3-f284-008 

                          Twee mannen getooid met kransen kasuarisveren. Op de borst dragen zij een tasje met een opgevouwen rotan snaar, een lossnoer, schiethulp of arrow release cord

                          De Kapauku-krijgers gebruikten een schiettechniek die uniek is in de boogschietwereld. In plaats van de boogsnaar direct met de vingers naar achteren te trekken (zoals Europeanen of de Dani dat deden), gebruikten zij dit losse rotansnoer als een mechanische hefboom: Aan het uiteinde van dit kortere rotankoordje zit een vaste lus of een knoop. De krijger wikkelt dit koordje om de eigenlijke boogsnaar heen en klemt het andere uiteinde vast tussen zijn vingers of handpalm. Door aan het extra koordje te trekken, wordt de zware boogsnaar met veel minder vingerkracht en veel gecontroleerder naar achteren getrokken. Bij het loslaten glijdt de boogsnaar soepel en razendsnel uit de wikkeling van het rotansnoer.

                            Dit principe werkt exact hetzelfde als de moderne release aids (trekkers) die professionele compound-boogschutters vandaag de dag gebruiken om zuiverder te schieten.

                            Het tasje op de borst (vaak een fijnmazig geknoopt nettasje hing op de meest ergonomische plek. In het heetst van de strijd of bij het plotseling spotten van wild mocht de krijger geen seconde verliezen. Door het tasje hoog op de borst te dragen, kon hij de rotan snaar er blindelings en in één vloeiende beweging uittrekken om zijn boog te laden.

                               

                              Sierat Timeepa-'66-'70-161 

                              Enarotali Paniai 1972. Donkers negatieven a3-f230-023 

                              De Ekari (of Mee-Papoea's) rondom de Paniai-meren staan bekend als de absolute meesters van het fijnmazige vlecht- en knoopwerk. Hun banden verschillen dag en nacht van die van de Yali. Zij spinnen draden die zo flinterdun zijn dat het eindresultaat bijna op machinaal geweven textiel lijkt. Hun lustechniek is microscopisch fijn. Net als de Lani in de Baliemvallei, zijn de Ekari geobsedeerd door de glanzende, felgele en goudoranje stengels van bosorchideeën. De Ekari splitsen deze stengels in flinterdunne, glanzende strips en weven hiermee adembenemend complexe, wiskundige geometrische patronen (zoals geneste diamanten en doorlopende ruiten) in de schouderbanden.

                              Een Ekari-schouderband glanst letterlijk goudgeel in de zon. Bovendien versieren zij de randen van hun ceremoniële banden en tassen vaak met een overvloed aan kleine kauri-schelpjes, omdat schelpen in hun regio fungeerden als het officiële betaalmiddel (schelpengeld). Een brede, met orchideeëngoud en schelpen versierde band was daar het ultieme statussymbool van een rijke handelsman of clanleider. 

                              Tuguwai Dogiyai adatfeest 1972. Diapositief Sierat P115-f563 

                              Bij de Ekari (Mee) werd dikwijls door een van de mannen tijdens de dans een molentje gedragen op de borst dat vastgehecht zat aan een gevlochten band die soms versierd was met rijen varkensslachttanden aan weerszijden van het molentje.

                              Het vernuftige borstornament (vaak gemaakt van gevlochten plantenvezels, lichte houtsoorten of bladeren) reageert op de felle, schokkende op-en-neergaande bewegingen van het bovenlichaam en dient als een visuele tempo- en ritme-indicator die de intensiteit en de 'drift' van de danser voor de omstanders zichtbaar maakt. De vrouwen maken tijdens de dans dezelfde ronddraaiende beweging met hun borsten. Klik alhier om op youtube de uitvoering van deze dans te zien als slot 'Tocht naar de Wisselmeren' Joop Sierat 1972.

                              Joop Sierat (tussen 1967-1974 zelf missionaris onder de Ekari-Mee in de Kamu-vallei) schreef zelf hierover:

                              De manier waarop de Ekagi's dansen is een aparte toelichting waard. In liet danshuis drommen de mannen dicht tegen elkaar en dansen daar op liet ritme van de mee zwiepende dansvloer.
                              Ook buiten wordt er gedanst. De mannen steken zich in feesttooi. Dat wil zeggen sommigen beschilderen zich snel witte kalk. Weer anderen dragen een peniskoker 'special size' of dossen zich uit met een aparte hoofdtooi met vogelveren.
                              Dicht tegen elkaar vormen ze een kluwen van mannen. Allen hebben zij hun boog met een bos pijlen in de hand. Door met de andere hand in een vast ritme tegen de bos pijlen te slaan, dansen zij op het zelfde ritme. Huppend en springend van de ene voet op de andere, springen ze op en meer. De dansleider danst vooraan in de groep en draagt een molentje op zijn borst. De kunst is dat hij zo danst dat het molentje blijvend blijft draaien. Stokt de dansbeweging dan valt het molentje stil. Op deze manier blijft het tempo en ritme steeds hetzelfde. Een van de dansers vertelt/ zingt improviserend een verhaal. Het is een soort dialoog met de anderen die elke keer antwoorden. Bv. zanger: "Komen er veel varkens op de juwo...?". De anderen zingen dan het antwoord: "Ja, er komen veel varkens op de juwo..."
                              In een cirkel rond de mannenkluwen dansen de vrouwen. Ook zij houden zich aan een vast dansritme. Het is de kunst om het bovenlichaam zo te bewegen dat de borsten in tegengestelde richting mee zwaaien of deinen. Dus: Terwijl de ene borst naar links in het rond zwaait moet de rechterborst dezelfde beweging naar rechts maken. Vanzelfsprekend lukt dat alleen bij de 'wat hangende borsten' van oudere vrouwen.
                              lk heb nooit begrepen of ze daarmee sexy over willen komen. Ik denk het niet, want zelfs heel oude vrouwen ( zie bv de dansfoto in het Timeepa-deel) dansen zo bijna in trance en met opgeheven armen in het rond.

                              Gevlochten schouderband met varkensslagtanden en een kasuarisbot, als molen(-wiek) aan een houten as bevestigd.

                              Krijger te Waghete Paniai 1972. Donkers negatieven a3-f283-036 

                              Diyai Deyai 1972. Donkers negatieven a3f279-013 

                              Rond de Wisselmeren maakt men bij de gevechten alleen gebruik van pijl en boog. Meer naar het oosten gebruiken de Ndani's ook lange houten speren. Wapenen voor handgemeen heeft men niet. Dat is ook niet nodig, want men raakt nooit handgemeen. Men zou hoogstens de stokkengevechten daartoe kunnen rekenen.
                              De bogen zijn van hard hout en de pees is een stuk rotan. Pijl en boog draagt de Bergpapoea altijd bij zich, als hij niet bij huis is. De pijlen bestaan uit een rieten schacht en een punt van hardhout of bamboe. De pijlen met brede bamboepunt dienen om varkens te doden. Voor de vogeljacht of de jacht op kreeftjes gebruikt men pijlen met een gevorkte punt.
                              De oorlogspijl is glad, met een punt van hard hout. Soms worden ze versierd met kleine inkervingen, waarin kalk gesmeerd is. Vlak onder de punt is vaak een reepje orchidee-bast gedraaid, naar men zegt om te beletten, dat deze punt bij het treffen splijt. Bij het terugtrekken uit de wond blijft dit reepje orchidee-bast achter en veroorzaakt langdurige infecties.
                              Er zijn ook pijlen met weerhaken, doch speciaal voor de jacht op klein wild. Voor oorlogsgebruik zijn ze niet gemaakt

                              'Dokter aan de Wisselmeren' Boelen 1955 pp. 113-114

                              Diyai krijgers 1972. Donkers negatieven a3-f275-032 

                              Rokende Ekari man Enarotali 1970. Donkers negatieven a3-f228-010 

                              De Bergpapoea's rond de Wisselmeren kenden en rookten al tabak lang voordat zij rechtstreeks in contact kwamen met westerlingen. Toen de Nederlandse piloot Frits Wissel de meren eind 1936 ontdekte, en de overheid er in 1938 een buitenpost vestigde, bleken de lokale Ekari (ook wel Kapaukoe genoemd) al eigen tabaksplanten te verbouwen en te roken.

                              Tabak was een van de belangrijkste en meest gewilde ruilmiddelen in het binnenland van Papoea. Het functioneerde naast traditionele betaalmiddelen (zoals kaurischelpen) als een vorm van 'kleingeld' voor dagelijkse transacties. Gedroogde tabak of geperste blokken tabak (tabak lempeng) bleven lang goed en lieten zich makkelijk opdelen in kleinere stukken.

                              Voor de echt grote transacties – zoals het kopen van een varken of het betalen van een bruidsschat – bleven kaurischelpen (mege) echter de absolute hoofdvaluta. 

                              Varkensfeest in Tugawai Dogiyai. Verschillende typen draagnet (noken, agiya). Sierat 1973 P156-e87 

                              Diapositief Donkers Wisselmeren 1972-1974 - 395

                              In de regio Paniai is het vervaardigen van de meest prestigieuze tassen een ambacht dat specifiek door mannen wordt uitgeoefend. Waar vrouwen de alledaagse draagzakken van boomschorstop maken, specialiseren de mannen zich in het maken van de zeer kostbare, ceremoniële orchideetassen (lokaal een Agiya genoemd, of in het Indonesisch een Noken Anggrek). Een man die deze techniek beheerst, geniet veel aanzien binnen de stam. 

                              De man op de foto vlecht de gele en bruine stroken van de orchideeënstengels door de touwkleurige basisstructuur heen om geometrische patronen (vaak ruiten of golven) te creëren.

                              De techniek die de man toepast is een zeer strakke variant van het knotless netting (lussen). Omdat orchideeënvezels erg stug zijn in vergelijking met zachte boomschors, gebruikt de man waarschijnlijk een kleine priem (gemaakt van een varkensbot of een scherpe tak) om de lussen open te duwen en de stugge gele en bruine vezels er millimeter voor millimeter doorheen te rijgen. Het maken van één zo'n tas kan een man wel enkele maanden kosten, wat de Agiya tot een van de meest waardevolle statussymbolen en ruilmiddelen (samen met kaurischelpen en varkens) in de wijde omtrek maakte. 

                              Mee in regenkappen gehuld Komopa 1969. Donkers negatieven a3-f229-018 

                              Regenkappen Diyai Deiyai. Donkers negatieven a3-f278-024 

                              Ekari in regenkappen gehuld. Donkers diapositieven Thema-album Dag-38-008 

                              Dans van de Ekari.  Diapositief Jos Donkers ca 1970

                               Komopa Paniai 1972. Diapositief Jos Donkers Adatfeesten-081b

                              Adatfeest Komopa Paniai 1972. Diapositief Sierat Paniai-'70-'74-057 

                              Diapositief Joop Sierat P133-e69

                              Ekari (Mee) uitgedost met tulbandvormige muts van kasuarisveren waar twee opstaande vleugels (van een andere vogelsoort) aan bevestigd zijn. Voorts draagt hij een gevlochten halsketting met hondentanden en verschillende snoeren voorzien van witte en azuurblauwe (westerse) kralen. Komopa Paniai 1972. 

                              Adatfeest Komopa 1972. Donkers negatieven a3-f230-019 

                              Adatfeest Komopa 1972. Donkers negatieven album3film230-021 

                              VERSLAG TOCHT NAAR DE WISSELMEREN van 2 juni tot 1 juli 1938 door Pater H. Tillemans

                              Voornota's.

                              De eerste gegevens van het bestaan van een meer werden verkregen bij de Bijlmer expeditie van januari 1936. Naar aanleiding van die gegevens is vliegenier Wissel gaan zoeken naar die plaats achter Oeta. Zijns inziens wordt de waarheid thans geweld aan gedaan door het te doen voorkomen alsof "toevallig" bij een vlucht Seroei/Aika de meren zijn ontdekt.

                              De A.R. van Fakfak, de heer Cator, komt de eer toe de eerste schrede te hebben gezet om de weg naar het meer te verkennen. Zijn eerste poging is mislukt wegens onwil der koelies en onderschatting van de moeilijkheden van het bergland.
                              In oktober is toen eerst het meer verkend en gefotografeerd. De A.R. is toen met een T. vliegtuig op het meer gedaald, maar niet aan land geweest.
                              December/januari is hij er andermaal op uitgetrokken; langs een omweg heeft de bergbevolking van Koegapa Itodah hem aan het meer gebracht.

                              In mei 1939 werd een grote expeditie uitgerust. A.R. Cater had zelf de leiding willen nemen, maar op het laatste ogenblik werd deze overgegeven aan de commissaris der V.P. de heer van Eechoud.

                              De troep bestond uit: de leider;
                              30 man V.P.;
                              1 B.A. : Sitenella, die reeds de tochten met de A.R. had meegemaakt; 1 landbouw-mantrie; 1 radiografist; 20 gestraften; 10 koelies uit Seroei en Waropengebied.

                              De Mimika-papoea zou voor de opvoer van vivres moeten zorgen. Hoe het mogelijk is, dat de A. R. van Fakfak die zelf herhaaldelijk in zijn verslag schreef dat ze niet bruikbaar zijn in de bergen, toch voor een bepaald aantal kilo's per maand durfde in te staan, is een raadsel. Deze Papoea-koelies van de Mimika-streek hebben heel de expeditie bijna doen mislukken en zeer veel de goede gang van zaken belemmerd.

                              Op 13 mei ontscheepte zich de troep te Oeta.

                              Op 17 mei kreeg schrijver dezes, H. Tillemans, te Wania bericht dat Monseigneur gaarne zou zien, dat hij de expeditie achter-op zou gaan. Alles was in Ambon met de resident al besproken. Van die kant geen bezwaar en de commissarissen der V.P.. zouden het zeer gaarne zien.

                              2

                              BEDOELING DER EXPEDITIE.
                              De leider der expeditie heeft de meest uitgebreide instructies:
                              het terrein in kaart brengen; planken huizen bouwen van hout ter plaatse te zagen; taal; etnografie; dorpen registreren; erts, zout enz. opsporen; weg naar Mapia-gebied en naar het noorden in kaart brengen. Hij is tevens fungerend controleur.

                              De A.R. van Fakfak liet het voorkomen aan pater Akkermans, alsof het een voorbereide expeditie was louter voor landbouw. Dat is zeker niet zo. Ook landbouw staat op het program, maar niet als hoofdpunt.

                              Nog latere berichten zeiden, dat de expeditie maar een voorlopig karakter had en de vestiging van bestuur nog niet zeker was. Dat is niet waar, of de plannen moeten later gewijzigd zijn.


                              Het koelie-vraagstuk is treurig geregeld. Eerstens was op vliegtuighulp gerekend, die niet kwam.

                              De resident is het kwalijk genomen dat hij zo spoedig is begonnen en de kans aan de grote expeditie, die uit Holland zou komen om de eerste te zijn, heeft ontnomen. De Marine moet aan de kant der Holland-expeditie hebben gestaan en daarom wordt nu gezegd: "wegens de vele ongelukken de laatste tijd geen hulp". Het is wonderlijk. Nu is er een pracht water om te dalen en zo het binnenland te verkennen, en nu wordt er geen gebruik van gemaakt. Holland op zijn kleinst!

                              Gezien er geen hulp van de vliegtuigen kwam: moest alles worden gepikeld. De weg is slecht, maar niet slechter als waar ook in het bergland achter Mimika. Waren hier nu vrije koelies voor aangeworven of gestraften, dan had een regelmatig verloop van opvoer kunnen plaats hebben. Nu werd op de kust-papoea gerekend, die - louter uit angst voor de compagnie - de blikken opnam en als ze de kans schoon zagen er van door gingen.. Dit is heel. goed te begrijpen. Er is wezenlijk doorzettingsvermogen nodig om het vol te houden.

                              Toen werden koelies uit Seroei en Waropen aangeworven. Deze lui werden op de witte boot gezet; ze wisten alleen dat ze naar Fakfak moesten, daar zouden ze wel verder horen. Toen ging het naar Mimika en vernamen ze dat ze de bergen in moesten. Het waren zwakke lui, de helft van de 100 nog jongens. Voor hun was. voor geen dekking gezorgd. De gestraften kregen allen een deken mee, de Seroei-koelies niets. Niemand die onderweg, naar die lui hun slaapplaats omzag; ze werden aan hun lot overgelaten. Hoewel reeds 80 jaar onder bestuur en zending solt het bestuur er mede, zoals

                              3

                              met de kust-papoea van Mimika, meer die beginnen al van zich af te bijten en zullen over een tien jaar best voor hun recht op komen.
                              Het is schande zoals er met de bevolking wordt omgesprongen als het gaat om belasting binnen te krijgen, of nu om een expeditie te doen lukken. Wie nu weg loopt in bergen wordt gestraft. Pas: een heel dorp drie dagen zand slepen, maar zeggen: de volgende keer lopen we toch weer weg". "Met welk recht dwingt men de mensen? Maar als er gevraagd wordt van de kant der missie om de schoolkinderen te dwingen naar school te gaan, dan heeft men geen macht. Lia bevolking in het dorp e houden: geen macht, enz. enz.. Het zijn louter slaven van het bestuur.

                              4

                              VERSLAG.
                              Op 2 juni vertrokken, vergezeld. van 25 koelies uit het Wania-gebied en 2 van Kaokonao. Voor mij persoonlijk heb ik zoveel koelies niet nodig, maar daar er liefhebbers genoeg waren om mee te gaan, nam ik ze mede om barang der expeditie te dragen.

                              Twee dagen vóór mij waren 200 Papoea-koelies vertrokken

                              De Oeta-rivier is prachtig bevaarbaar. Reeds om 2 uur was ik aan de plaats waar B.A. destijds een bivak had gemaakt. Ik besloot hier te blijven om verderop niet genoodzaakt te zijn zelf een bivakje te bouwen.

                              De eerste avond begon zoals ik verwacht had: het goot.

                              3 Juni in alle vroegte vertrokken. Was ik reeds tegen 12.00 uur aan het eindpunt van bevaarbaarheid. De Oeta is zo goed als vrij van stroomversnellingen, geen eilanden-vorming zoals dat bij andere rivieren het geval is en die het slepen van de prauw noodzakelijk maken. Tot aan het prauwen-bivak goed te bevaren. De Orawja-bivak, zoals het prauwen-bivak genoemd wordt, was een bende blikken en kisten. De bevolking noemt de plaats Maniapoka, maar op de kaart staat Orawja, dus blijft het Orawja.

                              De heer van Eechoud was hier eerst in de avond aangekomen en heeft de volgende dag er niet voor willen besteden om eerst de vivres te regelen, zodat het een onbeschrijfelijke bende was. Op mijn vraag aan de commandant der V.P., die de opvoer moest regelen van de vivres, wat het rantsoen per dag voor de koelies was, werd mij medegedeeld: 10 sago koekjes (sago Geram) en een stuk zoute vis. - Of er dan geen rijst en katjang Ridjan was? Neen, alleen sago en vis en wat tabak. - Ik dacht het het mijne van. Geen wonder dat dan de papoea-koelie wegloopt. Ik was dan ook niet van plan me aan dat rantsoen te houden.

                              4 Juni werd om 6.00 uur vertrokken. Helaas moest ik zonder horloge of klokje op stap. Alle horloges kapot op Mimika en het klokje, dat Pater Akkermans me meegaf, deed het ook niet. Zonder horloge in het bergland is zeer onaangenaam, wijl het zeer lastig is op de middag de tijd te bepalen. Meestal zwaar bewolkt en regen.
                              Al spoedig kwamen we de eerste weggelopen koelies tegen.
                              Aan de kust waren er van allerlei berichten daaromtrent, maar ze waren nog niet aan de kust gezien, langs de voet van het gebergte trachten de vluchtelingen hun dorp te bereiken. We kwamen een paar lui van Watewai tegen, die bij het zien van ons troepje wegliepen, denkend dat er politie bij was en dat ze dus gedwongen zouden worden om andermaal terug te keren. Een der weglopers viel en bleef versuft liggen, hij had misschien al een paar dagen niet gegeten. Er was geen gepiek mee te beginnen. Na hem wat eten te hebben gegeven, moest ik hem wel aan zijn lot overlaten.

                              5

                              Reeds om 1.00 uur werd in een noodbivak gekropen, daar de koelies erg vervelend waren en het dreigde te gaan regenen. De regen echter was van korte duur en zo was er nog tijd genoeg om tegen een boom een tafeltje te maken waarop ik morgen de Mis kon lezen.

                              In de namiddag werd biecht-gehoord van mijn 27 koelies Pinksteren konden we zo toch maar niet voorbij laten gaan.

                              5 Juni. in alle vroegte werd de gelezen voor het welslagen van de tocht en voor het Paniai-gebied.

                              Gezien een der koelies niet meer verder kon, werden wat meer vivres verdeeld en konden drie man terug gaan. Een blik vis bleek totaal bedorven.

                              Al spoedig kwamen we bij het bivak Van de heer van Eechout aan, wat ik de vorige dag had willen halen.

                              Ongeveer 10.00 uur kwamen we een heel troep papoea's tegen, die allen hun barang in de steek hadden gelaten. Ze klaagden allen over het eten. Nog geen uur later weer een groep. Dit maakte op mijn koelies een erg deprimerende indruk. De verhalen waren verschrikkelijk, en medelijdend werd ons troep je nagekeken als ieder zijn weg weer ging.

                              De stemming was zo gedrukt, dat in het eerste beste bivak wat we tegen kwamen werd overnacht. Overal lagen blikken neergegooid. Die desolate boel, de verhalen van de weggelopen koelies, zullen het wel veroorzaakt hebben, dat de koelies begonnen te vervelen en te zeuren om terug te gaan. Ik dacht: met ze eens flink rijst en katjang te laten eten knapte het wel op, maar een zware regenbui, met donder en bliksem, en het plots wild bruisende bergstroompje maakte hen zo bang, dat ze heel de nacht zaten te huilen als kleine kinderen. Niemand sliep die nacht, aangezien het bivak overal lek was en het lawaai tussen de twee bergen oorverdovend , van het plots gestegen bergriviertje. -Het was geen plesante nacht.

                              6 Juni. Nog steeds regende net, maar tegen 8.00 uur stonden we vertrekkens klaar toen een groep weggelopen koelies het bivak kwam binnenvallen. Toen ze ons zagen wil en ze op de vlucht slaan, maar toen ze hoorden dat er geen eolitie bij was kwamen ze al gauw tot staan. Dat waren de laatsten van de 200, die mij twee dagen vooruit waren. eeer de zelfde klacht: geen eten. Ze zagen er dan ook slecht uit.

                              Met veel moeite kreeg ik mijn troep weer aan het lopen, na er één te hebben achtergelaten die zei ziek te zijn. Hij ging met de weglopers terug.

                              Tegen 2.00 uur waren we weer aan een bivak en werd halt gehouden. Hier lagen zeker een 100 blikken bijeen, die feitelijk aan het meer hadden moeten zijn. Ze waren nog steeds niet hoger als 400 meter, na even de 600 te zijn gepasseerd.

                              6

                              7 Juni. Half zeven werd weer vertrekken met de stellige verwachting vandaar de politiepost te treffen, die ergens halfweg moest zijn en die het verdere transport regelde. Mijn koelies zou ik dan terug kunnen sturen, daar rekenden zij vast op. Ze werden ieder uur vervelender, behalve de twee van Kaokonao, die heel wat opgewekter waren en ook trachten er bil de Wania-lui wat ijver in te brengen, hetgeen echter niet lukte.

                              Omstreeks 10.00 uur kwamen we weer aan een bivak wat vol blikken lag, maar van politie geen spoor. Wel van twee Kapaukoes en een hond. We noesten dus bij een dorp zijn. Later vernam ik, dat aan de overkant een dorpje ligt. ;den moet een rotanbrug van 16 meter over. A.R. Cator zegt in zijn rapport: "niet zonder gevaar". Reeds iets na 12.00 uur werd bivak gemaakt, want het begon te regenen en de stemming onder de koelies was ver onder nul, gezien het lastige stuk weg wat dien dag was afgelegd.

                              8 juni begon met een flinke klim. We kwamen tot 1100 meter. Hier kwamen we een paar papoea-koelies tegen die met de Commissaris tot aan het meer waren geweest. Het was nog 4 dagen zeiden ze. Tenminste zij hadden er nu 4 dagen over gedaan, maar met de "toean Merah" (commissaris) hadden ze er heel wat langer over gedaan. In een tussen-bivak troffen we andermaal een stel blikken aan, die kennelijk bedoeld waren voor het eerste transport en hier dus door weggelopen koelies waren achter gelaten.

                              Nu kwamen we spoedig aan de eerste tuinen de Kapaukoes (bergbewoners) en weldra aan het eerste huis. Met de paar woorden die ik kende, dat het plaatsje wel Idaw zal heten, Zeker is het echter niet. In het bivak trof ik de twee politie-lui aan, die met 200 koelies waren vertrokken uit het prauwenbivak en zonder één enkele koelie in dit bivak waren aangekomen. Allen waren weggelopen.

                              Met de Kapaukoe-lui was het al gauw koek en ei. Ze hadden reeds van de paters gehoord, toen Auki er was geweest om volk bijeen te rapen naar Mappia (Bijlmer-expeditie).
                              Een paar deden toezeggingen met me mede te gaan. Ik had daar op gehoopt en dacht dan mijn Wania-lui terug te sturen. Ik zei hun echter niets om ze niet gelukkig te naken voor er zekerheid was.

                              9 Juni. Toen ik mijn koelies tegen 4.30 uur ging wekken bleken ze er van door te zijn. Alleen de twee van Kaokanao, die zich een eigen, huisje hadden gebouwd, waren er nog. Daar stond ik nu met mijn blikken. In alle vroegte terug naar het dorpje wat we gepasseerd waren en er met de mensen gepraat ef ze me weg wilden brengen. Ze begrepen me verkeerd en kwamen met een hoop patatas aanzetten, denkend dat ik die nodig had voor onderweg. Toen ze echter in het bivak zagen, dat alle koelies weg waren begrepen ze aanstonds waar het om te doen was en voor een parang stemden ze toe twee blikken te dragen. Mijn koelies waren

                              zo netjes geweest om die parangs bij de blikken neer te leggen Martinus en Zacharias, de twee van Kaokonao, hadden ten zeerste met me te doen en besloten mee te gaan, al was Martinus reeds twee dagen ziek.

                              Tegen 10.00 uur stond alles gepakt en gezakt om weg te gaan toen V.P. het bivak binnen kwam. Die kwamen van het meer, dus wachten wat daar te doen is. Het duurde twee uur eer heel de troep binnen was en de commandant van het groepje liep achterop.

                              Er was geen eten boven en daarom kwam alles maar. terug. Vliegtuig was niet gekomen en daar de radio-stuk was, was er geen contact met Ambon. De koelies waren allen weg gelopen, zodat er niets anders op zat dan terug te keren. Men had een zware zieke, vandaar dat de Commissaris met de dokter nog boven bleven.

                              Vanuit dit bivak was het nog 6 dagen lopen. De commissaris had 14 dagen over de tocht gedaan, een andere groep 16 anderen waren nog niet aan liet meer toe, toen reeds de vivres op waren.

                              Het was zaak voor mij om meer bergbevolking mee te nemen, want met het troepje van 5 waar ik nu mee liep, had ik juist eten genoeg hij me voor onderweg. Ik besloot dus één dag te blijven en wat rijst enz. mee te nemen. Voor een mes nael ien een blik, maar er waren maar zeer weinig mannen in het dorpje, zodat ik maar 12 man bijeen kon krijgen.

                              Martinus en Zacharias liet ik achter, gezien dat maar weer meer eters zou geven aan het meer. De Kapaukoes zouden de kost onderweg wel vinden dacht ik zo.

                              10 Juni. Het was laat eer de Kapaukoes genegen waren op te trekken. Ze hadden nog van alles te doen. Veel gepraat en druk doen, maar het schoot niet op naar mijn zin.

                              Laat weg en heel vroeg weer in bivak, want de Kapaukoes wilden wachten op de troep die ons achterop kwam, namelijk een zestal gestraften met 2 V.P.. Die lui kwamen echter die dag niet opdagen.

                              11 Juni. Weer een troep V.P. op terugtocht, met de hoofd-posthuis-commandant en de Landbouw-mantrie. Zij hadden volmacht om de post na te kijken, zodat het telegram wat ik bij me had werd geopend: "vliegtuighulp nog niet zeker. 100 Koelies uit Waropen waren aangevraagd en konden 4 juni te Ceta zijn".

                              Men raadde mij aan terug te gaan, daar boven geen eten was. Ik had echter rijst en vis bij me, dus vooruit. Even later kwamen we één V.P. met één gestrafte tegen, die hun troep reeds een dag ten echter zijn, daar ze beiden ziek zijn. Ik vernam van die gestrafte, dat er aan het bruggen-bivak nog een stel blikken lagen. Dat was nog twee dagen van het meer af. Ik begreep niet dat men die blikken dan niet eerst naar het meer bracht, of er een paar berglui voor aan wierf om die op te voeren.

                              8


                              De regen dwingt tot bivakkeren. De Kapaukoes zijn vervelend, opdringerig en brutaal. Ze zouden zo met je uit één bord eten. Gezellig is anders, maar doorzetten is de boodschap en lief doen, anders laten ze me misschien hier alleen zitten.

                              12 Juni. In alle vroegte op stap want mijn luitjes hebben al patatas al op en het is dus zaak zo gauw mogelijk een dorp te bereiken. Al spoedig zijn we daar ook. Een pracht dal, met heel in de verte de Oermoekarivier. Zou daar de rotanbrug zijn? Daar mijn hoop maar op gevestigd, want dan was het nog maar twee dagen en die hoopte ik in één dag te doen.

                              Bij het eerste het beste huis wordt halt gehouden en begint de koop van petates, want de dragers hebben honger. Voor één schelpje kun je er aardig wat krijgen. Ik had van die dingen nog over van de Bijlmer-expeditie. Zonder die schelpjes is het lastig aan petatas enz. te komen, want messen enz. is dadelijk zo duur.

                              We verdwijnen weer in het bos na even het dal gezien te hebben. Vlak bij een dorp wordt overnacht in een zeer slecht bivak. heel de nacht heeft het geregend, zodat van slapen niets kwam. Tot tegen de avond blijven een paar jongens bij me. Ze zingen en brullen van plezier, maar zijn vervelend, vrij en plakkerig. Ze beschouwen je absoluut als gelijke.

                              13 Juni. Gezien het tegen de morgen pas droog werd en heel de nacht niemand had geslapen, vlotte het niet erg met het vertrek. Op hun gemak poften ze hun petatas en het leek wel of ze toen eerst nog eens een dutje wilden doen. Toen kwam er een vent met een varkentje en ze wilden absoluut eerst dat ding even klein maken. Ik moest echter 25 schelpjes betalen. Die was ik eerstens niet rijk en dan wilde ik verder....... Ik hield me kwaad, en al juist als aan de kust; daar kunnen ze niet tegen. Al gauw waren de spullen gepakt en gezakt en onder het zingen van A je A jo werd de tocht aanvaard. Van alle kanten kwamen nu de kinderen en vrouwen naar de weg toe om te zien wat er te doen was. De ontvangst kon niet beter zijn. Ik trof het nog dat ik alleen met Kapaukoes liep, want nu kreeg ik tenminste mensen te zien. Tegen de middag kwamen we eindelijk aan de rotan-brug. Ons troepje was al een hele stoet geworden. Een dertigtal jongens van 12 jaar liep met me op, alsof we elkaar al jaren kenden.

                              Hoewel mijn dragers wilden overnachten aan de rotan-brug kreeg ik het gedaan door te gaan tot het volgende bivak, Toen ik echter in het dorpje Djabba aan kwam leek het me beter in dat dorp te blijven. Eerst bracht men mij buiten de huizen, opdat ik daar een bivak zou maken, maar toen ik zei liever een huis van hun voor den nacht te gebruiken werd ik in triomf terug gebracht naar het dorp en alles was zo in de weer om een stuk aan het huis van het dorpshoofd aan te bouwen. Als het zou gaan regenen kon ik in het huis gaan, maar anders hadden ze liever dat ik me zou inrichten op het platje dat ze gemaakt hadden, dan konden de vrouwen me beter zien.

                              Er was geen gebrek aan belangstelling. Alles zat in spanning toe te kijken. Tegen de avond getracht een beetje telling te houden, maar het ging niet. Het liep door mekaar, en dan had die dit en die dat, en dan leek het weer of er een opstootje los brak, omdat er van andere dorpen tussen zaten, zodat ik het maar bij een poging heb gelaten. Het is in alle geval een plaats waar zeker een goeroe moet worden ge plaatst.

                              Het dorpshoofd, Weerabo, is een type om het met een goeroe Ambon te houden. Het is een gladde muis en voor geen cent te vertrouwen. Maar hij heeft veel invloed, vooral de Oeroeka-stam, waar Djabba een dorp van is, is de grootste en invloedrijkste rond Paniaj, dus zal Djabba bezet moeten worden.

                              Men verzekerde mij, dat ik morgen aan het meer zou zijn bij de toean Merah2.

                              14 Juni. Deze dag veel moois gezien. Het is een prachtige streek. Alles afgetuind en er wonen zeker veel mensen. Veel dikwijls een echt typisch. Hollands landschap. Het is Limburg met de Geul. Tegen de helling liggen als het ware boerderijen, waar alleen het vee ontbreekt. De tuinen zijn keurig aangelegd en de roodblarige struik, die dikwijls bij het huis staat, duidt er op dat de mensen een oog hebben voor kleur en schoonheid. Zoiets ziet men aan de kust nooit. - Dan loopt men weer over een stuk Brabantse heide, dan weer door blukkerige stukken modder als van ondergelopen land.

                              Dan komen we aan het dorp Edere, in een dal gelegen, een groot grasveld. Er was weinig volk thuis, maar er staan heel wat huizen. Andermaal een mooie plaats voor een goeroe.

                              Tegen 1.00 uur kwamen we aan de rivier, waar een paar boten lagen. Ik wist niet, dat ik toen reeds zo dicht bij het meer was. De politie had gezegd, dat men eerst aan een klein meer komt en van daaruit is het nog een dag lopen. Waar bleef toch dat kleine meer. Heel zacht stroomde het water, nauwelijks waarneembaar. De onbeholpen stukken boom echter, die als prauw dienst deden, waren nauwelijks roeibaar. Tegen 5.00 uur eindelijk waren we op het meer. Maar een woord: prachtig gelegen.

                              De verwelkoming door de heer van Eechoud was hartelijk, temeer daar ik wat bullen bij me had om wat verandering in het menu van hutspot van patatas te brengen. Na zoveel dagen had men ook weer eens wat te roken.

                              Bijzonder trof ik het , dat juist de Manoekoe-stam, waarvan destijds een twaalf afgevaardigden in Mapia bij de Bijlmer-expeditie waren geweest, hier waren. Ze wonen nog een dag achter het meer. De herkenning was wederzijds en wat waren ze gelukkig met de foto's, die toen van hun gemaakt waren en waarvan ik er nu bij me had. Aldus na 2 dagen roeien, daarna 5 dagen lopen, 1 dag rust te Idaw en nogmaals 5 dagen lopen was ik te Paniai.

                              -10-

                              Op Paniai zelf was nog niets gebeurd. Alles zat onder een tentzeil. De wind joeg er doorheen en het was er koud.

                              15 Juni. Reeds in alle vroegte kwam een deputatie uit het dorp en vroeg of de patora naar buiten wilde komen.
                              De commissaris, die zich reeds tamelijk had bedreven in de taal, kon er beter aan uit dan ik. Maar wel typisch dat ze nu pas voor de dag kwamen met vragen, terwijl de commissaris er toch al een week zat. Men wilde weten wat we kwamen doen. Ze hadden het over dood gaan en ziek worden, maar gezien niemand de kust-taal machtig was, vlotte het onderhoud niet al te best. Ik heb me toen maar aan het woorden leren gezet.

                              16 Juni, Die dag werd voor het eerst de H.Mis gelezen op Paniai. Onder het tentzeil was een tafeltje gemaakt en al was het erg koud in de vroege morgen, het was toch stemmig. De enige die de H. Mis bijwoonde was de commissaris, die practiserend katholiek is.

                              17 Juni kwamen de gestraften met de twee agenten aan, die samen met mij vertrokken waren uit Idwa. Die hadden er dus drie dagen langer over gedaan. Ook een twaalf lui van Oemari (kust-Papoea's) waren er bij. Hun werd voorgesteld om voor F. 40.- een prauw te kappen, maar de lui wilden absoluut naar huis. Ik gaf een brief mee voor Monseigneur en vroeg om zeven goeroes.

                              Na de kaart van de tocht van mijnheer Gator gezien te hebben was het voor mij duidelijk, dat begonnen moest worden en kon ik wel zowat zeggen welke de beste plaatsen waren. Paniaj, Koegapa, Djabba, Kotaboe , Itodah, Tikimeer en Koja, het eerste dorp langs de weg naar Oeta.

                              18 Juni. Na ijverig woordjes leren ging ik het eens in het dorp proberen. Na het bezoek aan het eerste huis werd ik echter naar het einde van het dorp geroepen en daar was een troepje verzameld, waaronder de notabelen« van de gemeente. Men wilde nu eens juist weten wat die "politie" kwam doen -en vooral hoe dat zat met de vrouwen. :Er kwamen al meer mannen, zouden die nou allemaal Kapaukoe vrouwen willen hebben? - Ik kon hun natuurlijk gerust stellen over alles en dat ze niets te vrezen hadden; ze zouden niet aan de vrouwen komen. Nou dan mochten ze blijven, moesten zelfs blijven en nooit meer weg gaan.

                              De volgende dagen was er niets anders te doen als woordjes te leren en door bezoeken in het dorp kwamen de kinderen ook al aardig op dreef. Het ging hier niet zo gesmeerd als in Djabba. De lui lijken me stugger, vooral de vrouwen. Of zou het zijn dat ze het zaakje niet vertrouwen en zich dus maar op afstand houden?

                              Van mijn plan om er op uit te trekken kon niets komen, wijl er geen vivres waren, en om er alleen met Kapaukoes op uit te gaan wilde de heer van Eechoud niet, zelf te fel om primeurtjes te maken wilde hij mij niet toestaan overal het eerst naar toe te gaan. lk zat dus vast.

                              Ondertussen was de radiografist terug gekomen van Japeri (kust Mimika). Toen echter tegen de avond het herstelde toestel werd geprobeerd bleken de batterijen leeg te zijn. Dus nog geen radio.

                              Inderdaad waren op 4 juni de 100 Waropen-koelies gekomen. Ook de A.R. van Fakfak was gekomen om de koelies te regelen. De kust-Papoea zou nu in verplichte dienst de vivres op moeten voeren tot bivak tien, ongeveer half weg, en de Waropen-koelies zouden het boven-transport nemen.

                              Samen met de B.A. het dorp Paniaj geregistreerd. Er waren een 200 inwoners thuis. Veel waren in de tuinen of op het meer aan het garnalen vangen (de enige vis die in het meer zit). -Daarna het dorpje Weeranoeka, ook met 200 inwoners.

                              Eindelijk op 1 juli kon tot een tocht naar Koegapa, het dorp der Manoekoes (beter Djoengenoes) worden overgegaan. De dorpen Madi ( 200), Timila (700), Iboetoe (250) werden gepasseerd. In. Koegapoe werd een hele dag aan het dorp besteed. Het aantal viel. tegen: 350, maar de bevolking is veel pienterder en netter dan de rest. Ze beschouwen zich mijlen boven de Kapaukoe uit steken en ze doen het inderdaad.

                              Het dorp Itodah, wat bevolkt is met mensen van deze stam, blijken hier thuis te horen. Hun oude huizen ston-der er nog. Er werd besloten dat ze weer terug zouden gaan naar hun eigen dorp. itodah telt maar een 20 inwoners. Hier raclet de heer nator zich dus vergist hebben, maar voor Timila etc. is net ver ander de schatting gebleven.

                              Dit was ook voor mij voldoende om te besluiten, dat, indien ik niet spoedig de kans kreeg om verder het land binnen te dringen, ik terug zou gaan naar de kust.

                              Te Koegapa werden verschillende gegevens over verdere bevolking opgedaan. Zo de Kemandoes met eigen taal en de -Manoekoes, wat weer een andere stam moet zijn. De Jannen dragen er lange haren, aldus het verhaal. Ze wonen  NO. Bij de Kemandoes is steen, zout en ook warm-water-bronnen. Deze wonen meer Noord-west van Paniai.

                              6 juli kwam de lang verwachte en reeds meerdere keren aangekondigde Auki, de man die de kust-taal redelijk kent en die destijds de man was bij de Bijlmer-expeditie. Vier dagen is de man uitgeplozen wat taal betreft. Veel woorden en zinnen opgeschreven om materiaal te hebben voor verder onderzoek. Echter kwam de dag na het vertrek van Auki de lang verwachte troep onder commandant Cani. Als deze groep er was kon worden gedacht aan rondtrekken.

                              De troep kwam: had er zestien dagen over gedaan. Bracht bijna geen vivres mede, zodat ik besloot tot de terugtocht. Ik zat er voor niets. Nog eens tien dagen wachten, dan weer acht en dan weer veertien, het einde was niet te verzien. ik had genoeg gezien van land en volk om te besluiten dat we hier aanstonds moesten beginnen, dat er volk zit en volk wat belang stelt in dingen buiten hun.

                              -12-

                              Telkens en telkens komen ze er op terug wat er gebeurd als ze dood gaan, als ze ziek worden, enz. Ze wijzen naar boven en weten zich afhankelijk van iets buiten zichzelf. liet kan zijn dat hier reeds veel invloed is van de kust, want Auki is aan de kust geweest en heeft al veel van die lui van Prawka (kust-dorp) gehoord.

                              In vijf dagen tijd was ik aan het prauwenbivak.

                              De weg is in acht dagen af te leggen, maar het is zwaar terrein.

                               

                              Foto: Herman Tillemans met Ekari (Kapaukoe) gids en tolk Auki Tekege

                               

                               

                              Het verdwenen Volk. Dr. J.V. de Bruyn 1978

                              Jungle Pimpernel: Controleur BB

                              Anthony van Kampen 1950

                              Rapádaba. Joop Sierat 1999

                              Dokter aan de Wisselmeren. K.W.J. Boelen 

                              27 JAAR MISSIONARIS IN IRIAN JAYA (1953-1980)

                              Cleophas Ruigrok

                              Hoe bijna altijd anders liep - deel IV Tigi - J. Steltenpool OFM

                              Hoe bijna altijd anders liep - deel V De Prutpastoor - J. Steltenpool OFM

                              Demonstrating the Stone-Age in Dutch New Guinea
                              Danilyn Rutherford

                              Zakheus Pakage and His Communities
                              Indigenous Religious Discourse, Socio-political Resistance, and Ethnohistory of the Me of Irian Jaya

                              Benny Giay, Oegstgeest, 1995

                              Overige beeldcollecties Papua Tengah