Papua Selatan: Merauke

Kaart uit Verslag van de militaire exploratie van Nederlands Nieuw-Guinea 1907-1915 

J W Schoorl 1997 Suku Muyu - peta halaman 19

De beschikbare beeldcollectie van het gebied dat onder het regentschap Merauke valt bestaat vrijwel uitsluitend uit historische foto’s van Marind-anim gemeenschappen die om die reden centraal zullen staan op deze pagina.

Daarmee is echter nadrukkelijk niet gezegd dat de Marind-anim het enige volk waren – of zijn – in het gebied dat tegenwoordig het regentschap Merauke vormt. Ook aan het begin van de twintigste eeuw, toen westerse bestuurders, missionarissen en onderzoekers zich hier vestigden, werd dit uitgestrekte landschap bewoond door meerdere inheemse volken, elk met een eigen taal, cultuur en relatie tot de omgeving.

Zoals op de kaart hierboven te zien is leefden naast de Marind-anim in deze regio onder meer de Kanum-anim en de Yei-anim.

Dat we ons hier primair tot de Marind-anim beperken, is dus het gevolg van de overgeleverde beeldbronnen, niet van een rangorde in historische of culturele betekenis. De  andere volken maken niet minder deel uit van de bredere regionale geschiedenis van Zuid-Papoea en verdienen op zichzelf evenzeer aandacht. Misschien dat we dit manco op een later moment nog goed kunnen herstellen. 

Marind-anim mannen. Omgeving Merauke 1904. Utrechts Archief

 

De Marind-anim (letterlijk: de echte mensen), door buitenstaanders vroeger vaak Kaja-kaja’s genoemd, bewonen het laagland rond Merauke, langs rivieren als de Bian, Maro en Kumbe.
Zij leefden traditioneel van jacht, visvangst en verzamelen, sterk verbonden met het moeras- en savannelandschap. De seizoenen en de natuurlijke cycli bepaalden hun bestaan.
Centraal in hun wereldbeeld stonden de Dema-voorouders: mythische wezens die het landschap, de dieren, planten en sociale orde hebben geschapen. Om deze kosmische orde in stand te houden onderhield men uitgebreide initiatieriten, vruchtbaarheidsrituelen en ceremoniële zang en dansrituelen die dagen tot weken konden duren,
De Marind-anim vormen een belangrijk voorbeeld van een Papoeavolk waarvan het rituele leven en de harmonie met de natuur ooit centraal stonden, maar die in korte tijd ingrijpend zijn geconfronteerd met fnuikende externe invloeden.

Koninginnefeest april 1932 te Merauke. Mevrouw Fikkert met vrouw van Javaanse dokter 1932. D.H. Fikkert was tussen 1928 en 1933 hoofd onderafdeling Merauke. Foto N. Verhoeven MSC / J. Verschueren MSC, 1932. AR-P027 10210 Doos 2 blad 28 foto 3.

Pater Verhoeven laat enkele Marind mannen een tijdschrift zien. AR-P027 10210 Doos 1 

Pater Cappers met een drietal Marindezen - Foto H Nollen MSC 1906-1908. AR-P027 10210 Doos 1  

Pater Yernaux op bezoek. AR-P027 10210 Doos 1 

Het begin van de twintigste eeuw betekende voor de Papoea-bevolking van Merauke een periode van ingrijpende ontwrichting. Door de introductie van westerse ziekten met soms catastrofale sterftecijfers, en door koloniaal en missionair beleid dat diep ingreep in sociale structuren, rituelen en leefwijzen, raakten veel gemeenschappen verzwakt en uiteengerukt. Ceremoniën die eeuwenlang verbindend en stabiliserend hadden gewerkt, konden niet langer worden uitgevoerd; sociale samenhang en moreel kwamen onder zware druk te staan.

Het is bewonderenswaardig en fascinerend dat de huidige Papoea-volkeren in het regentschap Merauke ondanks deze geschiedenis van verlies en demoralisering, hun identiteit zoals die nog in tal van culturele uitingen en belevingen voortleeft hebben weten te behouden en zijn blijven koesteren.

Op deze pagina wordt dus niet alleen een venster op een rijke voorouderlijke cultuur geboden maar op een geest en bezieling die de Papoea-gemeenschappen in het regentschap Merauke tot op de dag van vandaag zijn blijven inspireren.

Huizen van Marind Papoea's op het strand bij Merauke. G. M. (Gerard Martinus) Versteeg (Fotograaf) 1907-1910 NMVW CC-BY-SA TM-60014977 

 

Gezinsleven en gezinswoning zijn in Marind-land onbekend. De mannen van één familiegroep slapen in één mannenhut, die tot twintig britsen telt, waaronder een vuurtje kan worden gestookt tegen de nachtkoude. Een lage opening, die 's nachts wordt versperd, doet dienst als deur en venster.
Vrouwen en kinderen slapen in de vrouwen hutten, die kleiner zijn dan die van de mannen.
De Marindinees houdt van openluchtleven. Achter de hutten, in de schaduw van de palmen, ligt de soso, een
zandig pleintje, waar de mannen een groot deel van de dag doden met praten, pruimen en slapen. 

Een eind buiten het dorp ligt de gotade, het verblijf van de jongelingen, die er hun dagen in volledige afzondering doorbrengen.

's Avonds komen de jongelingen bij deemstering naar de mannenhutten om er te slapen en verdwijnen vóór dag en dauw naar de gotade. Wie er te weinig spoed bijzet, loopt gevaar een stompe pijl in de rug te krijgen.
Achter de duinenrij liggen de tuinen van de inlanders, waar op de vettige kleigrond sago, bananen, suikerriet, sirih-peper, jammen en andere vruchten worden gekweekt.
Verder op strekken de bossen zich uit en lopen naar het binnenland de onafzienbare steppen, het onmetelijk jachtgebied, waar wilde varkens en kangoeroes de jagers lokken.

Redder der Kaja-kaja's Petrus Vertenten p 33-34. Joris Vlamync 1949

Een Marind echtpaar voor een vrouwenhuis. NMVW CC-BY-SA TM-60015416 

Mannenhuis Kumbe (Koembe) 1912-1915 NMWV CC-BY-SA TM-10008291 

Marind gezelschap in feesthuis. Omgeving Merauke 1904. 

Feesthuis te Sahamne Koembe (Kumbe) 1908. Opname gemaakt tijdens een expeditie in 1908 van de militaire exploratie van Nederlands Nieuw-Guinea

Marind groep met op de voorgrond enkele beschilderde prauwen. AR-P027 10210 Doos 2 

Wati (Piper methysticum*) kauwen op het strand. Afdrukken collectie Piet van Mensvoort Merauke-084

*een tropische struik die vooral gekweekt wordt voor zijn wortels, waar de werkzame stoffen — kavalactonen — in zitten. Deze stoffen geven het kauwen op de wortel of de bladeren of een daaruit getrokken drank een kalmerende, ontspannende en soms licht euforische effecten

Marindinees met trom (kandara) voor een huis in een dorp. NMVW CC-BY-SA RV-A440-u-303  (ingekleurd). In de oude tijd was het zeker niet ongewoon en zelfs gebruikelijk dat de (ook tegenwoordig nog vervaardigde) kandara als op de afbeelding een manshoog formaat bezat.

Sago (Metroxylon sagu) was en is de stapelvoedselbron van de Marind-anim, samen met kokosnoten, bananen, wilde palmen, en het vlees van jachtdieren zoals de kangoeroes/wallaby's, de kasuaris en de wilde varkens. Het is rijk aan koolhydraten en traditioneel essentieel voor overleving in het moerassige laagland van Merauke en de zuidelijke kust van Papoea.

Vooral vóór grootschalige koloniale inmenging had sago een centrale betekenis als levensmiddel, sociaal bindmiddel en economisch middel en werd het niet alleen gegeten, maar verwerkt in rituelen, ceremonies en culturele activiteiten.

Traditionele Marind-anim gemeenschappen kenden zorgsystemen voor sagobossen, zoals het periodiek sluiten van een sago-gebied (sasi of Sar), wat diende om de natuur te laten herstellen en sago-bossen duurzaam te beheren.

Sagowinning. AR-P027-10210 Doos 3

Sagowinning. AR-P027-10210 Doos 3

In het vlakke, waterrijke landschap van Zuid-Papoea was visserij essentieel voor voedsel, ritme van het jaar en sociale organisatie. 

De middelen of technieken waarvan men zich bediende waren:

-Visfuiken en vallen van rotan, hout en palmvezel

-Netten geknoopt van plantaardige vezels

-Speren en harpoenen voor vis in helder water

-Vergiftiging van water met plantaardige stoffen (bijv. fijngestampte wortels), dit verdoofde vis tijdelijk zonder het water blijvend te vervuilen.

Mannen zorgden voor de bouw van kano’s, het plaatsen van vallen, speervisserij, zeevisserij

De taak van de vrouwen was vooral het verzamelen van schelpdieren, vissen in ondiep water, verwerken en bereiden van de vangst.

Kinderen leerden spelenderwijs vis te vangen in kleine kreken

Marind vrouw bezig met vlechtwerk. Collectie Piet van Mensvoort afdrukken Merauke-017

Vissen in Okaba. AR-P027 10210 Doos 3 

Marind prauwen. AR-P027 20170-46

Marind prauw. AR-P027 10210 Doos 3

Vrouw met visfuik - Vrouw met lichaamsscarificatie - vrouw met rouwkleed een bos brandhout dragend. AR-P027 10210 Doos 2

Marind-anim vrouw met kind in draagtas. Stereofoto 1910-1930. NMVW CC-BY-SA TM-60032781

Moeder met haar overleden kind. Afdrukken Merauke-010 Collectie Piet van Mensvoort 

Rokende man in Toebai, Digoelrivier (grensgebied Merauke - Boven Digoel). AR-P027 10210 Doos 3 

Marind man met trom. Afdruk zwart wit foto, met inkt ingekleurd door pater J. Vertenten.. AR-P027 10210 Doos 2 

Marind man. Foto H. Geurtjens. AR P027 10210 doos 2

(...) Heel het lijf van onder tot boven roetzwart ingewreven. Een breede, stroeve, steenrood geverfde buikband zit strak gespannen om het middel. Onder de knieën, rond enkels en polsen platte banden van dezelfde kleur ; om de bovenarmen spangen van ivoorkleurige varkensslagtanden of een bundel zwart-geoliede pezeriken. Op de borst kransen van kangoeroe- of hondentanden en daaronder een pak rood geverfde varkensstaarten ; rond den hals een vuistdikke bundel donkere kralen. Voorhoofd, slapen en ooren zijn roodgeverfd. De rest van het gezicht is blinkend zwart (gebrande kamiri-olie). In de doorboorde neusvleugels steken blanke krokodillentanden of slagtanden van een everzwijn, of nog : korte bamboebuisjes, meer dan een duim dik (ik heb er gezien van 4 cm. doorsnee). Soms wordt de bovenholte daarvan afgesloten met een bolletje zwarte was, waarin bloedroode vruchtpitjes gedrukt zijn en in het midden steekt de scherpe nagel van een roofvogel (Kidoeb). In de ooren hangen trossen van 10 tot 20 oorringen van zwarte kasuaris-pennen. Die doorboorde oorlellen hangen soms tot op de schouders af. Boven het voorhoofd een krans van breed-uitstaande kasuarisvederen en een andere van fijne, goudgele pluimen uit paradijsvogelflanken. Aan de haren is een bundel verlengsels gevlochten van palmblad, wel een honderd vlechtjes, alle .eindigend op een knoop, iets onder de schouderbladen.' Alles druipt van ranzige kokosolie.
De vrouwen zijn niet zoo bont opgesmukt, maar de haarverlengsels zijn langer, zij reiken tot aan de vouw van de knieën en zijn vervaardigd uit lenige schors (van moembre). Ook de vrouwen glimmen van olie en verf ; bij feesten druipt de zwarte olie uit de haarverlengsels. Maar beter dan een lange beschrijving zullen de foto's der verschillende leeftijdsklassen u een gedacht geven van den origineelen opsmuk der Marind-Anim. (...)

Diverse vormen van opmaak Marind vrouwen. AR-P027 10210 Doos 2 

De vrouwen zijn niet zoo bont opgesmukt, maar de haarverlengsels zijn langer, zij reiken tot aan de vouw van de knieën en zijn vervaardigd uit lenige schors (van moembre). Ook de vrouwen glimmen van olie en verf ; bij feesten druipt de zwarte olie uit de haarverlengsels. Maar beter dan een lange beschrijving zullen de foto's der verschillende leeftijdsklassen u een gedacht geven van den origineelen opsmuk der Marind-Anim. (...)

Vrouw van Senajoe. Tekening Petrus Vertenten,

Drie Marind vrouwen. AR-P027 10210 Doos 2

Vrouwen en kinderen van de Marind. 197-3 Serie foto’s (7), ca. 1920 publiek domein Utrechts Archief

Marind vrouwen met kinderen. AR-P027 10210 Doos 2

Drie Marind meisjes. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 10210 Doos 1 

Marind kinderen op het strand. Collectie Piet van Mensvoort Afdrukken Merauke-015

Opgetuigde Marind jongeling. AR-P027 10210 Doos 2 

De (aanstaande) moeder legt allen opsmuk af. Zoolang de kraamtijd duurt moet zij zich onthouden van vleesch en visch, anders zou het kleintje wonden krijgen! Alleen sago, cocosnoot, groenten en vruchten mag ze eten.
Een kraamhuisje is streng-verboden toegang. Alleen moeders, tantes, de naaste volwassen vrouwelijke verwanten en de kleine broertjes of zusjes van de(n) jonggeborene mogen vrij uit en in loopen. Voor andere is de plaats onrein. Wie zich in de buurt waagt zal dikke beenen krijgen  (Elefantiasis).
De kleine wordt dagelijks gewasschen en krijgt de eerste dagen al zonnebaden, die het fijne rozig-blanke huidje, waarmee hij geboren werd, rood stoven en doen afkrullen. Zij overdrijven niet : ik heb nooit gemerkt dat die kuur den kleine kwaad deed. Na eene goede week heeft de zon hem een gaar bronzen tintje gestoofd van blijvenden aard. Over het algemeen zien de jonge Kajakajatjes er gezond en mollig uit.
Men gaat vooral groot op een zoontje en vroeger — als een meisje al te onwelkom was -- werd het aanstonds na de geboorte ,door vader gewurgd.
Na ongeveer zes weken, het wordt ook wel eens twee maanden, laten man en vrouw zich nieuwe haarverlengsels aanvlechten, wrijven zich in met olie en verf en gaan met 'het wichtje naar eene nabije kreek of rivier, om zich en hun spruit rein te wasschen. Zij wrijven hun zwarte voeten en beenen in met klei, die spoedig opdroogt en het lijkt dan wel of ze bleekgrijze kousen aanhebben.
Ook het hoofdje van den kleine wordt met klei ingewreven. In 'het dorp staan vrienden en kennissen op hen te wachten ; vooral de vrouwen willen nu het schatje zien en be-knuffelen.
Zóó doet de kleine Kajakaja zijn « joyeuse entrée » in de Marindineesche maatschappij.
De jongetjes heeten Patoer, ongeveer tot hun 12e jaar en de meisjes Kivasom. Aan den hals dragen zij een krans van paarlemoerscherven gesneden uit de nautilusschelp, als ze loopen klinken die als muziek.
Allen dragen boven de polsen nauwsluitende mofjes, gevlochten uit reepjes van spaansch riet. Aan de bovenarmen dragen ze breede bandjes van hetzelfde fabrikaat. Daarin steken ze gaarne krotontakjes, fijngeurend kruid en soms heele ruikers van malsche, bleekblauwe of witte waterlelies met gouden hart.
De patoers dragen boog en pijlen. Zij schieten op allerlei klein wild, maar vooral schieten zij visch. Ze stappen in de aanrollende golven van de opkomende zee en schieten met veelpuntig-uitstaande pijlen in de kammen van de golven, als ze daarin een vluchtende bende Karamboevischjes zien.
De kivasom (meisjes) visschen met de kleine vischfuiken, die den vorm hebben van een omgekeerden trechter. Zij slaan daar visa mee in het ondiepe water. Een anderen keer trekken zij, twee aan twee, het groote ronde vischnet van moeder.
De kinderen kennen allerlei spelen en zooals overal bootsen ze gaarne groote menschen na.
Als ze grooter worden, krijgen de meisjes een fraai plat gevlochten bandje om de heupen en de zwarte lenige vezels Naoma, waarvan een dikke bundel langs vóór om dat bandje geslagen wordt, trekt men dan verder door en bevestigt hem van achter tot een kussentje.
De meisjes krijgen nu ook lange haarverlengsels, die tot op de kuiten afhangen. Dat staat zeer net. Aan die versiering danken zij haar naam van wahoeki (= de aangevlochtenen. Enkelv. wahoekoe.).
De jongen wordt nu aroi-patoer. Heel zijn lijf wordt met roet ingewreven, hij ziet er uit als een duivel. Het gezicht blinkt als een gepoetste laars van pajoem, de zwartglimmende olie, bereid uit kamirinoten.
Als kinderen speelden zij vroeger dagelijks in de zee. Dat gaat nu niet meer. De aroi-patoer en de wahoeki zijn dan ook alles behalve proper op hun lichaam. Vaak zit het vuil van oude verf en olie in korsten op de huid.
De jongelui mogen zelfs niet meer in het dorp verschijnen, zij mogen geene vrouwen meer zien, leven in de afzondering der jongelingen, de gotade. Die ligt een goed eindje achter het dorp, in het struikgewas verscholen. 's Nachts komen zij naar huis, als de duisternis is ingevallen en vóór dag en dauw moeten ze weer weg.
De ongehuwde meisjes worden streng bewaakt en geëerbiedigd. Na ongeveer één jaar krijgt de aroi-patoer korte haarverlengsels, die tot op de schouders reiken en op die hoogte recht worden afgeknipt. Hij heet nu Ivokravid, er zit iets Egyptisch in zijn verschijning.
Hij blijft wokravid ongeveer tot zijn zestiende jaar, dan wordt hij ewati. Dat is ook voor de meisjes de tijd om tot de hoogere klas der huwbare meisjes over te gaan, om iwag te worden.
De ewati en de iwag zijn de glorie van het dorp. Zij blijven het jaren en jaren. De meeste ewatis hadden al een baardje als ze trouwden.
De huwbare meisjes zien er in het algemeen weldoorvoed, uit en zijn evenals de ewati overdadig opgeschilderd en versierd.
Allen dragen een bundel oorringen van kasuarispennen. Reeds in den kindertijd worden de oorlellen doorboord. Ik heb kinderen gezien, die eene maand na het oor-doorboren, cylindertjes in de oorlellen droegen van 6 cm. doorsnee. Hoe langer hoe meer rekken ze uit, soms scheuren ze.
Vóór ze trouwen krijgen de iwag de garev of tatoeage op borst en buik, op dijen en bovenarmen. Een pijnlijke operatie: de bloedende wondjes worden met zwartsel ingewreven, want de gesneden huid moet, vooreerst open blijven. Om schoon te zijn moet de tatoeage dik en blinkend zijn, daarom mogen de wondjes slechts langzaam genezen.

Schilderij van een Marind-anim jongeling van de klasse der Ewati. Petrus Vertenten Okaba 28-01-1914

Schilderij van twee Ewatis - Petrus Vertenten 18-12-1922

Als ze ewati worden, krijgen de jongelingen een breede schelp, aan een beugel van rotan bevestigd, die om het onderlijf gedragen wordt.
De ewatis zijn in hun glorie- of dandytijd. Heele dagen zijn ze bezig met hun toilet, worden bewonderd en befloten. (Zacht fluiten, met het hoofd een beetje schuin, is hier de uiting van bewondering en sympathie.)
Een ewati heeft steeds zijn spiegeltje bij zich. Hij is een levend schilderij. Meer dan eens heb ik er betrapt, die tegen hun eigen beeld in den spiegel zaten te fluiten van louter tevredenheid.
De ewati draagt knots, boog en pijlen. Hij is een weerbaar man. Op jacht en in den strijd staan zij in de voorlinie.
De bekroning van den ewati zijn de pluimen die boven zijn hoofd dansen. De staartpennen van de Bobodiduif zijn zeer gezocht : blank, met crême-gele schacht en zwart-getopt. Hoe een opgesierd man er uitziet, hebben we reeds beschreven.
De jonggehuwde vrouw draagt de haarverlengsels in vele bundeltjes gebonden. Naar gelang de menschen ouder worden, wordt hun opschik bescheidener. Ook de jonge vrouwen en mannen dragen nu en dan eenvoudiger kapsel.
Als de ewati gaat trouwen, doet hij een tijdje te voren zijne intrede in het dorp als mea1im, dat eenigszins beantwoordt aan ons woord bruidegom. Men maakt den segos of breeden buikband voor hem gereed, die moet nauw sluitend over de beenen heen. Met veel olie en vereenigde krachten spelen de mannen dat klaar. Het is een pijnlijke operatie.
Als jongelingen en jongemannen ten dans gaan, als hun kleurrijke profielen zich afteekenen tegen de zee in de rood-gouden atmospheer der ondergaande zon, als al hun pluimen en vederen trillen in den avondwind op het ritme van hun veerkrachtigen gang, dan zien de menschen toe met blijd-schap om zooveel schoonheid, lam schoonheid, de schoonheid van Marind. « Zie, Toean, zóó is onze opschik ! »

Portret van de oude Marind-man Kenda - tekening Petrus Vertenten 1915 NMVW CC-BY-SA TM-5969-28

Oude menschen dragen weinig of geen versierselen meer. Dat is ook veel gemakkelijker.
De krachtige ouderling, man van veel ondervinding, patriarch der familie, draagt den eeretitel van samb-anem : groote man. Hij is zeer van tel. De ouden worden veel geraadpleegd, zij geven den doorslag in de vergadering der mannen. Op sneltocht waren zij het meestal, die de slachtoffers onthalsden. Onder die ouden vindt men schoone, eerbiedwaardige koppen (zie teekening van Kenda, Plaat VIII).
Menschen die heel oud worden, « overrijp », hebben in deze maatschappij geen waarde. Die zijn maar tot last. Men noemt ze sukkels, doom-agi : dingen van geener waarde, « gescheurde cocosschalen », alleen nog maar goed om weggesmeten te worden.

Petrus Vertenten (M.S.C.) 1935 'Koppensnellers' pp 10-12 en 16-20 (spelling enigszins aangepast)

Marind-anim ca 1915. Collectie Ferguson Marind-anim afdrukken 001

 

De Marind man is een indrukwekkende verschijning. Groot en krachtig gebouwd, ziet hij er, met de varkensslagtand door het septum van het neusbeen, zijn talloze
versieringen, de grote verenkrans op het hoofd, met zijn grillige rood en gele gelaatsbeschildering en de lange biezen haarverlengsels vervaarlijk uit. Kettingen met kralen van vruchtenzaden, rotanbanden om armen en benen, waaraan gedroogde varkensblazen (edit: scrotums) bevestigd zijn, een nauw sluitende gordel, een schaamschelp en een staart van biezen completeren het grillig geheel van zijn toilet.

J. van Baal, '36 Jaren', pp. 311-315 geciteerd in Boelaars 1992 p. 161

Marind-anim ca 1915. Collectie Ferguson Marind-anim afdrukken 003

Marind-anim ca 1915. Collectie Ferguson Marind-anim afdrukken 016

Portret van Moemoe - Petrus Vertenten 22-04-20

Anasei-Iga van Borem - Petrus Vertenten 6 mei 1920

Diverse vormen van opmaak bij de Marind vrouwen. AR-P027 10210 Doos 2.

Dode op zijn praalbed. Fotograaf H.Geurtjes. Afdrukken Merauke 006, collectie Piet van Mensvoort

Dode op zijn praalbed.

Bij deze opname van een Marindinees genaamd Mabol, schreef pater Henk Geurtjens in Onder de Kaja-kaja's van Zuid Nieuw Guinea de volgende tekst:

Wanneer voor u verrees de gestalte van Mabol, uit smedig brons getogen het lenige lijf; spieren en pezen sierlijk en veerkrachtig als bogen gespannen; op de stoere schouders den fieren kop met de groote oogen, waar bijwijlen de schichtige schittering der wilde natuur in gloort, dan overmeesterde u 't gevoel: indien de Marindinees verdierlijkt is, dan blijft hij toch altijd nog de koning der dieren.... Zijn kop leek op dien van den Sphynx, rondom geschraagd door de stijve kap van het met biezen tot stugge troedels aangevlochten haar. Zoo raadselachtig ook. Wat ging er om achter die oogen als gitten? Was het, opdat het gelaat geen enkele gedachte zou verraden, dat het immer vermomd was onder een masker van bont daarop geverfde arabesken, telkens tot andere grillige snippers versneden, die het telkens opnieuw onkenbaar maakten? Dreigend als slagtanden krulden paarlemoeren sikkels uit het neus-schot omhoog. De blinkende spangen van varkenstanden om de bovenarmen, de krans van hondentanden over de borst, de steenen knots aan zijn bandelier, de boog en pijlen in de vuist, het getuigde allemaal van onversaagdheid en ongetemde kracht van den wildeman. En toch zoudt ge hem hebben durven streelen; want die wilde woestheid werd getemperd door vroolijk zwiepende veeren op den stuggen kop; een blije glinstering van schelpen en kralen zich kransend om den stoeren nek; om de bovenarmen een kleurige praal van bloemen en siertakjes, die daar schaterden als een spotlach om 't vreeselijk vertoon. Een mengeling van wilde woestheid en kinderlijke blijmoedigheid. Een poes, die onder het fluweelige streelende pootje de klauwende nagels gereed houdt; die aaiend kopjes geeft, terwijl open blijheid straalt uit haar oogjes, waaruit een oogenblik later de gloed kan flikkeren van dierlijke wreede lusten als ze speuren naar een prooi. Hij was de noh-anem, de jongeman, die pralend in zijn tooi, de trots was van 't heele dorp, van zichzelf op de eerste plaats. Op een vleiend woord over zijn fraaien opschik reageerde hij als een ros op het prijzend klappen op den slanken nek. Nohan mahi ka! dat is onze pronk! pochte hij dan in dwaze verwaandheid. Met welbehagen snoof hij op den lof, die tot hem opsteeg en genoot hij de stille bewondering, die hij wekte bij vrouwen en meisjes. Maar het priemde hem als bloedige stekels in 't hart, dat de ouden wrevelig de misnoegde koppen hadden geschud. Want hem ziende droomden zij van een glorie, die vergaan was voor altijd. Hem zal de roem niet kronen, welke de helden omstraalde, die met rijken koppenbuit beladen, keerden van avontuurlijke sneltochten in 't verre binnenland. Hem zal niet omgeven het waas van ontzag door de geheimzinnigheid geweven der verborgen inwijdingsfeesten van Imo- of Majo-genootschappen, die door hun sombere, zwaarwichtige geheimdoenerijen angstwekkend waren als de donkerten van den nacht. Hij zal niet de bewondering wekken der van heinde en verre toegestroomde menigte, als hij bij de groote déma-feesten in zijn fantastische vermomming de legenden en sagen uitbeeldt der voorvaderen.... De Marindineesche wildeman werd gevangen en tam gemaakt door de blanken, die met hun „vuurboot" opdoken uit de verre diepten der zee. Maar toch, zooals hij daar gaat, wekt hij schoone sluimerende herinneringen wakker en ook in schoone herinneringen schuilt vreugde.
Mabol werd plotseling ziek, zwaar ziek. Daar lag hij voor de hut, met wijd uitgestrekte ledematen het lijf vastklemmend tegen den grond, om afkoeling te zoeken tegen het koortsvuur, dat gloeide door zijn aderen. In stomme vertwijfeling zaten eenige ouden naast hem neergehurkt; in somber zwijgen verkroppend hun machteloosheid tegen den onzichtbaren vijand, die daar onder hun oogen dat leven, waar heel hun hart aan hing, lag dood te martelen. Zelfs de kunde der toovenaars was te kort geschoten. Tevergeefs hadden ze 't doorkrankte lichaam met heetgeroosterde bladeren gewreven; bespuwd met gemberkauwsel; de met klapperolie gesmeerde vingers hadden den buik gemasseerd en geknepen, als zochten zij 't euvel te achterhalen tot in de diepste holten der ingewanden, dat de zieke kronkelde als een worm onder de als tangen knellende knokkels; tevergeefs, alles tevergeefs.

Onder de Kaja-kaja's van Zuid Nieuw Guinea, pag. 89/90:

 

Rouwende Marind Papoeas rondom een overleden persoon kampong Sarote. NMVW CC-BY-SA TM-10006562 

Groepsportret met rouwende Yey Papoea vrouwen 1912-1915 glasnegatief CC-BY-SA TM-10009065 NMVW

Twee rouwende Yei vrouwen 1912-1915 glasnegatief CC-BY-SA TM-10008581 NMVW

De Dema-traditie bij de Marind-Anim (zuidkust van het huidige Papoea, rond Merauke) was een van de meest complexe en ritueel beladen religieuze systemen van Nieuw-Guinea. In de vroegere jaren, vóór intensieve missionering en koloniale invloed (eind 19e – begin 20e eeuw), vormde zij het hart van het wereldbeeld, de sociale orde en de relatie met natuur en voorouders. 

De Dema waren mythische oerwezens: geen goden in westerse zin, maar half-menselijke, half-kosmische entiteiten die in de oertijd over de aarde trokken. Tijdens hun omzwervingen schiepen zij landschappen (rivieren, moerassen, kustlijnen), veranderden zij zichzelf in planten, dieren of natuurlijke verschijnselen, en legden zij de basis voor clans, rituelen en seksuele ordening.

Elke Dema liet sporen achter in de wereld; die sporen waren heilig en werden in mythen en rituelen voortdurend opnieuw “geactiveerd”.

Identiteit was bij de Marind-Anim diep verbonden met de Dema. Clans ontleenden hun naam, oorsprong en rituele plichten aan een specifieke Dema. Leden van een clan mochten bij de scheppingsceremonies alleen de eigen clan-dema uitbeelden. Omdat in de scheppingsverhalen veel dema’s voorkomen, moesten de verschillende clans, met elk hun eigen dema, met elkaar samenwerken. De scheppingsceremonies zijn op die manier erg belangrijk voor het onderhouden van betrekkingen tussen de verschillende clans en voor ieder clanlid als individu, zijnde drager van Dema-kracht.

Het Dema-geloof werd tot uitdrukking gebracht en extatisch beleefd in grote, collectieve rituelen met enorme, vaak angstaanjagende maskers en lichaamsbeschilderingen, gemaakt van bast, veren, klei en schelpen waarin Dema letterlijk werden belichaamd. Men herleefde de schepping waardoor de wereld “werkend” en in balans bleef. Seksualiteit, voortplanting en verwantschap waren kosmisch verankerd: voortplanting werd gezien als een herhaling van Dema-handelingen.

Een aspect dat later veel aandacht kreeg, was het verband tussen de Dema-traditie en ritueel koppensnellen. Het nemen van een hoofd werd gezien als het vrijmaken van levensenergie nodig voor vruchtbaarheid, groei van gewassen en kosmisch evenwicht. Geen oorlogshandeling, maar een ritueel-religieuze daad, ingebed in de Dema-mythologie.

De Dema-traditie was in essentie een kosmologie (verklaring van wereld en natuur), een sociale ordening, en een ritueel systeem waarin mens, voorouder en landschap één geheel vormden.

 

Verdwijning en betekenis

Vanaf ca. 1910–1930 werd de Dema-traditie sterk onderdrukt door missionering, koloniale verboden op rituelen en koppensnellen, en latere modernisering.

Veel kennis verdween of werd verborgen, maar diverse elementen leven voort in verhalen, symboliek en kunst.

 

Opgehaalde koppen. AR-P027 10210 Doos 3 

Kaja-Kaja's (oude benaming voor de Marind-anim) met door de patrouille opgehaalde gesnelde koppen uit de Boven Koembé en Bian Rivier  (12 September - 10 Oktober 1919). Utrechts Archief Publiek Domein

Tekening met beschrijving van de preparatie van een gesnelde schedel. Petrus Vertenten..

 

De gesnelde koppen worden aan den neus opgehangen. De tekeningen tonen de preparatie van de schedels. Het rotan reepje dat de neusvorm bewaart, wordt vantgebonden aan de neuswortel. Daarboven splitst het zich in drie. Rechts en links wotrdt het vastgemaakt aan het wangbeen. Het midden-reepje gaat over de schedel. De twee uiteinden worden bij 'A' vastgebonden. De bedoeling is: vorm te geven aan de kop en het scheuren van de skalp te voorkomen. (De koppen wotrden eetrst geskulpeerd en ontvleesd).

Gesneld hoofd aan den neus opgehangen. Tekening Petrus Vertenten.

Marind-anim ca 1915. Collectie Ferguson Marind-anim 029

Ceremonie rond een sneltocht. AR-P027 10210

Ceremonie op het strand waarbij een sneltocht wordt uitgebeeld 1910-1930 NMVW CC-BY-SA TM-FV-1371-26

Petrus Vertenten met Marind man. AR-P027 10210 Doos 1  

Portret van Manau. Okaba 6-1-1915 olieverf Petrus Vertenten

Nederlandsch Indie oud en nieuw - September 1933 P Vertenten De deema s deema-geloof en deema-dienst in Zuid-Nieuw-Guinea p 333

Figuranten van de deema's - Photo P. Wirz

 

DE DEEMA'S, DEEMA-GELOOF EN DEEMA-DIENST IN ZUID-NIEUW-GUINEA
door
P. VERTENTEN M. S. C.
Met teekeningen van den schrijver


DE godsdienst der Marind-Anim is een soort polytheïsme of veelgodendom: Zij gelooven aan de Deema's, de geesten, niet te verwarren met de zielen der afgestorvenen. De deema's zijn de wondere bovennatuurlijke geestelijke machten, die in hunne verbeelding de grilligste, de meest fantastische vormen aannemen, machten, die werkten en nog steeds werken in de natuur. Het zijn persoonlijke krachten: elk heeft zijn eigen naam en geschiedenis, zijn bepaald terrein en bepaalde functie. Hemel en aarde zijn vol van de deema's, zij zijn legio.

P. 335

„Mandin” -- vroeger, in den oertijd, stonden de menschen dichter bij de deema's en deelden nog in hunne kracht. Waren zij niet uit de deema's ontstaan, zooals trouwens heel de schepping ? Den eenen waren God kenden deze menschen niet. De deema's zijn de oplossing van de grootste natuurgeheimen, de oplossing van het wereldraadsel.

Heel de wereld, met al wat er bloeit, leeft en roert, zon, maan en sterren, is door de werking der deema's of hunne gedaanteverwisseling ontstaan. Zij plantten stokken en het werden boomen. De meeste planten en dieren, ook de menschen, zijn uit metamorphose of gedaante-verwisseling voortgekomen; kokos- en sago-palmen, bamboe en rotan (Spaansch riet), alles. De zee is een deema, zijn gewone naam is Etob, zijn legendarische naam is Joolma.

In den oertijd stond er een wondergroote boom aan het strand tusschen Ongari en Domandee. Hij hing vol visschen van allerlei soort en vorm. De deema's kapten hem om maar alvorens te vallen, wankelde de boom, hij sloeg heen en weer. De visschen, die op het land vielen, zijn de zoetwatervisschen en die in het water vielen, werden opgenomen door Joolma en zijn de visschen der zee. De beeldspraak dezer primitieven wordt soms van een bijbelsche grootheid in hunne oude legenden.

Zoo herinner ik mij, dat een der mannen van Okaba na een lang verblijf in de binnenlanden aan zee terugkwam. Zijn hart was gelukkig het strand terug te zien. Met oogen groot van bewondering en blijdschap keek hij naar het groote wijde water, dat daar blinkend te deinen lag in de morgenzon. „Doev ah ooh !" riep hij, „Joolma, deeseezib ajoewah!": „O heerlijk zeestrand! Joolma, zoon van de diepte, wat zijt gij schoon!"

Met grooten eerbied en vrees spreekt men van de deema's, hun leven is van den deema-cultus doortrokken.

Die eeredienst is niet gegrondvest op de liefde, maar op den schrik. Het rijk der Deema's is het rijk van de vrees.

Die vrees drukt op heel het volk. Hij, die jaren onder de Kaja-Kaja's geleefd en ze begrepen heeft, weet, dat dit bijgeloof het groote ongeluk is van dit heidensche volk. Men moet de Deema's te vriend houden, ze goed stemmen en daarom alles stipt onderhouden wat zij hebben geleerd, de oude ceremonies eerbiedigen, de plaatsen, waar Deema's wonen, ontzien, daar mag geen hout of geen bamboe gekapt worden, op vele dier plaatsen mag men geen gerucht maken, de geheime sekten: Majo's, Imo's en Arapa moeten trouw hunne inwijdings- en andere

P. 337

plechtigheden houden op straffe van onvruchtbaarheid, onvruchtbaarheid van land en boomen, van menschen en dieren.

Iedere Kaja-Kaja heeft persoonlijk geheime krachtformules, korte imprecaties en bezweringen „Gamo-Meën", aanroepingen van Deema's, overgegaan van vader op kind, formules bij het planten van bananen en allerlei boomen, bij het planten van sago- en cocospalmen, bij het poten van inlandsche aardappelen, bij het uitkomen dier vruchten enz.

Men heeft formules om wonden te genezen, om regen te maken en regenwolken te verdrijven. Voor goede vischvangst, voorspoedige jacht, welgelukken van sneltochten, kortom voor al wat belang heeft zijn er Deema-Bombari's, plechtigheden ter eere dér Deema's.

Het meest gevreesd zijn de Tiek-Deema's, de Deema's, die de Tiek (de besmettelijke ziekten) op hunne rekening hebben.

Hoe afgelegen dit volk ook leefde, de besmettelijke ziekten vonden den weg ook naar Marind-land. De geschiedenis van groote besmettelijke ziekten leeft voort in den volksmond. Een vijftig jaar geleden moeten veel menschen door een besmettelijke ziekte gevallen zijn. Zoover we weten, waren pokken hier onbekend. Is het Cholera geweest ? Wij weten het niet.

Van de spaansche griep (eind 1918 begin '19) zei men, dat het de echte tiek was. Dien droeven tijd heb ik meegemaakt. Wij komen daar bij gelegenheid nog op terug. Ik heb toen met eigen oogen gezien, gehoord en gevoeld welk een radelooze schrik over een primitief volk komt bij besmettelijke ziekte. Toen heb ik beter begrepen het vele wat zij doen om de Tiek-Deema's tevreden te stellen en van hunne grenzen te verwijderen.

Vele en verscheiden zijn de Tiek-Bombari's, plechtigheden en bezweringen van de Deema's der besmettelijke ziekten.

Jaarlijks moeten de leden der geheimzinnige Imo-sekte samenkomen. Tiek-Deema man wahik, zij brengen den Tiek-Deema weg. Zij blijven dagen lang vergaderd en moeten een heel program afwerken, zij ontsteken ontzaglijke prairiebranden, die in de lucht cumulus- of stapelwolken vormen, die op uren afstand zichtbaar zijn. Zoo jagen zij den Tiek-Deema in eene bepaalde richting. Nachten achtereen wordt er gewaakt en de Gaga gezongen, de maat wordt geklopt (Nahek) met een kalkspaan op een kalebas. De Gaga is een soort litanie, op afstand klinkt het als psalmgezang. De voorzangers zingen de vele namen van de vreemde plaatsen en streken die ze kennen, de namen der dorpen, waar zij op sneltocht gingen, heel het vijandig gebied wordt bedacht; zoo leiden zij de aandacht af van eigen land, althans, dat meenen zij, daar moeten de Deema's heengaan. Om den Deema te voldoen, wordt soms een mensch geslacht.

P. 338

De deema-figurant draagt een groote, van het merg der sago vervaardigde vrucht van Areca op zijn rug. Photo P. Witz

De exploratie heeft indertijd de Imo's bij een dier plechtigheden overvallen en zij vonden de versche bloedige overblijfselen eener in stukken gesneden vrouw.

Soms vreesde men, dat de besmetting van den zeekant zou komen. Daarom wèrd b.v. een twintig jaar geleden in Sangasee nog een menschenoffer gebracht aan de zee.

In het geheim was daartoe een jongeling aangeduid. Hij werd kleurig opgeschilderd en zwaar versierd. Lange haarverlengsels werden hem aangevlochten. Al de Imo-leden kwamen naar het strand en trokken de vele prauwen in zee. Alles gebeurde in stilte en het was zeker een indrukwekkend schouwspel. Al de leden waren van het hoofd tot de voeten roetzwart beschilderd, alleen op het hoofd droegen zij drie bloedroode vlekken, ééne boven het voor-hoofd en ééne op elke slaap. Over borst en rug droegen zij kruisbanden van bleeke biezen met zwarte reepjes doorvlochten.

Ver in zee gekomen liet men den opgesierden jongeling alleen in Zijne prauw en deed ze kantelen. Hij werd Etob-Tamoe, een offer, letterlijk: het eten der zee. Al kon hij zwemmen, de zware haarverlengsels beletten hem het hoofd boven te houden en hij verdronk. Het lijk en de boot spoelden den volgenden morgen aan het eenzame strand tusschen Alakoe en Sangasee.

P. 339

De mannen van elk dorp hadden daarenboven hunne jaarlijksche Tiek-Bombari ceremonie tegen de besmettelijke ziekten: meestal in het begin van den regentijd. Des nachts flak-kerden dan, onder het bromzingen van den Gaga, groote bamboevuren. Telkens als een bamboe met geweldgen knal ontplofte, steeg er een huilend geluid op uit de menigte: „Waaaah!" om de Deema's te verjagen.

De dikke, half verkoolde en gebarsten bamboe's werden den volgenden dag kruiselings op alle groote wegen geplaatst, die naar het dorp leiden en ook op de voornaamste kruispunten der wegels.

Deema-geloof en toovenaarspraktijken zijn onafscheidelijk verbonden. De Messaav-Anim, die men gewoonlijk toovenaars noemt, maar die beter Deema-priesters zouden heeten, meenen bovennatuurlijke macht te hebben, macht, die komt van de Deema's en die zij bij hunne geheime inwijding ontvingen, macht om goed te doen, om te onttooveren en te genezen, maar ook macht ten kwade, macht om in het geheim en zelfs op grooten afstand menschen inwendig te verwonden en te doen sterven. Iedere Kaja-Kaja gelooft daar vast aan.

Ziekten komen dikwijls van de Deema's en worden verklaard als een soort bezetenheid. Men heeft dus Deema-bezweerders noodig om te genezen. Wij komen hierop nog terug.

Groote steenen en rotsen zijn in dit steen-arme land zeker woonplaatsen van Deema's of versteeningen dier wonderbare geesten. Fossielen zijn niets anders dan versteende Deema's. De toovenaars beweren de macht te hebben die steenen levend te doen worden en ze daarna door wrijving tusschen hunne handen — terug te doen keeren tot hun versteenden vorm. (In ons museum van Borgerhout bewaart men een fossiel-krab, die ik gevonden heb op het graf van een toovenaar uit Sarira).

Zoo zijn de gedachten der Marindineezen, dat is een groot stuk hunner levensbeschouwing. Die Deema's hebben verder — net als de goden bij de oude Grieken — allerlei menschelijke hoedanigheden en.... fouten, grove fouten. Zij zijn zelfs veel erger dan gewone schepselen op dit punt. Wat de Romeinen zegden van Jupiter, kan men op de meeste Deema's toe-passen: „Ouod licet Jovi, non licet bovi": „Wat Jupiter doen mag, is niet geoorloofd aan een os". Moreel verheffend is de invloed der Deema's allesbehalve.

Afgodsbeelden zijn hier onbekend. Wel maakte men bij sommige feestelijke gelegenheden, wanneer Deema-spelen werden opgevoerd, groote poppen, fantastisch opgesmukt, die Deema's moesten verbeelden en meer nog werden Deema's door figuranten voorgesteld, die hunne

 

P. 340

emblemen dragen en de bonte Deema-Mahi: Deema-opsmuk. Na het feest mochten de kinderen met die poppen en versierselen spelen.
Altaren zijn onbekend. Wel legde men soms vruchten op plaatsen waar een Deema zich volgens hen ophield.
Toen wij pas in Okaba waren, moest een man van dat dorp een jongen kangoeroe brengen naar den Kangoeroe-Deema van Wambi, want den laatsten tijd waren er weinig kangoeroe's op het jachtterrein en men wilde den Kangoeroe-Deema gunstig stemmen.
Tempels, zooals wij dat gewoonlijk verstaan, vond men hier niet.
Wel had men aparte hutten en vergaderplaatsen voor de samenkomsten van de leden der geheime sekten.
Toen wij in den beginne van God spraken — in eene natuurlijk nog onbeholpen taal meenden sommigen, dat wij de zon bedoelden, die alles ziet.
Van eene bijzondere zonsvereering hebben wij anders niets kunnen merken. Wel hebben wij vermeld, — bij de geschiedenis van Manengob — hoe haar man radeloos van droefheid, de zon bad hem zijne ontroofde vrouw terug te geven.
Al wat oud is, is voor hen eerbiedwaardig. In den oertijd was het wonderbare alledaagsch.
De voorvaderen, uit de Deenza's gesproten en gedeeltelijk weer tot Deema's herwonden, stonden voor geen moeilijkheden; zij gebruikten b.v. een sagostengel als springstok en kwamen vlugger vooruit dan de reus met de zevenmijlslaarzen uit het vertelsel van Klein Duimpje.
Al wat buitengewoon is, al het zonderlinge, alles wat treft door bijzonderen vorm, grootheid of kracht, doet hen onwillekeurig denken aan de Deema's.
De mannen van Okaba waren op jacht. Zij ontmoetten een reusachtig wild varken en niemand durfde er op te schieten, want het was zeker een Deema-varken ! De pijlen zouden er op afschampen om den schutter zelf te treffen!
Wil men een reiger schieten, een Ndiek en kijkt het dier u kalm aan zonder weg te vliegen, laat dan af, want het is zeker een Deeina-reiger. Wondt gij het dier in het hoofd, dan wondt gij den Deema in het hoofd, want het is zeker een Deema in vogelgedaante.

Toen de vliegmachine van Markies de Pinedo boven Sopadem kwam, vluchtten allen en verstopten zich. Toen het wondergevaarte voorbij was, vroeg men elkander : „Deema apo idi ?" - „Hebt gij den Deema gezien?".
De Deema's maken het den menschen zeer lastig, dat is zeker, maar het is een noodzakelijk kwaad.
Dat is echter nog niet alles : ook de zielen der afgestorvenen, de Heis, bezitten wondere machten en komen af en toe spoken!
Verschijnen zij soms niet in het dorp en in de hutten om de menschen den schrik op het lijf te jagen ? Fluiten zij des nachts niet in de holle bamboes der omheiningen ? Gieren zij niet in de stormluchten en houden zij geen bijeenkomsten boven de grasvlakten in den grilligen hemelbrand ?
Hebben zij geen omgang met de Rav-a-rav-rik : de wezens van boven, die kort en ineen-gedrongen zijn van gestalte en op de wolken zitten? Die bliksemen en donderen in de luchten, die vuur en rook slaan uit de kruinen der cocosboomen?

P. 341

En dan zijn daar nog de Nakari, een soort elfen. Zij behooren tot het gezelschap der Deemats. Kwaad doen zij niet, maar men heeft er toch een bijgeloovigen schrik voor. Des nachts spelen zij in de bosschen, vegen ze schoon en verdwijnen bij zonsopgang.
Hebben de toovenaars ze niet gezien heel vroeg in de morgenschemering in de van dauw druipende bosschen van Deema Brawa achter Imboeti? Zeer schoon zijn zij, zij hebben de gedaante van Iwag (huwbare meisjes), zijn bleekbruin van tint en dragen haarverlengsels, die bijna den grond raken.

Dema figuranten AR-P027 10210c. Fotograaf vermoedelijk Henri Nollen 1924-1932

Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg 33 1915 no 10 pag 148

MEWI-FEEST

Brief van den W.E. Pater P. Vertenten, missionaris te Okaba (N. N. Guinea)

Al jaren was er geen groot feest meer in Mewi ;na den welgelukten snel- tocht van twee jaar geleden zouden zij een „angei” geven waar heel de kust van spreken zou. De zeer bevriende dorpen Anasei en Bakor, waaraan vele mannen na den tocht een bezoek brachten, zouden komen, een maand vóór het feest reeds, om alles te helpen voorbereiden. In Bakor en Wendoe vertelde men den E. P. Viegen dat er in Jelmeimba een kolossaal groot feest zou zijn. (Jelmeimba is de naam van een stuk van Mewi, tevens de naam van een klein riviertje dat er in den regentijd het overtollige water wegvoert.) 
Maar in plaats van feest kwam er bestraffing : de treurige, in hunne oogen zoo roemrijke buit moest ingeleverd. Twee jaar ging er over heen, maar ’t Mewi-feest kwam toch, een varkens-feest zooals zij zeiden „Basik Art gei". 
Nóch Anasei nóch Bakor zijn gekomen naar het varkensfeest, niettegenstaande de herhaalde uitnoodiging. ’t Zou anders niet slecht geweest zijn voor de reputatie van Mewi, dat leelijk aan ’t uitsterven is, waar op slot van rekening nog slechts een veertig
flinke mannen en vrouwen zijn. Er zijn acht jongelieden en acht jonge dochters. De rest zijn kinderen en krukken. Bakor en Anasei zouden de kleinheid van Mewi geholpen en bedekt hebben. 
Waarom zij niet kwamen ? Omdat zij niet durfden: de regeerings-assistent had hen opgeroepen om te helpen aan het opwerpen van een weg naar Merauke, een voor de vreemdelingen noodzakelijk, voor de kajakaja’s zeer nuttig werk. En tweedens waren zij waarschijnlijk bang, omdat het feest niet heelemaal onschuldig was: dat veronderstel ik althans met reden.
Zóó stond Mewi alleen voor de voorbereiding, geen wonder dat het kwam van uitstel op uitstel. Een kaja-kaja is van huis-uit liever lui dan moe ; daarenboven werden zij den laatsten tijd wel eens opgeroepen tot kleine heerediensten, en dat was telkens eene streep' door de rekening. 
Maar ’t feest moest er komen. De weinige mannen kregen na héél langen tijd het feestterrein klaar; de vrouwen klopten sago en bleven aan ’t kloppen, want er moest eten zijn, zeer veel eten, anders is een kermis hier onmogelijk. Maar later, ’t washunernstig 

Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg 33 1915 no 10 pag 149

en hartgrondig gemeend, zouden ze nooit meer groot „angei” houden, ’t was voor ’t laatst, zóó beu waren zij dat lange vele werk. Toen het eindelijk naderen ging, kreeg de blijdschap de bovenhand. leder die nog fiksch genoeg was om met de mode mee te doen werd aangevlochten en bepluimd. Zij dropen van klapperolie en kauwden heele uitgehaalde cocosnoten vol, om zich met het feest nog eens extra te kunnen besproeien en inwrijven. 
Wat voor een feest zou het zijn? Ja: varkensfeest, ewati-feest, aanvlechtingsfeest, oor-doorboren-feest, wahoekli-feest, graf-feest... Feitelijk was het dat alles, maar bij en misschien wel bóven dat, was het ook feest om de elf koppen, die zij van hun beruchten sneltocht mee brachten. Zij hebben die wel moeten afgeven met de strafexpeditie, zoodat er veel aan’t feest onlbrak om tot zijn recht te komen, maar ik geloof dat zij die victorie, al was zij lang voorbij nog eens goed hebben gevierd en de andere dorpen met een goeden dunk van Mewi’s dapperheid zijn weggegaan. Arme sukkelaars ! 
Dat er zulke herinneringen aan verbonden waren zeiden zij natuurlijk niet, men had er ook geen enkel vast bewijs voor, volgens hen was het feest zeer onschuldig. 
Wat er van zij, men liet hen begaan, hunne straf kregen zij verleden jaar en sedert is niemand meer op sneltocht geweest; slechts oude herinneringen zouden zij kunnen ophalen. 
’t Was eene gelegenheid om onze Marind-anim weer beter te leeren kennen; niet dikwijls meer zal de gelegenheid zich voordoen zulk een feest bij te wonen vooral zoo dicht bij de deur. Daarom heb ik er van geprofiteerd en zal er u een en ander van vei tellen en teekenen. 

Dagen te voren was heel het dorpje naar Iboel geweest (een modderbosch bij de Koloirivier) om kapstokken te halen d. w. z. hard-houten mikken, waar de feestbezoekers hunne mandjes, kalkkokers, knotsen enz. zouden aanhangen. Ook korte dikke knuppels van rood hout brachten zij meê, aan ’t uiteinde omkranst met „meenga” (jong bleek klapperblad, nog niet ontvouwd) daarmee zouden op ’t feest de mannen de varkens doodslaan, ’t Leek wel een zegetocht toen zij hier voorbijkwamen. 
Zij spraken en dachten en droomden enkel en alleen nog van ’t groote feest; daar zou veel eten zijn, veel wati en veel dans. Heel de kust leefde dat al mee, overal waar men kwam was het steeds dezelfde vraag: „Mijnheer hoever zijn zij er al mee ? Is het „angei” nu al dicht bij ?” 
Vast en zeker zou het begin Juli plaats hebben, maar ’t werd Augustus. 
Hoe een feestterrein er uitziet, heb ik u reeds beschreven in een vorigen brief, hier waren twee feestterreinen, maar kleiner. Voor ons is het één groote rommelboel, waar

N. N. GUINTA : EEN „SOMB-ANEM” OF OROOTE HEER. (Teekening van Pater Vertenten. 

Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg 33 1915 no 10 pag 150

geen plaats is om te staan of te gaan zonder zich te stooten of vuil te maken. Een kajakaja houdt er andere begrippen op na. Leve de verf en de olie ! Verdord gras, verdroogde pisangbladeren en sierlakjes, dat is bij hem het „décor” van een feest. Hij weet dat er tusschen en onder dat alles veel goed eten steekt en hangt; bananen, sago, taro, aardappelen klein en groot, er zijn er bij van een halven meter lengte... en met de bundels „wati”, die ons onverschillig laten als pakken onkruid, zijn zij zoo blij als bij ons kermisgasten met een vat bier. 
Een der feestterreinen was grooter, ’t was het voornaamste; als men met bukken en wringen ongeschonden door de eerste hindernissen heen was, stond men op een vrij open terrein. 
De laatste dagen die ’t feest voorafgingen was er jacht, zóó wil de traditie, maar de jagers waren weinig talrijk, zij schoten slechts enkele kangoeroes. 
Aan die jacht is een eigenaardig gebruik verbonden. De eerste dagen worden de geschoten varkens en kangoeroes aanstonds gezuiverd en aangebraden. Den laatsten dag brengen zij den buit versch mee. ’sMorgens komt dan een man aan het strand, dien zij den „kandi-kandi-anem" noe men d. w. z. hij die versch brengt. Hij draagt een versch geschoten kangoeroe en gaat er mee langs het dorp. leder weet nu dat de mannen dien dag terug komen, dat het feest gaat beginnen. „Kandi-kandi anem mendap hoeê!” = de kandi kandi anem is naar ’t strand gekomen 1 Men gaat hem tegemoet, ieder mag een stuk van het meegebrachte wild afsnijden. Een boodschapper „oel-anem" wordt uitgestuurd om aan de andere dorpen te melden dat het feest begint. 
De mannen kwamen dan ook terug en er was ’s nachts groote „ngat-zü' = dans.
Zij zaten er niet erg overin dat de jagers niet veel wild geschoten hadden, er moesten nu nog geene groote sagokoeken gebakken worden en overmorgen zouden er varkens worden geslacht, veel varkens.

Overdag sliepen zij en in den namiddag kwam er veel volk uit den omtrek, dezen nacht toch zou er „zi' zijn, echte groote dans. Beschilderd, geolied, met trommen, pijlen en vruchten beladen, kwamen de kermisgasten aan, en nu leek het wel of Mewi in eens weer een groot bloeiend dorp was geworden. De zon stond nog boven de klapperbosschen, ’t zal ongeveer half vijf geweest zijn. Okaba liep heelemaal leeg. 
Toewan, zeiden ze, nü is er iets te doen ! ’t zal zeer schoon zijn. Diwa-hib komt. 
Wie is dat, Diwa-hib ? 
Wacht maar, ge zult het wel zien.

FIG. I. EÉN DER ZES FIGURANTEN. (VGL BRIEF ) (Teekening van Pater Vertenten.)

Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg 33 1915 no 10 pag 151

Diwa-hib aeeh! en schoon opgesierd als hij is! 
Oali, gaat ge ook naar Mewi ? Ja, Mijnheer, laten wij samen gaan. 
Wat is er dan toch allemaal te doen? O, de mannen zetten den grooten dans 
in en Diwa-hib komt. Dat is zoo ons gebruik, ge zult het wel zien. 
Ik ging naar ’t grootste feestterrein, waar het al zeer druk was. 
Mijnheer, daar zullen zij komen, daar moet gij gaan staan. 
Terwijl hij dat zeide knipte de oude een oogje tegen zijn buurman en glimlachend zegde hij: „hij zal ze teekenen, ge zult zien”. 
Achter het dorp, achter boomen en struiken hoorde ik gelach, ’t Waren de op zeer bijzondere wijze opgesierde mannen, die den dans zouden inzetten. Men riep al „komt dan toch, de zon gaat al onder!” maar als 
groote kinderen bleven zij lachen. Waarom ? wel enkel en alleen uit tevredenheid, uit zelfvoldaanheid, omdat zij zoo schoon opgesierd waren en ieder naar hen zien en hen bewonderen zou 
Eindelijk vermanden zij zich en met neergeslagen oogen, bedeesd en toch gelukkig, zeer ernstig nu zonder ook maar een zweem van een glimlach verschenen zij. Vlak boven het hoofd droegen zij een halvemaan-vormige figuur, gesneden uit het onderstuk van een sagobladstengel, bij den eenen was zerood en geel, bij een andere wit en rood, bij een derde enkel geel beschilderd. Op den rand staken er pluimen in, zooals fig. I zien laat. Die figuur was vastgemaakt aan een zwarte zwiepende lat, wel anderhalven meter lang, waar bovenop de fijn uitwaaiende vleugels staken van een paradijsvogel. Een stuk van de lat is op fig. I zichtbaar, dezwart-witte pluimen zijn geen echte maar gesneden uit „walol", zeer licht wit hout. 
De figuranten waren zes in getal. Zij sloegen de trom en neigden bij eiken slag met het bovenlijf. Zij kwamen op achter elkander, daarna gingen zij drie aan drie nu eens als in een draaimolen, dan weer op en neer. Nu moesten zij ook feitelijk den dans inzetten, maar het kwam er niet van, waarom weet ik niet. 
Ondertusschen verscheen ook Diwa-hib op het terrein. 
Diwa-hib draagt op het hoofd eene Bateende een klein schild geel geverfd met boven en in ’t midden een roode en zwarte streep (fig. II A.) Het hoofd gaat schuil onder casuaris- en paradijsvogelvederen. Onder de oksels draagt hij twee bogen gansch beplakt met de bloedroode vruchtjes der „samandir”-boon, hier en daar afgewisseld met witte „baba” (Coix.) Zóó zijn ook de randen belegd der geel beschilderde met vier slippen uitgesneden borsten zijplaten. Zij zijn gemaakt uit de platte en taaie onderstukken van sagobladstengels. Op den rug boven de haarverlengsels draagt hij van dezelfde stof en in denzelfden trant bewerkt eene andere versiering langer maar smaller. Van ’t zelfde maaksel zijn ook de bovenarmbanden. 
Achter op het hoofd ligt een onregelmatige drievork van licht hout, insgelijks geel beschilderd en boven belegd met „samatidir". De uitsteeksels bij de ooren (voor de duidelijkheid nog eens apart geteekend (zie B.), zijn eveneens van licht hout en ingelegd met dezelfde roode en witte pitjes. Inderdaad „Diwa-hib” ziet er kleurig en netjes uit. In elk zijner handen draagt hij een schoon beschilderde pijl, onder de oksels kleurige siertakken, frissche krotonbladeren 
tusschen de armbanden. Aan alle uiteinden van bogen en versiering hangen aaneengeregen „baba”-nootjes, waaronder bolletjes van grijs-bruin boombeervel zijn vastgeknoopt en witte pluimen geknipt en gebroken zooals de teekening zien laat. (fig- H C.) 
Diwa-hib draagt verder nog een lendenschort „moei”, uit roode en gele vezels en wit zwarte gevlochten touwtjes met schoon bewerkten buikband; onder de knieën draagt hij ’n kleine „moei” van hetzelfde maaksel, die de schenen bedekt. Boven het hoofd draagt hij een waaier van lange dunne palmbladnerven, beplakt met witte donsvedertjes. Een lange zwarte zwiepende lat, eindigend in een bolletje zwarte was, met drie witte pluimen bestoken, maakt het costuum compleet. (Wordt vervolgd.)

FIG. 11. DIWA HIB. (Teekeningv.P. Vertenten.) 

Dema Diwa Hib. Krijt en aquarel Petrus Vertenten

MEWI-FEEST.

Brief van den W.E. Pater P. Vertenten, missionaris te Okaba (N. N. Guinea).

(Slot.)

Het was dezen middag groote vruchten- JL} en vleeschbedeeling, heele vrachten droegen de menschen van Okaba naar huis en zij voelden zich rijker dan wie ter wereld. Hun glimlach zei u duidelijk: „Zóó feesten kunnen wij Marind-anim alleen!”

Zij waren werkelijk „zi-rik” vrij vertaald: bezeten door den dans. De mannen en ewati’s van Makalien stonden „zi” te houden in de klapperbosschen waar zij hun tijdelijk verblijf hadden opgeslagen. De zon was nog niet onder, toen zij met de trommen naar het strand trokken waar andere liefhebbers zich bij hen voegden. Zij raakten hoe langer hoe meer in vuur; de groep trok met vlugge passen en sprongen heen en weer. Links en rechts begeleidde hen het belangstellende vrouwvolk. Fakkels van dor palmblad werden aangestoken.

Toewan, zei Oebadem, ga uit den weg staan, want de vonken zullen er afvliegen!

Toen sloegen verschillende mannen hunne fakkels uit op elkanders hoofd en haarverlengsels. Links en rechts vlogen er door de

Fig. 111. HOEMOEM OF HOOFDVERSIERINO. (Vgl. brief.) (Teekening van Pater Vertenten.)

De op net hoofd rustende vogelfiguur vormt het middelstuk der versiering: dat middelstuk wss bij de verschillende feest-figuranten verschillend, ’t Zijn juist die figuren, welke achtereenvolgens verschijnen. In ’t midden der rechtopstaande lat bevindt zich de Sing-singi.

lucht, ’t Zijn de „geis a-geis” (mannen van denzelfden ouderdom) die elkaar aldus slaan; de omstanders en zij zelf lachen het uit van de pret.
Daarna gingen zij eten en wati drinken. Van nacht zou er weergroote „ngal zi” zijn en dan tegen het aanbreken van de schemering de „clou” van het feest: HOEMOEM DAPAP HOEHE, de hoemoem zullen komen ! De Ewati’s van Mewi, Alakoe, Okaba en Makalien zouden er aan meedoen.
Ik zette onzen wekker op half vier om er intijds te zijn.
’t Was pikdonker en er woei een sterke, voor deze menschen koude wind. De „ngat-zi” was in vollen gang. Toch vonden velen het te koud en waren bij vuurtjes achter de omheiningen bijeen gekropen. Er waren twee groepen dansers: Okaba, Makalien en Mewi eenerzijds, wat verder Sangasee. Als ze even rustten, beefden zij van kou, de rustpunten w’aren dan ook zeer kort. Toch zat er feeststemming in.*)
*) Die kou is zeer betrekkelijk, onze thermometer is nog nooit gedaald onder 21» C, maar de sterke wind koelt hunne naakte lichamen te snel af; achter de minste omheinirg voelen zij zich aanstonds behagelijk.

Binnen het omheinde feestterrein zaten oude mannen en vrouwen bij smeulende vuurtjes zeer ernstig te zingen; ’t was „jaloet” een zang zooals Majo’s en Imo’s die zingen den nacht vóór hunne rouwplechtigheid.
-Waarom is toch die „jaloet”, oudje ?
-Toewan, dat is zoo ons gebruik.
-Is het voor de afgestorvenen ?
-Neen, maar dat is zoo ons gebruik.
-Is het voor de varkens die geslacht zijn?
-Neen, maar ’t is zoo ons gebruik, zóó deden onze voorouders ook. De jonge mannen houden „ngat-zi”, wij, ouden, „jaloet”.
Jaloet komt meer te pas bij een feest, bij de voorbereiding : o.a. bij het ophangen der aardvruchten, bij het planten der lange bamboe’s, waaraan rijpe cocosnoten gehangen worden.
Later vernam ik van onzen buurman Bokè (letterlijk: vliegende hond) door hem uit te vragen niet over ’t Mewi-feest maar over vroegere feesten, dat er toen dikwijls feest was en veel grooter dan tegenwoordig, met veel, heel veel volk.
Of zij dan vroeger ook de koppen op het feestterrein hadden ?
Ja, heele trossen soms aan den beschilderden „koe i-a hat” sneltochtmik.
Hielden ze daar dan ook „jaloet” bij?
Ja, de „samb -anim” en de „mesiwag” hielden daar „jaloet” bij, zij gingen daarmee door terwijl de „ewati-s” met de hoemoem op het feestterrein defileerden.
Wij zullen dus hier in Mewi wel een

N -GUINEESCHE „KUNST”.

„SING-SINGI”, RAMMELAAR. Dit is een „Sing-singi” of rammelaar gemaakt uit bamboe. Hij is in’t midden doorboord om er de buigzame lat door te steken, waaraan hij heen en weer moet zwiepen. Binnen in zitten de harde vruchtjes dersamandir-boon. De meeste „hoemoem” hadden een sing-singi. Deze was rood en wit beschilderd, vooraan waren er zwarte vezels „hasindé” aangebonden. Na het feest speelden de „patoers” (jongens) met zulke rammelaars die zij zich zelf maakten.

„JOWI”, EEN STRANDVOGEL.
Dit is een strandvogel „JowP’ met lange pooten (die hier en bij alle beelden ontbreken), ’t Lijf en de vleugels waren gemaakt van reepjes merg uit sago-stengels. De Jowi was gansch met kalk ingewreven behalve de onderkant der vleugels,die roodgeverfd was. ’t Was wel een der minste praestaties, hoewel hij, overwuifd door den „hoemoem”, geen slecht figuur maakte.

Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg 33 no 12 15-06-1915

dergelijk ceremonieel gehad hebben, alleen de koppen ontbraken, of hadden zij er misschien een paar heimelijk bewaard of geleend van binnenlandsche tochtgenooten ?

En nu de „HOEMOEM”. ’t Is de naam eener groote hoofdversiering (’t woord wil ook zeggen lucht, bewolkte lucht, wolk). Zij bestaat uit een geraamte van klapperbladnerfjes in elkander gevlochten; die zijn wel een kleinen meter lang en bevestigd op eene buigzame lat van bamboe, die tot een halven cirkel gebogen wordt. In dien halven cirkel bevindt zich een uit licht hout gesneden of uit reepjes merg van sagostengel aaneengestoken beeld, een vogel, visch of een ander dier voorstellend. Elk neemt zijn eigen totem, d. w. z. een dier waarmee hij zich verwant acht. Beeld en „hoemoem” *) zijn met elkander verbonden door een lange zwiepende lat waarvan het ondereind dient om het sierstuk vast te maken. ( *) Alleen de waaier is de eigenlijke „hoemoem”, overdrachtelijk wordt heel de versiering zoo genoemd.) Het dier zelf rust op het hoofd van den drager. Is het van hout dan is het soms gedeeltelijk uitgehold om het lichter te maken. Boven op de lat steekt een droge bamboekoker met rammelende vruchtjes erin, soms steekt die rammel lager en eindigt de lat in een bolletje was met drie vederen bestoken.

Ik heb slechts één „hoemoem” volledig geteekend (fig. III), van de andere heb ik slechts de middenstukken genomen, die toch wel ’t voornaamste zijn. Ik zal bij elk beeld apart eene korte beschrijving geven. (Deze teekeningen zullen achtereenvolgens met verklarend onderschrift verschijnen. Red.)

Kunstig werk moet men bij deze menschen niet zoeken, toch is het niet van eene zekere vaardigheid ontbloot, ’t Moet ons eer verwonderen bij zulk primitief volk zoovele opmerkingsgave en begrip van proportie aan te treffen. Daarenboven zit er een zekere stijl in. Wij zouden nooit op het gedacht komen een vogel of ander dier aldus voor te stellen, te beschilderen en in te leggen met witte en roode vruchtpitten.

Toen de „hoemoem” op het strand verschenen, liep alles er heen, behalve de „jaloet-anim” en een gedeelte der dansers, die op hun post moesten blijven. Eerst kwamen Mewi, dan Alakoe, daarna Makalien en Okaba.

Zij waren in de wolken en ik hoorde een man, die zijn enthousiasme niet bedwingen kon, roepen : „Digoel anim a eeh !” Nu zijn de Digoel-menschen juist die waar zij de koppen halen. De vrouwen vermaanden aanstonds tot zwijgen, dat vernam ik later. Het feest was dus niet heelemaal

 

N.-GUINEESCHE „KUNST”.
Zie tekening
„KIDOEB”, AREND (A), „PAL-PALA”, EEND (B), „DA”, SAGO (C),

Van ’t zelfde maaksel, maar veel keuriger is de „Kidoeb” A. De arend van dien naam is wel de schoonste, die hier voorkomt. Hij heeft een witte borst. Als hij hoog aan den hemel zijne kringen weeft, ziet men zijne wit-zwarte vleugels prachtig tegen de lucht afsteken. Het oog is rood geverfd. De gebogen vleugels zijn met twee koordjes verbonden. B is eene eend „Palpala". ’t Is de bonte eend, die op ’t einde van den drogen en in ’t begin van den natten moesson zoo veelvuldig voorkomt; met honderden zoeken zij haar voedsel aan het zeestrand. Het beeld was meer dan levensgroot, wit-zwart en rood beschilderd, goed in proportie en houding, het zat op een britsje van sago-bladstengels en had links en rechts van zich een klomp licht hout. —C, wit en rood geschilderd; dat moesten 2 pakken sago verbeelden. 


Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg 33 no 12 15-06-1915

in orde. Toch is ook de civiel-gezaghebber bij donkeren avond er geweest met de politie, en niemand vluchtte. Dat zou weer voor onschuld pleiten.

’t Is in alle geval niet te verwonderen dat in die feeststemming de gedachte aan het succes van twee jaar geleden bovendreef, want al zal Mewi niet op sneltocht gaan, in hun hart kunnen zij nog niet verbranden, wat zij uiterlijk verzaken. Dat is eene kwestie van tijd, van genade, van ware beschaving, waaraan wij hier niet zonder succes arbeiden en die gij door gebed en aalmoes in de hand zult werken.

Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg. 33 no 12 15-06-1915

Dema optreden Marind-anim ca 1915. Afdrukken collectie Ferguson Marind-anim 034

Dema voorstelling te Wendoe / Wendu AR-P027

Dema voorstelling te Wendoe / Wendu AR-P027

Dema figuranten. AR-P027 10210 Doos 2 

Dema figuranten. AR-P027 10210 Doos 3

Dema uitvoering. NMVW CC-BY-SA RV-1999-550 (ingekleurd).

Marind acteurs bij een dema-optreden 1910-1939. NMVW CC-BY-SA TM10008199 (ingekleurd).

Dema figuranten met hagedis- of krokodil-dema ca 1915. Collectie Ferguson - Marind-anim 004

Man van de Marind-anim bevestigt een gari op een majo (mayo) plechtigheid te Koembe (Kumbe) 1908. AR-P027 10210 Doos 2 

Uit Pater en Papoea - Cornelissen 1966 p. 162:

Bij de processie te Boeti trachtte pater Petrus Vertenten 'al wat goed is en eigenaardig' aan de Marind-cultuur zoveel mogelijk mogelijk te behouden. Er waren mooie stoffen, kleurige vaandels en wimpels, maar wat overheerste waren de gari ( = schild) en de kandara ( = de Marind-trom). Een gari was een groot halve-cirkelvormig schild, dat soms een middellijn had van drie meter en dat de clou was bij de dema-feesten der Marind-anim." Bij die feesten werden oorsprongsmythen der papoea's van de Marind-bevolkingsgroep uitgebeeld. Bij de processie werden drie gari's meegedragen. Eén gari stelde de zon voor geschilderd in Marind-stijl. Op het tweede schild stonden de maan en de sterren afgebeeld. Boven de maan en de sterren stond in een blauwe lucht - bloedrood op een wit veld - het kruis, het symbool der christenen. Rood en wit waren twee veel gebruikte kleuren bij de Marind-kunst. Op de derde gari stond het hoofdvoedsel der Marind-anim: Een kokospalm, sago en een tros bananen. Vóór de tweede gari liepen zes jongemannen, elk met een met rood-wit beschilderde, palm-omkranste trom in de hand. De plechtige slag en het sonore geluid voldeden uitstekend. Bij de Sacramentsprocessie te Wendoe in 1926 werden dezelfde gari's als te Boeti gebruikt. De schilden werden meegedragen ter huldiging van 'den waren Schepper van Hemel en aarde en van al wat ze bevatten' 'op voor deze menschen begrijpelijke wijze.'


Literatuur: free download in pdf: DE MAJO-MYSTERIEN TER NIEUW-GUINEA'S ZUIDKUST. DOOR A. J. GOOSZEN : https://brill.com/downloadpdf/journals/bki/69/1/article-p366_17.xml

Een dema-figurant ( Dana-beboe Spin-dema ) met volgelingen ( Nakari ) tijdens een ceremonie op het strand. Foto A. van Hest MSC, 12-08-1927. NMVW CC-BY-SA TM-60045628 

Omschrijving van dit feest in de Almanak van O.L. Vrouw van het H. Hart 1929, pp 43-58. 'Op 12 Aug. 1927 is het te Wendoe (Z.N.-Guinea feest geweest. Omdat de lui al hun huizen plus een nieuwe Pasangrahan klaar hadden, gaf het Bestuur hun een van de oude Demafeesten: wat enkel bij uitzondering gebeurt, want in ‘t algemeen is ‘t verboden.

Voorschild gedragen door een ooievaardema-figurant. Vóór 1928. NMVW CC-BY-SA TM-526-8a 

Dema afbeelding in de vorm van een gestileerde krokodil. Vóór 1952. NMVW CC-BY-SA TM-2202-77 

Dema-afbeelding in de vorm van een vogel. Vóór 1928. NMVW CC-BY-SA TM-526-12 

Dema-afbeelding in de vorm van een kangoeroe. Vóór 1925. NMVW CC-BY-SA TM-260-2a 

Kostuum van een hommel-dema. Begin vorige eeuw. Collectie NMVW. Palmbladschede; bamboe; Paternosterboon (Abrus precarorius); jobstraan (Coix lacryma-jobi); veren, schelpdelen, krokodillentanden; plantaardige vezels; rode en gele oker. 

De dema-kostuums in de collectie van het Tropenmuseum waar bovenstaande voorbeelden deel van uitmaken zaten lange tijd in een kist op de museumzolder. Daar werd van aangenomen dat timmerlui hem hadden achtergelaten. Toen de kist eind vorige eeuw werd geopend kwamen deze voorwerpen tevoorschijn, badend in een bed van tienduizenden losgeraakte rode, witte en zwarte pitjes. Dema-pakken zijn nu eenmaal niet voor de eeuwigheid gemaakt: de losgekomen zaadjes waren geplakt met natuurlijke hars. Dankzij subsidies en een ploeg restauratoren maken de pitjes nu weer deel uit van de kostuums. Bron: NMWV

Dema figurant met op de foto rechts diens attribuut apart. AR-P027 10210 Doos 2

Majo novice - AR-P027 10210 Doos 3

Demavoorstelling met Kasuaris - AR-P027 10210 Doos 2

Kasuaris-dema. Paul Wirz 1916-1919. NMVW CC-BY-SA TM-10008167 

Dema figurant. Paul Wirz 1916-1919. NMVW CC-BY-SA TM-10008196

10210 Doos 2 - Marind-anim man poseert met dema-beeld bij de ingang van het majo-terrein te Koembe (Kumbe). Foto's A.J. Gooszen of een lid van zijn detachement, 1907-1910  AR-P027 10210 Doos 2 

Kapitein Antony Jan Gooszen was tussen juli 1907 en juli 1908 een commandanten van de militaire exploratiedetachementen die Nederlands-Nieuw-Guinea openlegden op gezag van gouverneur-generaal Van Heutsz.

Literatuur: pdf-pagina 419 ev (boekpagina 366 ev) Majo mysteriën ter Nieuw-Guinea's zuidkust, A.J. Gooszen 

De Imo, Kav en Uk.  Boelaars 1953 pag 65 en 66

IMO is een van de vele Déma figuren, zinnebeeldige voorstellingen van geesten. Bij de stam van de Marind-Anim wordt Imo voorgesteld door een grillig versierde pauw. Hij heeft twee ondergeschikte geesten naast zich Kav en Uk, welke als een krokodil en een vis worden afgebeeld. Onder leiding van Imo weet dit drietal ziekten, pijnen, koortsen, hoesten e.a. kwellingen te verdrijven. Maar zij doen dit eerst als de mensen gezamenlijk te hunner ere bepaalde geheime rituelen gevierd hebben.

Boelaars 1953 pag 54 e.v.

DE 'IMO' VAN SENEGI
In de hete namiddag wees een vrouw mij de weg naar de plaats achter de kampong Wajao, waar de mannen van Senegi de kleuren vernieuwden van drie grote déma-figuren, welke sinds enkele jaren in dit dorp bewaard gebleven waren.
De voornaamste van de drie stukken was een prauw van een drie en een halve meter lengte, rijk van kleur en tekening en zinvol van vorm. Wordt bij een gewone prauw gesproken van een kop en een staart, hier werd aan beide uiteinden in de gestileerde lijnen een versierd mensenhoofd aangebracht. Binnen- en buitenkant van dit vaartuigje waren met figuren beschilderd, welke lichaamsdelen van een mens moesten voorstellen. Prachtig was deze opsiering met opstaande goudgeel uitwaaierende paradijsvogelveren. Deze déma draagt de naam ,Imo'.

Van de beide andere snijwerken stelde de ene een krokodil voor met op zijn kop een achteroverliggend gewei van langgerekte wortelknollen en op het lichaam dunne sprieten, waar kleine vogeltjes op zijn neergestreken. Het beest heet 'Kav', de naam van de aardappelsoort, waarvan het de wortelknollen op de kop draagt. Het andere wezen gelijkt op een reuze vis met twee vervaarlijke slagtanden, die als brede in een punt uitlopende zwaarden langs de kop naar voren steken. De naam van deze déma luidt 'Uk'.

Boelaars 1953 pag 77

Ezam-uzum te Mandum en Keisa 1951 (pag. 56 e.v. Boelaars 1953 ). Foto-afdrukken Boelaars I AR-P027 20213 Serie BI-169/170/171

Door Jan Verschueren die in de jaren 40 diepgaand studie deed naar de cultuur van de Marind-anim wordt deze beschreven als als een gemeenschapsmens, die in zijn religieuze denken beheerst wordt door de vruchtbaarheidscultus en in zijn culturele uitingen blijk geeft van kunstzin en prachtlievendheid.
Dat alles maakt hem tot een totaal tevreden mens. Juist door die totale tevredenheid met zijn leven, is hij de joviale, vriendelijke, opgeruimde, open en eerlijke mens geworden die we langs de kust ontmoeten. Want, in zijn religieuze denken omtrent vruchtbaarheid van alle dingen en wezens, in zijn overtuigde houding dat alles gedijen en groeien zal onder de onfeilbare zegen van zijn grote rituelen, in die in zich optimistische houding van het eeuwig wordende en zich vernieuwende, waar de idee van dood en verderf slechts accidenteel en negatief een plaats heeft, in die zuiver positieve houding waarin de mensengemeenschap van heden nog steeds de glorieuze uitbloei en beleving vormt van de in legenden en mythen eens roemvol gestichte gewoonten, in de prachtige eenheid van zijn religieuze systeem dat hem de degeneratie van de zwarte en deprimerende magie op een gezonde manier bespaarde, moest de Marind wel een oeroptimist worden.

De Marind is een met zijn leven totaal tevreden mens, maar geen verzadigd mens.
Zijn tevredenheid met alles is louter resultaat van zijn alles overtreffende liefde voor zijn eigen cultuurbezit. Dat komt duidelijk genoeg naar voren in het meerwaardigheidscomplex dat hem in alles zo specifiek eigen is. Omdat hij dat als het grootste bereikbare goed beschouwt, kan hij voor geen enkele andere cultuurvorm, welke dan ook, enige appreciatie opbrengen die ze gelijk zou maken aan de zijne.
Vóór onze komst beschouwde hij zich ten opzichte van andere, hem bekende Papoea's absoluut als de meerdere niet alleen, maar als de enige echte: de ANEM-HA, de enige echte mens. En nu moge het zijn dat wij, vreemden, hem versteld hebben doen staan van vele dingen, met een onnavolgbare superioriteit heeft hij juist alleen van ons aangenomen wat hem wel van pas leek te komen, terwijl de rest hem volkomen koud heeft gelaten.

Boelaars 1997 p. 291

ONDER DE KAJA-KAJA'S VAN ZUID NIEUW GUINEA
DOOR H. GEURTJENS M.S.C

1933

NIEUW GUINEA UW MENSEN ZIJN WONDERBAAR- HET LEVEN DER PAPOEA'S IN ZUID NIEUW GUINEA.

Etnoloog Dr J. BOELAARS  1953

DEMA DESCRIPTION AND ANALYSIS OF MARIND-ANIM CULTURE (SOUTH NEW GUINEA) WITH THE COLLABORATION OF FATHER J. VERSCHUEREN Dr. J. VAN BAAL 1966

 

DE REDDER DER KAЈA-KAJA'S PATER PETRUS VERTENTEN

JORIS VLAMYNCK M.S.C. 1949

Overige beeldcollecties Papua Selatan:

ASMAT:

ASMAT / MAPPI:

ASMAT / MAPPI / DIGOEL: