Pegunungan Tengah:  Pegunungan Bintang

Pegunungan Bintang, Mapcarta CC-BY-SA 4.0, bewerkt.

Kaart uit Mannen in het Draagnet, Sibbele Hylkema 1974

Sibilvallei. Kaart bij  tourneeverslag controleur binnenlands bestuur J.W. Schoorl tournee naar de Sibilvallei op Nieuw-Guinea 1955 uitsnede kaart pag. 19.  74  KNAG 1873-1966-174 publiek domein.

Pegunungan Bintang is een geïsoleerd hooglandgebied van Papua Pegunungan, genoemd naar het Sterrengebergte, met een rijke diversiteit aan kleine Papoea-stammen die elk hun eigen taal en cultuur hebben ontwikkeld in de afgelegen valleien en bergkammen van deze regio.

De beeldcollectie die we hieronder laten zien kent vrijwel uitsluitend opnames van de Ngalum die het oostelijk deel van het district Pegunungan Bintang bewonen. Sibbele Hylkema schreef zijn onderaan deze pagina opgenomen uitvoerige studie Mannen in het Draagnet over dit volk waar hij een innige band mee opbouwde gedurende de periode 1961-1969 die hij in zijn tegen de oostelijke grens met Australisch Nieuw Guinea gelegen missiepost Abmisibil bij hen doorbracht.   

Over de meer westelijk woonachtige Kupel (hierboven Kufel) gaat het engelstalige werk van Jan Anthony Godschalk, eveneens op deze pagina in te zien:  Sela Valley an Ethnography of a Mek Society. (Mek=Kupel)

Henny van de Kerkhof - Sterrengebergte d3s1 - 002

Luchtopnames Sterrengebergte. Henny van de Kerkhof diapositief d3s1-004 en d3s2-006

Piet ter Laag diapositief 209-3-140 

Piet ter Laag diapositief 209-2-115. Bezoek van Sibil bewoners

Piet ter Laag diapositief 209-3-142. Sibil bezoekers basiskamp Sterrengebergte expeditie

Piet ter Laag diapositief 209-3-141. Verlegen meisjes bezoeken het basiskamp van de Sterrengebergte expeditie

Piet ter Laag diapositief 209-3-125 Jonge Ngalum met een waarschijnlijk juist verworven ijzeren bijl. 

Huub Zwartjes, afdruk Sibil 83-027. In het hier door Bomdogi opengehouden boek is een opname van deze opgenomen: Het Witte Hart van Nieuw-Guinea, Brongersma 1960 afbeelding 5 Onze landheer Bomdogi uit Betabib.

Jan Sneep -Album II- 023b  Jan Sneep in gesprek met Bomdogie uit Betabib die zich de machtigste man in de Sibilvallei beschouwt en tuan Jan Sneep zijn vriend noemt.

 

De eerste contacten met de Ngalum werden door militaire en wetenschappelijke expedities verkregen, zoals de Sterrengebergte expeditie onder leiding van Leo Brongersma.

Sibil dorp. Afdruk album 2 Jan Sneep. Opname gemaakt tijdens de Frans-Nederlandse filmexpeditie olv Pierre Dominique Gaisseau, mogelijk een eerste contact, zie Jan Sneep II

Mabilabol. Diapositief Emil Röllin (Zwitserse AMA piloot). Thema's Behuizing-27-011

De traditionele dorpen van het Ngalum-volk zijn cirkelvormig en liggen op hellingen. Deze huizen worden Ap Iwol genoemd . De muren van het huis zijn gemaakt van takken, boomtakken en planken van dennenhout die in een cirkelvormig patroon zijn gerangschikt. De vloer is gemaakt van de schors van de nipapalm. Het huis heeft geen ramen, maar er zijn deuren bij de voor- en achteringang. De deuren zijn ongeveer een halve meter boven de vloer gebouwd, zodat de bewoners binnenin niet van buitenaf te zien zijn, en er is een ladder aanwezig voor toegang.

Sibbelle Hylkema verzorgt de beenwond van een Ngalum vrouw. Abmisibil 1967. Jos Donkers negatief 1-35-016

Mabilabol 1973. Jos Donkers negatief 3-257-005 

Henny van de Kerkhof - B3s8 Div - 024

Jos Donkers 2-174-004

Jos Donkers 2-174-008

Hierna volgende beschrijvingen zijn -tenzij anders wordt aangegeven- overgenomen uit: Het witte hart van Nieuw Guinea, Brongersma 1960 p.69-106

De huizen zijn rond of ovaal; zij staan op paaltjes, met de vloer een paar decimeter van de grond. De wanden bestaan uit verticaal geplaatste latten die met rotanbanden zijn vastgemaakt. Het dak van takken, bladeren en riet steekt buiten het huis uit en meestal heeft men onder de overstekende dakrand aan de buitenzijde van het huis nog een smal plankier gemaakt, waarop men bij regen droog kan zitten. In elk huis heeft men een stookplaats waar de knollen voor de maaltijd worden gepoft.

Mabilabol. Diapositief Emil Röllin (Zwitserse AMA piloot). Thema's Behuizing-27-012

 

Binnen de omheining, aan de zijde waar de kring van woonhuizen niet is gesloten, staat het sacrale mannenhuis: het iwool. Daar hebben alleen geïnitieerde mannen en jongens toegang en dan nog alleen die, welke tot deze iwoolgemeenschap behoren; een geïnitieerde man die tot een andere iwoolgemeenschap behoort, bijv. tot die van Betabib, mag in Kigonmedip niet in het iwool komen. Wel hebben sommige dorpen historische en verwantschapsbanden. Zo ligt verder westelijk het dorp Ebonatera, dat als een afsplitsing van Kigonmedip is ontstaan en dat een eigen iwool bezit, maar de mannen uit beide dorpen mogen elkanders iwool bezoeken. Wij als niet-ingewijden, mogen niet in een iwool komen en wij mogen zelfs niet door de ingang naar binnen kijken; op dit punt zijn wij, zoals Bomdogi het eens uitdrukte, nog maar onmondige kinderen. Veel is er in het iwool waarschijnlijk ook niet te zien; men schijnt er het varkensvet te bewaren, dat in het leven blijkbaar een belangrijke rol speelt. Het woord voor varkensvet
mag men niet uitspreken in tegenwoordigheid van vrouwen.

Henny van de Kerkhof - Sterrengebergte d2s2 - 030. Een woning in aanbouw

Links en rechts van de achterzijde van het iwool treft men altijd heesters met rode bladeren (Cordyline spec.) aan. Wat zij voor rol spelen in het leven van de Sibillers is niet bekend.

Het ritueel planten van de zoete aardappel. Jos Donkers 1969 negatief 2-180-018. Zie Hoofdstuk XXV De bataten-tuinen in Mannen in het Draagnet, Sibbele Hylkema 1974

 

Men teelt bataten (sweet potatoes: Ipomoea batatas) en keladi (Colocasia esculenta). De batatentuinen liggen tegen de helling, de keladituinen meer in het dal. Het gewone voedsel bestaat uit bataten, hier 'boneng' genoemd; de keladi ('om') wordt bij bepaalde ceremoniën gegeten. Om een tuin te maken, kapt men een stuk bos zoveel mogelijk schoon. Grote bomen laat men staan; men stookt een vuur rondom de stam om de boom te doden. Dood en bladerloos neemt zo'n boom praktisch geen licht weg en het spaart
veel werk als men hem laat staan. Op de luchtfoto's zijn deze groepen kale bomen duidelijk te zien en voor onze komst hier was het voor ons een raadsel wat dit voor bomen waren; de oplossing is dus dat het slechts de dode bomen in de tuinen zijn.

Lang kan men een tuin niet gebruiken, want de grond is spoedig uitgeput. Er moet dan een nieuwe tuin worden aangelegd: de oude tuin blijft ongeveer twintig jaar braak liggen en het bos neemt er weer bezit van. Waar men dagelijks bataten moet oogsten, wil men de tuinen zo dicht mogelijk bij huis hebben en elk dorp of buurt heeft dus een groot gebied om zich heen nodig voor tuinen die in gebruik zijn en voor de toekomstige te beplanten tuinen. Gezamenlijk worden de tuinen schoon gekapt en voorzien van een omheining om de varkens erbuiten te houden, maar de tuin wordt dan verdeeld in percelen die ieder hun eigenaar hebben. Elk lid van de gemeenschap, man, vrouw of kind heeft zijn eigen stuk grond dat moet worden bewerkt en heeft dan ook zelf recht op de oogst. Alleen de allerkleinste kinderen hebben nog geen eigen tuin.

Banaanaanplant bij de Ngalum. Jos Donkers negatief 2-174-032

Tabaksplanten bij het huis zodat men er een oogje op kan houden. Jos Donkers negatief 2-177-014

De knollen worden in de hete as gepoft. Zij worden daarna nog maar oppervlakkig van as gezuiverd en dit heeft het voordeel dat de mensen ook nog een hoeveelheid zouten binnenkrijgen. Behalve knollen eten de Sibillers praktisch alles wat zij aan dieren kunnen krijgen: buideldieren, ratten en muizen, hagedissen, kikkers, rupsen
en libellelarven. Vrouwen en kinderen gebruiken hun mem wel als schepnet en vangen daarmee kikkervisjes, die rauw gegeten worden. 

Er is op dierlijk gebied weinig dat niet gegeten wordt. Varkensvlees eet men alleen bij feestelijke gelegenheden. Verder worden nog allerlei vruchten gegeten, zoals pisangs en vruchten van de schroefpalm (Pandanussoorten).

Henny van de Kerkhof - B3s10 Div - 004 Voedselbereiding in de open lucht

Henny van de Kerkhof - DII -048 Pandanus fruit (Pandanus conoideus).

Foto afdruk Huub Zwartjes 1C-023 De Pandanus vrucht wordt in drie gespleten

Foto afdruk Huub Zwartjes 1C-021 Schoonmaken van de Pandanus vrucht

Foto Huub Zwartjes afdruk 25-95-5

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 30 014 Woning met op de voorgrond bataten-aanplant waarvan de wortelknollen gegeten worden. Rechts een zwijn op een afgeschermd stukje erf.

Huub Zwartjes Album2-13-021 Ngalum dorp 

In alle dorpen treft men zwarte varkens aan. Aan eigenlijke veeteelt doet men hier niet. De fokberen lopen verwilderd in het bos rond en in de dorpen vindt men alleen zeugen, gecastreerde beren en biggen.
's Ochtends trekken de varkens uit het dorp er op uit om in de omgeving naar voedsel te zoeken; 's avonds komen zij daar weer terug om hun plaats in huis in te nemen, waar zij met de bewoners de nacht doorbrengen.

Ngalum vrouwen bezig kikkervisjes te vangen. Jos Donkers negatief 2-178-010

Kikkervisjes. Jos Donkers negatief 2-179-010

In verhouding tot hun andere werkzaamheden besteden de vrouwen nogal veel tijd aan het vangen van aning, kikkervisjes. Men kent diverse methoden.
Volgens één daarvan leidt men het water van een rivier af in een kunstmatige bedding, waarin een soort fuik van bladeren wordt aangebracht. In kleine stroompjes brengen de vrouwen zelf de kunstmatige geul aan, in de grote rivieren doen de mannen hieraan mee. Volgens een andere methode begeven de vrouwen zich met een draagnet in de rivier. Terwijl zij bij wijze van schepnet hun net met de voeten tegen de bedding drukken, tillen zij met de vrije hand stenen op met de bedoeling, dat de kikkervisjes die zich daaraan vastgezogen hebben, door de stroom in het schepnet zullen worden meegevoerd.
De visjes, die hierna gevangen worden, worden zoals gewoonlijk aan een stokje geregen. Het stokje steekt men door de kop, vervolgens worden de kikkervisjes gerangschikt, één met de staart naar links, de volgende met de staart naar rechts, de volgende weer naar links, enzovoort.
Dit stokje dient tevens tot spit bij het bereiden boven de hete houtskool. 

Mannen in het Draagnet pag 377-378

Huub Zwartjes Album2-24-015 hangbrug 

Huub Zwartjes Album2-35-013 hangbrug 

De Papoea's zijn meesters in het maken van bruggen over de rivieren. Over de Oost-Digoel bij Dilmot is een hangbrug van ongeveer tachtig meter lengte aangebracht. Van bomen op de ene oever zijn rotan strengen gespannen naar bomen op de andere oever.
Soms bestaat het loopvlak uit één streng, dikwijls uit een aantal bij elkaar gebonden strengen rotan. Links en rechts van deze bundel, die als loopvlak wordt gebruikt, worden wat hoger nog twee strengen over de rivier gespannen, die als leuningen dienst doen; deze leuningen zijn met het loopvlak verbonden door een groot aantal rotan verbindingsdraden. Wie over de brug loopt, heeft het gevoel dat hij zich door een grote V-vormige fuik voortbeweegt. Is de brug erg lang, dan worden tussen de leuningen van afstand tot afstand dwars geplaatste stokken aangebracht, die de V van boven open houden. Doet men dit niet en zakt de onderstreng naar beneden door het gewicht van de
man die erop loopt, dan worden de leuningen tegen elkaar aangetrokken en komt men klem te zitten. De beide uiteinden van de brug bevinden zich een eindje boven de grond, en om erop te komen moet men een trapje op. Het lopen over zo'n rotan hangbrug is geen onverdeeld genoegen, zeker niet als het regent en de onderste streng spiegelglad wordt.

 

De Oksang  (rituele dans) speelt een grote rol bij de Ngalum-gemeenschap.

 

Mannen en vrouwen gaan getooid met verenpluimen van paradijsvogels in van coix-zaden vervaardigde voorhoofdsbanden gestoken en hebben het gelaat en de onderbenen met rode leem bestreken. De rest van het lichaam wordt met koolstof ingewreven.

 

De dans wordt ritmisch begeleid door trommels en dikwijls ook de uit verenpennen van de Kasuaris bestaande bundels die met de dansbeweging meeveren en een sterk ratelend geluid voortbrengen. Deze instrumenten creëren een diepe, hypnotische ritmiek die de dansers helpt zich te concentreren en zich te verbinden met de spirituele dimensies van deze rituele dans. In sommige gevallen worden zang en gezangen toegevoegd, vaak in de vorm van koorzangen of litanieën die de voorouders eren.

 

Diapositief Jos Donkers ca 1970. Serie 'Adatfeesten'-124 

De Oksang dans wordt beschouwd als een middel om de voorouders te eren en hun zegen te vragen voor gezondheid, voorspoed en bescherming. Het is een manier om hun aanwezigheid in het leven van de gemeenschap te voelen en hen te betrekken bij de rituelen. Ook biedt de dans gelegenheid voor de gemeenschap om samen te komen, de culturele tradities te delen, en een gevoel van eenheid te creëren.

 

Diapositief Jos Donkers ca 1970.  Adatfeesten-119

De dans wordt vaak uitgevoerd in de open lucht, in een grote cirkel op een afgelegen of heilige plaats, zoals een bosgebied of een heuveltop, waar men gelooft dat de geesten van voorouders aanwezig zijn.

Oksang voorbereiding - ook de kinderen doen mee. Diapositief Jos Donkers Aadatfeesten 113

Oksang, dans van de Ngalum. Afdruk Huub Zwartjes Sibil 1C-036

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 16 - 006 

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 16 - 026 Ngalum kleuter met keladi-knol

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 16 - 024 Vader en zoon

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 25 - 005 Oksang met troms en opvallende lichaamsbeschildering

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 25 - 001

Mensen van Iwoer op bezoek in Oksibil. Kleurennegatieven Rudi Campschroer 1975 (vergelijk: Groepsportret Papoea's Boven Digoel ca 1930)

Jongeling klaar voor het huwelijk. Abmisibil 1977. Diapositief Jos Donkers

 

Als jonge mannen de huwbare leeftijd bereiken, dragen zij een tijd lang een 'kamil' aan het haar. De kamil is een groot, knotsvormig voorwerp, met daarop nog een kleinere dergelijke knots die met klei aan het haar bevestigd wordt. Hij bestaat uit een honderdtal strengen, die gemaakt zijn van bundeltjes smalle repen van de bladeren van een schroefpalmsoort (Pandanus), omwikkeld met reepjes van dezelfde bladeren. Sliertjes haar worden in elkaar gedraaid en enkele van deze haarslierten worden aan een streng van de kamil bevestigd door ze samen met bladreepjes te omwikkelen en met klei in te smeren.
Vlak bij het einde vertoont de grote knots een verdikking; men heeft hier de omwikkeling van de strengen dikker gemaakt door enkele lagen boven elkaar aan te brengen. Daaronder houdt de omwikkeling op en de bladreepjes van de strengen steken vrij uit; de knots loopt hier spits toe en aan de punt is een kort rond stokje bevestigd. Het verdikte en daarna spits toelopende deel van de kamil is bekleed met een laag boomschors met daaroverheen een omwikkeling van dun touw. De gehele kamil is met rode klei bedekt en meestal heeft men met een zwarte kleurstof een donkere dwarsband aangebracht. Waar de schroefpalmstrengen over een breed vlak uitgespreid worden om met haar te worden verbonden krijgt men zo een naar boven breed uitlopende plak klei. Met aparte strengen (ongeveer 14 tot 16) wordt een tweede, veel smallere kleiknots aan het hoofd bevestigd en deze ligt boven op de grote kleiknots en wipt daarop op en neer. Aan het uiteinde van deze kleine knots bevestigt men een bosje veren en soms ook een afhangende ketting van jobstranen. Al naar de woonplaats van de drager verschilt de vorm van de kamil: mannen uit Ariemkop hebben veel dikkere en plompere kamils dan die uit de dorpen in onze buurt. Een man van de Bonsigi - een stam die ten noorden van het Antaresgebergte woont - die op zijn weg naar Toelo bij ons op visite kwam, had een zeer slanke kamil.

 Huub Zwartjes afdruk Sibil 1C-006

Collectie Bob Schijns 'thema's' diapositief Man-132-005

Bij de Bonsigikamil is de kleine knots even lang als de grote en deze kleine knots is vervaardigd uit een plat stuk hout dat met touw omwonden is. Bij de Sibil-kamils is de kleine knots altijd veel korter dan de grote; soms wordt er een plat stuk hout in aangebracht, soms is hij geheel gemaakt van bundels bladreepjes evenals de grote knots. De kamils in de Sibil zijn zwaar; zij wegen van anderhalf tot twee kilo. De kamil van de Bonsigi weegt slechts iets meer dan een kilo.
Dit haarverlengsel wordt gemaakt in een daarvoor speciaal gebouwd hutje buiten het dorp; vrouwen mogen daarbij niet aanwezig zijn, maar als het eenmaal is aangebracht gaat de jongeman zich onmiddellijk aan de vrouwen in het dorp vertonen. Hij mag er echter niet mee in het iwool komen, want dan zal de keladi niet gedijen. Dat deze versiering een bijzondere betekenis heeft met betrekking tot de huwbaarheid van de drager blijkt wel uit de Sibilse namen: de grote knots heet Korajma, letterlijk het vrouwelijke, terwijl de kleine knots Imjajma, het mannelijke, heet. Voor zover wij kunnen nagaan draagt men de kamil niet alleen bij het bereiken van de huwbare leeftijd, maar ook later nog wel. Verscheidene oudere jongelingen verschenen wel eens met een kamil; het is niet onmogelijk dat zij hem ook dragen als teken dat zij een huwelijk willen aangaan. 

 

Jan Sneep -Album I- 029. Sibillers met kleiknotsen en kettingen van hondentanden

Vergelijkbaar met de Sibil-kamil is de hoornvormige haardracht uit het Kaoh-Moejoe (Kao-Muyu) gebied. Boven-Digoel, L.J.A.Schoonheyt 1936 p.134

Ngalum vrouwen en kinderen met rode klei beschilderd. Henny van de Kerkhof - B3s8 Div - 013

Henny van de Kerkhof - Sterrengebergte d1s2 -005 Met rode leem beschilderde Ngalum

Mannen en jongens verfraaien zich dikwijls door hun gezicht en een deel van hun romp in te smeren met een mengsel van rode aarde en varkensvet; voor vrouwen is varkensvet verboden, maar zij gebruiken toch wel rode aarde om kleurige strepen op voor hoofd en wangen aan te brengen; soms zijn ook baby's met rode aarde opgesierd.

Huub Zwartjes 27-103-004 Rustende Ngalum vrouwen 

Jos Donkers 2-173-033 Ngalum gezin

De vrouwen dragen voor en achter een schortje van biezen ('woenom') bevestigd aan een band om het middel. Deze schortjes zijn kort en bestaan uit een aantal lagen over elkaar. Zelfs de allerkleinste meisjes al, die dan echter maar uit een of twee lagen biezen bestaan.

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 30 nov 75 - 017 Een nieuwe peniskoker in de maak.

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 24 - 012

De Sibillers hebben allerlei merkwaardig gekromde kalebassen, die naar voren steken. Bij feestelijke gelegenheden draagt men wel een koker waarvan de top gemaakt is van de snavel van een jaarvogel (Rhyticeros plicatus). Elke man heeft om zijn middel een zwart koord, de 'bilminong', dat wel tien meter lang is en vele malen om het lichaam wordt gewonden; dit koord is uit zes strengen gevlochten en vertoont een visgraat-patroon. Soms wordt een gordel gedragen waaraan een reeks hondentanden is geregen.

Piet ter Laag diapositief 209-2-107

Henny van de Kerkhof - Sterrengebergte d2s1 - 014

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 29 - 004 Ngalum vrouw met oorversiering

Rudi Campschroer kleurennegatieven blad 13b - 016 Portret van een Ngalum man

Vele mannen (edit: en vrouwen) hebben een doorboorde en uitgerekte oorlel, waarin een wit gekalkte schijf bamboe wordt gedragen; men draagt daar ook wel een stuk hout of een rol tabaksbladeren in. Soms scheurt de oorlel uit en dan hangen de restjes ervan als twee touwtjes onder aan het oor te bengelen. Heeft een man geen schijf bamboe in het oor en hindert hem de slingerende, hangende rand van de oorlel, dan windt hij die om de rest van het oor. Onze vriend Bomdogi is modern; in het ene oor draagt hij een blikken leukoplast-rol, in het andere oor een grote witte oorknop, die hij van de echtgenote van de Gouverneur heeft gekregen en terecht is hij trots op deze onderscheiding. Allerlei door ons geïmporteerde en afgedankte zaken worden als versiering gebruikt en zo loopt er een jongetje rond met een zegel met het opschrift 'Een jaar garantie' aan een touwtje om zijn hals en een man heeft een etiket 'Breekbaar' op zijn borst geplakt. 

Henny van de Kerkhof - Sterrengebergte d1s1 -018. De pluimveren van de grote gele paradijsvogel zijn geliefd als voorhoofdversiering

Henny van de Kerkhof - Sterrengebergte d1s1 -006. Ngalum man met hoofdtooi van Kasuarisveren en koppen van neushoornkevers door de neus.

Anthony van Kampen 023 Sibil Sterrengebergte. Ngalum man met voorhoofdsband van een klein zoogdier of knaagdier 

Neusversieringen heeft men drieërlei. Evenals in vele andere streken van Nieuw-Guinea wordt het neustussenschot doorboord. Men draagt daarin een staafje bamboe of een torpedovormig geslepen stuk witte steen, met aan elk uiteinde een of twee rode bandjes. Daarnaast kan men ook de neusvleugels doorboren. Door elke neusvleugel wordt dan van binnen uit een dun botje gestoken, bijv. een rib van een rat; meestal hangen deze 'sprieten' schuin naar beneden, maar als de drager begint te lachen dan wippen zij vrolijk. Tenslotte maakt men dikwijls nog twee gaatjes boven op de neusrug, waarin men stokjes steekt om de gaten open te houden. Men kan dan boven op de neus een stuk schelp bevestigen, of in de moderne tijd een fel gekleurde knoop.
Een van onze vrienden bracht boven op zijn neus het ronde kartonnetje uit een blikje sigaretten aan met daarop een rode knoop. Het stond de man fraai, maar hij moest afgrijselijk loensen om er omheen te kunnen kijken. De mooiste versiering van de neusrug bestaat uit de koppen van neushoornkevers, die op stokjes naast elkaar boven op de neus worden geplaatst. Soms wordt er nog een kleurig veertje bij gestoken, want allerlei variaties zijn mogelijk.

Mannen dragen dikwijls een hoofdtooi van Kasuarisveren, lichtbruine van jonge vogels of zwarte van oude dieren. De veren worden in bosjes bij elkaar gebonden en deze bosjes met een vlechtwerk van touw naast elkaar tot een voorhoofdsband geknoopt. Kleurige veren kunnen daartussen worden gevoegd; zo ziet men dikwijls dat enkele veren van de grote gele paradijsvogel (Paradisaea apoda), twee veren van de wimpeldrager (Pteridophora alberti) of de lange staartveren van de langstaartloerie (Charmosyna papou) als versiering van de voorhoofdsband worden gebruikt. Minder algemeen zijn voorhoofdsbanden gemaakt van het vel van een gestreepte buideleekhoorn (Dactylopsila spec).

 

blz 71-72 Het witte hart van Nieuw Guinea, Brongersma 1960

Geen Sibiller, man, vrouw of kind, zal men zonder een 'mem', een van vezels gevlochten draagtas, zien. De mem is een onmisbaar uitrustingsstuk. Men draagt er zijn voedsel en verdere bezittingen in; moeders dragen er baby's in, maar dan worden er eerst wel een paar grote bladeren ingelegd, opdat het patroon van de mazen zich niet al te veel op het kind afdrukt; ook biggen worden zo vervoerd. Voor gewoon gebruik zijn de draagtassen eenvoudig, maar soms worden zij fraai versierd met vogelveren; hier en daar een paar veertjes van een paradijsvogel of een hele serie slagpennen van een buizerdsoort (Henicopernis longicauda).

blz 70 Het witte hart van Nieuw Guinea, Brongersma 1960

Jan Sneep album I-043 Sibil man met weeftoestel voor de vervaardiging van arm- en beenbanden.

Is de kleding slechts schaars, men vult haar aan met een grote verscheidenheid van sieraden. Smalle, fijn geweven banden om been of arm worden door de mannen vervaardigd. Als weeftoestel wordt soms een boog gebruikt of wel een speciaal draagbaar weefgetouw. Met een lang, dun botje worden de draden om en om opgelicht
en een andere draad erdoor gehaald; met een ovaal, plat stuk hout wordt het weefsel stevig aangedrukt.

 

Jan Sneep -Album II- 001 

Jan Sneep -Album II-046

Anthony van Kampen Sibil Sterrengebergte 040 Ngalum man met ronde schelp op de neus, bamboe kokers in de oorlellen en om de hals ineengestoken Kasuarispennen en een ketting van varkenstanden. . Dikwijls kneedt men zoals we op deze opnames zien klontjes klei in het haar en sommige jongens hebben het hele hoofd met een dikke laag klei ingesmeerd. 

Anthony van Kampen Sibil Sterrengebergte 108 . De draagtas hangt men graag aan het hoofd. De linker knaap heeft een snoer met mosselschelpen om de hals.

Afdruk Huub Zwartjes Sibil-1986-068. Ngalum man met borstkuras en een armband van varkensslagtanden, acht boven elkaar, bevestigd tussen twee verticale stokjes. 

Zeer algemeen dragen mannen armbanden van varkensslagtanden, vaak vier tot zes boven elkaar, bevestigd tussen twee verticale stokjes. Een lus van touw vastgemaakt aan het ene stokje wordt om de arm heen geslagen en achter de uiteinden van het andere stokje vastgehaakt. Meestal draagt men aan zo'n armband een afhangende ketting van Jobstranen, schijnvruchten van een grassoort (Coix Lacryma-Jobi) die van nature doorboord zijn. Aan het einde van de ketting hangt dan nog de staart van een gestreepte buideleekhoorn (Dactylopsila spec, misschien ook Dactylonax spec.) of van een buidelmarter (Satanellus spec).

Om de hals worden verscheidene soorten sieraden gedragen. Het eenvoudigst is wel een wijde ring gemaakt van de armpennen van een Kasuaris; de spitse top van de ene pen wordt gestoken in het holle ondereinde van de volgende. Drie van dergelijke pennen vormen dan een ketting, waarbij soms de ondereinden van de pennen voor uitscheuren behoed worden door een er om heen gevlochten bandje.

Kinderen en mannen dragen een ketting die bestaat uit twee grote varkensslagtanden met daartussen een of meer kaurischelpen; ook kettingen die alleen uit kaurischelpen bestaan komen voor. Deze schelpen, die in vele streken in het gebergte gangbaar betaalmiddel zijn, maken hier ook deel uit van de bruidsprijs. Sommige halssieraden worden door handel met andere stammen verkregen. Zo draagt men snoeren met schelpen van zoetwatermossels, die uit het laagland ten zuiden van de bergen komen, waarschijnlijk van de Digoel.

Vrouwen dragen dikwijls een band die gemaakt is van een dun strookje rotan met daaromheen gevlochten stroken van de gele schors van een orchidee (Dendrobium); dergelijke banden zijn wel vier en een halve meter lang en worden een keer of acht om de hals gewonden.

 

Ngalum Oksang uitvoering met trommels. Rudi Campschroer kleurennegatieven film 16 

 

Elk dorp bezit enkele trommen, die bij de dansfeesten een belangrijke rol spelen. De trom in de Sibil ('wot') is ongeveer cilindrisch of zwak zandlopervormig en aan het open benedeneinde iets smaller dan aan het boveneinde; zij is soms met snijwerk versierd en een enkele maal heeft men er met rode klei en kalk gekleurde banden op aangebracht. Het trommelvel is gemaakt van de huid van een hagedis (Gonyocephalus spec.); midden over het trommelvel loopt een strook met relatief grote gekielde schubben: de buikhuid van de hagedis, terwijl aan weerszijden de schubben kleiner worden. Aboeldalogi uit Betabib geeft een demonstratie van het stemmen, waarbij de spanning van het vel van het grootste belang is. Deze spanning wisselt met het vochtgehalte. Het vlies is blijkbaar te droog en er worden een paar stukken van een dikke, sappige plantestengel in de trom gedaan; deze wordt ondersteboven gehouden en geschud, zodat het vel wat vocht kan opnemen. Daarna wordt er op de trom geklopt en als het resultaat nog niet gunstig is, wordt er weer geschud. Op het vel zitten vier of meer klontjes klei, die van belang schijnen te zijn voor de toon. Aboeldalogi wrijft wat zweet en vet van zijn lichaam en gebruikt dat om de klei wat soepeler te maken; de klontjes worden wat verplaatst en telkens wordt de klank geprobeerd. Eindelijk is hij tevreden. De trom wordt in de linkerhand gehouden, met het boveneinde iets schuin omhoog, en met de vingertoppen van de rechterhand wordt erop geslagen om te laten horen dat deze 'wot' een mooie volle klank geeft.

Jan Sneep -Album I- 040 - Sibil man met mondharp

Een mondharp, waarmee men een zacht zoemend geluid kan maken en waarbij de mond als klankbodem dienst doet. Dit instrument heeft een grote verbreiding; men vindt dergelijke mondharpen bij de Negrito's van Pahang op het Maleise Schiereiland zowel als bij tal van stammen in Nieuw-Guinea.

Jos Donkers 2-173-021 Een hurkzit die weinigen zullen kunnen nadoen

Jos Donkers 2-175-004 Deze man poseerde niet, het was per toeval dat Jos Donkers hem tegenkwam

Jos Donkers 2-175-007 Enige tijd later zat hij daar nog steeds.

Henny van de Kerkhof - Sterrengebergte d1s1 -009

HET WITTE HART VAN NIEUW-GUINEA
met de Nederlandse expeditie naar het Sterrengebergte
 DR. L. D. BRONGERSMA EN G. F. VENEMA

1960

Mannen in het draagnet, mens- en wereldbeeld van de Nalum (Ngalum) in het Sterrengebergte. Sibbele Hylkema 1974

Sela Valley - An Ethnography of a Mek Society in the Eastern Highlands, Irian Jaya, Indonesia by J.A. Godschalk 1993

Overige beeldcollecties Pegunungan Bintang: