Pater/etnoloog Jan Boelaars, Zuid Nederlands Nieuw-Guinea 

 

Jan Boelaars (Tilburg, 17 februari 1915 – aldaar, 19 juni 2004) werkte van 1950 tot 1970 als missionaris in Zuid-Nederlands Nieuw-Guinea (het huidige Papoea, Indonesië), na een studie culturele antropologie en linguïstiek aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Van 1970 tot 1984 doceerde hij antropologie aan meerdere katholieke theologische hogescholen in Indonesië.

Boelaars was een markante Nederlandse missionaris, etnoloog en verzamelaar. In zekere zin kan hij worden beschouwd als een opvolger van Meuwese en Verschueren, met wie hij ideologisch en spiritueel verwant was. In hun voetsporen verrichtte hij cultuuronderzoek in het moeilijk toegankelijke moeras- en regenwoudgebied van Zuid-Papoea, het woongebied van onder meer de Awyu- en Jaqai-volken, waar zijn voorgangers pionierswerk hadden verricht. In de hoger gelegen gebieden langs de Kao- en Digoelrivier bestudeerde hij daarnaast de culturen van de Muyu en Mandobo.

Boelaars vertegenwoordigt een bijzondere generatie missionarissen die hun roeping niet alleen met religieuze overtuiging, maar ook met een diep respect voor inheemse culturen vervulden. Hij stond bekend om zijn dialogische benadering van missie: in plaats van lokale culturen te willen vervangen door westerse normen, zocht hij naar een synthese tussen christelijke waarden en inheemse adat (tradities en gebruiken). Zolang culturele elementen niet in strijd waren met fundamentele menselijke waardigheid of christelijke moraal, liet hij daarvoor ruimte of integreerde hij deze in de christelijke geloofspraktijk—een benadering die in zijn tijd als vooruitstrevend kan worden beschouwd.

Naast veldwerker was Boelaars ook een zorgvuldig documenterend wetenschapper. Hij publiceerde meerdere boeken en artikelen over de volken van Zuid-Nederlands Nieuw-Guinea, waarin hij bijzondere aandacht besteedde aan materiële cultuur, sociale structuren, rituelen en religieus-symbolisch denken. Hij gold als een kenner van Papoea-artefacten en had vooral een grote belangstelling voor rituele voorwerpen.

Waar sommige tijdgenoten vooral verzamelden met het oog op museale presentatie, was Boelaars primair geïnteresseerd in de betekenis die objecten hadden binnen het sociale en religieuze leven van de lokale gemeenschappen. Hij sprak uitvoerig met informanten, documenteerde gebruikscontexten en trachtte objecten zoveel mogelijk te plaatsen binnen hun rituele en maatschappelijke samenhang.

Na zijn terugkeer in Nederland besteedde Jan Boelaars grote zorg aan het fotoarchief dat hij tijdens zijn etnologische veldstudies in Zuid-Nederlands Nieuw-Guinea had opgebouwd. Dit archief bracht hij samen in zes omvangrijke fotoalbums. Met toestemming van de congregatie van de Missionarissen van het Heilig Hart (MSC) konden deze albums worden ingezien en gekopieerd in de studiezaal van het Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven Sint Agatha, waar het MSC-archief wordt bewaard. Ook werd toestemming verleend om dit materiaal te publiceren. Wij willen hier graag nogmaals onze dank betuigen aan de congregatie van het MSC en de buitengewoon behulpzame medewerkers van het Erfgoedcentrum Sint Agatha.

 

Externe links: wiki

Pater Boelaars aan het kinnen-wrijven met een van de Asmatters. Zo werd vriendschap gesloten. Erfgoedcentrum Sint  Agatha AR-P027 20167-30

Boven Digoel

Kaart uit Boven-Digoel. L.J.A. Schoonheyt 1940 (PDF beneden aan de pagina).

Kaart Zd Nederlands Nieuw-Guinea met aanduidingen woongebied Gab gab en Djair

J W Schoorl 1997 Suku Muyu - peta halaman 19 (PDF beneden aan de pagina)

Gab-Gab mensen. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 10210 D1 

Onderafdeling Moejoe. Uit: Kaart bij Tourneeverslag controleur binnenlands bestuur J.W. Schoorl tournee naar de Sibilvallei op Nieuw-Guinea 1955 pag.19

Onderafdeling Boven Digoel. Uit: Kaart bij Tourneeverslag controleur binnenlands bestuur J.W. Schoorl tournee naar de Sibilvallei op Nieuw-Guinea 1955 pag.19

Kaart Daerah Mandobo Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20154 album Hoeboer - kaart 

Expeditieleden bij paalwoningen in de omgeving van het tweede Zwaluwbivak. Foto J. M. Dumas 1909. CC-BY-SA TM-60015343  NMWV

Behuizing Digoel gebied. AR-P027-10210 Doos 3  

Digoel rivier. AR-P027 10210 Doos 3 

Gab gab krijgers en opgesierde vrouw bij varkensfeest.  Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 10210 D1 

Djair-mensen overzijde van Digul tegenover Pesnamnam April 1951. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20213 Serie BI 76 en 164

Portret van een jonge man van Boven-Digoel met diadeem van Coix pitten en een borstsieraad van varkenstanden. Afdruk Pater P. Vertenten 1924-1932 

Man van de Digoel met borstpantser. AR-P027 10210 Doos 3 

De Kaoh- en Moejoe-Papoea's zijn tengerder gebouwd en kleiner van stuk dan hun buurlui aan den overkant der Digoelrivier; zij maken een meer vredelievenden indruk, ofschoon dit laatste slechts betrekkelijk is. Zij wapenen zich voornamelijk met pijl en boog en dragen soms een harnas. Het perforeren van neus en oren, evenals de tatouage, komt ook bij hen veelvuldig voor, doch alles wordt wat meer in bescheiden stijl gehouden. Zij sieren zich eveneens met
de reeds bovengenoemde kettingen en tooien zich ook gaarne met papegaaien-, paradijsvogel- en kroonduifveren.
Zij zijn heel wat minder vechtlustig en dapper dan de mannetjesputters van de Mappirivier, maar zij zijn eerlijker en eerder tot arbeid geneigd. Zij kunnen zich bij hun feesten zeer mooi „optuigen*', waarbij het tatoueeren een groote rol speelt. Soms binden zij dan lange pluimen van papegaaienveeren op het hoofd en bevestigen voor den dans bossen plantenvezels aan schouders en heupen.

Boven Digoel, Schoonheyt 1936 p. 116-117

Bezoek aan tweede Zwaluwbivak Digul-gebied. Foto Gerhard Heldring10-1909. TM-60015348 CC-BY-SA NMVW

Hoornvormige haardracht uit het Muyu gebied aan de Kaorivier. Afdruk Pater P. Vertenten 1924-1932 

Mandobo. Boelaars Mandobo's tussen de Digoel en de Kao illustratie pag 67

Mandobo man. AR-P027 20169 

Eerste dorpsschool te Ninati 1937. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20154 Album Piet Hoeboer MSC blz 4 

Mandobo jongelingen in feestkleding te Mindiptana Juli 1951

Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20213 Serie Boelaars I-184

Idem 20213 Serie Boelaars I-185

Idem 20213 Serie Boelaars I-189

Groepsportret Papoea's afkomstig uit de Boven Digoel ca 1930.  CC-BY-SA TM-10008194 Collectie NMVW

Tocht Muting-Ninati 1933. Pater Hoeboer met beschilderde Papoea jongelingen. AR-P027 20154 Album Piet Hoeboer MSC 

Mensen van Iwoer op bezoek in Oksibil. Kleurennegatieven Rudi Campschroer 1975

Mappi

Toen ik in juli 1951 arriveerde in Képi, het dorp dat later de hoofdplaats van de onderafdeling Mappi worden zou, werd daar het grote feest van de verzoening tussen de Jaqai en de Awju gevierd. Hoewel juist met dit evenement het tijdperk van de oorspronkelijke cultuur werd afgesloten, lijkt het mij toch verantwoord over dit onderwerp te schrijven, omdat dit „verleden" voor de informanten nog geen absoluut verleden was. Weliswaar was het economische en sociale leven van de Jaqai niet onberoerd gebleven, nu het koppensnellen was afgeschaft en het hun verboden was zelf recht te spreken, maar het bleef in zijn wezenlijke elementen voortbestaan. Onder invloed van de katholieke missionering begon het religieuze aspect van de oude cultuur zich te wijzigen, maar bij de aanvang van het onderzoek waren aan de Qobarivier nog slechts weinig volwassenen tot de christelijke godsdienst overgegaan.
Het onderzoek was geconcentreerd op de dorpen Képi en Dakèmoqon aan de middenloop van de Qobarivier. Steeds echter werden ook de dorpen aan de andere zijstromen van de Mappi in het fieldwork betrokken. Met behulp van de linguïstische studies van pater P. Drabbe m.s.c. heb ik mij de taal van het volk eigen gemaakt. Na enige tijd gelukte het me op eenvoudige wijze te converseren en kritisch te luisteren naar de gesprekken die gevoerd werden tussen de informanten en Jacobus Jabaimu, een door mij opgeleide jonge tolk uit Képi. Jabaimu dicteerde mij de belangrijkste mededelingen in zijn eigen taal en later werden die door mij met zijn hulp vertaald.

 

'Papoea's aan de Mappi' Boelaars 1957 p. 7

 

 

NB. Jaqai=Yahrai. Awju=Auyu; Auwyu; Auwju; Auwjoe. Dakèmoqon=Dagimon

AR-P027 20213 Serie Boelaars I - 244. Man met trom en paradijsvogel

AR-P027 20213 Serie BI-291 Jaqai krijger naast schilden

AR-P027 20213 Serie BI-461 Schilden te Qoqojamon-Bapei

AR-P027 20213 Serie BI-464 Schilden voor het mannenhuis te Kamaqai in de Bapei

AR-P027 20213 Serie BI-474 Schilden te Qoqojamon

AR P027 20213 Serie BI-452 Mannen met hun schilden voor het mannenhuis in Ima-Bapei (Jaqai-gebied)

AR P027 20213 Serie BI-455 Mannenhuis in Ima - Bapei

AR P027 20213 Serie BI-454 Varkenspijlen in de wand gestoken als trofee en na de jacht

Het mannenhuis is een lange, brede schuur, op de grond of op korte palen gebouwd. Het dak komt aan de lange zijde tot dicht bij de grond en in de wand daaronder zijn kleine openingen uitgespaard, die door enkele bladscheden van de sagoboom kunnen worden afgesloten. In de voor- en achterwand is een smalle deuropening aangebracht, die in geval van nood door één man, opgesteld achter zijn schild, te verdedigen is. De ruimte wordt onderverdeeld door de vuurtjes en de daarboven aangebrachte brandhoutstellages, die in twee rijen rechts en links van het middenpad staan. Bij elk vuurtje zitten twee mannen, die eikaars verwanten of aanverwanten zijn. In de lange rijen hebben telkens die mannen dicht bij elkaar een plaats gekozen, die tot een bepaalde groep behoren. De aanvoerder daarvan neemt de centrale plaats in. In het middenpad slapen de jongens en de ongehuwde mannen. Tegen de zijwanden staan de schilden en hangen de speren. De volwassenen hebben hun dolk bij de hand. Aan de nokbalk hangen de koppen van de gesnelde vijanden. Hier leven de mannen. Zij roken uit lange bamboepijpen en bespreken de dingen van de dag of beramen plannen voor de komende sneltocht of wraakoefening.


'Papoea's aan de Mappi' Boelaars 1957 pp. 39-40

20213 Serie BI-194 Nieuwe kerk van Kepi - opening van het openluchtaltaar met een stralenkrans van Yahray (Jaqai/Yaqai) schilden en speren. Juli 1951

 

Verschueren kwam steeds meer tot het inzicht, dat wat zijn voorganger Meuwese door zijn luisterrijke feesten in Jatan en Enem had bereikt niet alleen ook voor het Qobagebied ondernomen moest worden, maar voor heel het Mappi- en Awjugebied, dat onder zijn leiding stond. Hij achtte daar de tijd rijp voor en terecht. De laatste sneltocht was nu twee jaar achter de rug, de onderwijzers hadden zijn leiding aanvaard, de hoofden en de goeroe's begrepen en volgden het beleid van Maturbongs. Alleen de mensen uit de dorpen waren nog niet overtuigd, dat ook de nieuwe tijd hun leven die glans en luister kon geven als de oude feesten dat hadden gedaan. Daarom begon de pastoor een groot feest voor te bereiden, waarop vijfduizend Mappiërs en duizend Awju's tezamen zouden komen, plechtig vrede sluiten en de doop van de schoolkinderen, twaalfhonderd in getal, meemaken. Heel het volk leefde mee met de voorbereidingen, omdat jong en oud geestdriftig werd gemaakt voor dit evenement. In Képi werd een apart dorp gebouwd voor de toekomstige feestgangers, dat bestond uit tweeëndertig grote bivakken.
Maanden werd er voedsel ingezameld. Door de mannen werden nieuwe schilden vervaardigd en matten voor de kerk door de vrouwen. Met de onderwijzers werden besprekingen gevoerd over de adat van de bevolking en de regeling van het feest. Liederen en gebeden moesten ingestudeerd worden en in ieder dorp werd gesproken over de initiatie van de kinderen, welke na de vredessluiting tussen Awju en Jaqai bij hun doop zou geschieden en het centrale gebeuren van het feest zou zijn.
In juli 1951 vond het feest plaats en het duurde een volle week. De intocht van de duizenden gasten, die daar getooid, zingend en trommelend aankwamen, was een aanblik zo groots als de Jaqai nog nooit hadden gezien. Het sluiten van de vrede gebeurde geheel overeenkomstig de oude gewoonten van de Jaqai en werd door de aanvoerders zelf georganiseerd en geleid. Speren werden bij honderden gebroken, voedsel werd door Jaqai en Awju's onderling verdeeld en in het midden rookten de oorlogsaanvoerders met elkaar de vredespijp. 

(...)(...)(...)

Voor het openluchtaltaar, dat als achtergrond een weidse boog van Jaqaischilden had gekregen, werden de dorpsvoorlopers plechtig gevormd en na hen de honderden Mappiërs en Awju's, die dit sacrament nog niet hadden ontvangen.

(...)(...)(...)

De betekenis van dit feest lag zeker in de ontdekking van de Jaqai, dat hun aartsvijanden, de Awju's, evenals zijzelf de leiding van missie en bestuur hadden aanvaard en niet langer konden worden beschouwd als prooi van toekomstige sneltochten. 

(...)(...)(...)

Niet alleen het gebruik van de kleurige schilden en de oude kleurige opschik, het dagenlang weerklinken van oude gezangen onder het gedreun van de trommen legden daarvan getuigenis af, maar vooral het feit dat de regeling van de vredessluiting aan de oorlogsleiders was overgelaten en dat de Papoea-voorlopers bij de voorbereiding van de feestelijkheden waren ingeschakeld. Het volk en de onderwijzers begrepen dat de vooruitgang gepaard zou gaan met feesten, waarvan de zin anders was dan die van de oude feesten, maar waarvan de vorm zou aansluiten op het grote verleden van de Jaqai, totdat deze langzamerhand aan de nieuwe elementen uitdrukking zouden geven in zelf gekozen vormen.

 

'Papoea's aan de Mappi' Boelaars 1957 pp. 187-189

 

Auwju= Auwjoe, Awju, Aujoe, Awjoe, Awyu, Auyu
Mappiër=Jaqai, Yaqai, Yahrai

AR P027 20213 Serie BI-198 tm 203 Vredesfeest Kepi

 

198: In de stad der gasten wordt een varken gevild.
199: Aankomst van de laatste kampong Jodom, vrouwen met schilden voorop. (Jodom of Yodom iets ten zuiden van Badé aan de Digoel of Digul gelegen)
200: Mappiërs en Auwju's rukken op om vrede te gaan sluiten.
201: Mappiërs rennen rond de Auwju's; begin van het vredesfeest.
204: Mappiërs breken hun speren.

 

Auwju= Auwjoe, Awju, Aujoe, Awjoe, Awyu, Auyu
Mappiër=Jaqai, Yaqai, Yahrai

AR-P027 20213 Serie BI-460 Vrouw met tekens van vasten om de hals te Ima-Bapei

Asmat

NIEUW GUINEA UW MENSEN ZIJN WONDERBAAR 

HET LEVEN DER PAPOEA'S IN ZUID NIEUW GUINEA

Dr J. BOELAARS ETHNOLOOG 1953

PAPOEA'S AAN DE MAPPI

Dr. BOELAARS M.S.C. Etnoloog 1957

Met Papoea's samen op weg II

Dr. BOELAARS M.S.C. Etnoloog 1995

MONO KOAME 'wij denken ook'

door

Dr. J.H.M.C. Boelaars MSC, antropoloog en Drs. A.C. Blom, etnopsychiater 2001

BOVEN-DIGOEL

L.J.A. SCHOONHEYT 1936

Tussen de Digoel en de Kao. Dr. J. Boelaars 1970

Kebudayaan dan Perubahan
Suku Muyu
dalam Arus Modernisasi Irian Jaya

Culture and change among the Muyu. J.W. Schoorl 1993

Beeldcollecties Papua Selatan:

 

ASMAT:

ASMAT / MAPPI:

ASMAT / MAPPI / BOVEN DIGOEL: