Papua Selatan: Merauke
Bewerking kaart van auteur:Hddty, CC BY-SA 4.0 via Wikimedia Commons
De beschikbare beeldcollectie van het gebied dat onder het regentschap Merauke valt bestaat vrijwel uitsluitend uit historische foto’s van Marind-anim gemeenschappen die om die reden centraal zullen staan op deze pagina.
Daarmee is echter nadrukkelijk niet gezegd dat de Marind-anim het enige volk waren – of zijn – in het gebied dat tegenwoordig het regentschap Merauke vormt. Ook aan het begin van de twintigste eeuw, toen westerse bestuurders, missionarissen en onderzoekers zich hier vestigden, werd dit uitgestrekte landschap bewoond door meerdere inheemse volken, elk met een eigen taal, cultuur en relatie tot de omgeving.
Zoals op de kaart hierboven te zien is leefden naast de Marind-anim in deze regio onder meer de Kanum-anim en de Yei-anim.
Dat we ons hier primair tot de Marind-anim beperken, is dus het gevolg van de overgeleverde beeldbronnen, niet van een rangorde in historische of culturele betekenis. De andere volken maken niet minder deel uit van de bredere regionale geschiedenis van Zuid-Papoea en verdienen op zichzelf evenzeer aandacht.
Marind-anim mannen. Omgeving Merauke 1904. Utrechts Archief
Door Jan Verschueren die in de jaren 40 diepgaand studie deed naar de cultuur van de Marind-anim wordt deze beschreven als als een gemeenschapsmens, die in zijn religieuze denken beheerst wordt door de vruchtbaarheidscultus en in zijn culturele uitingen blijk geeft van kunstzin en prachtlievendheid.
Dat alles maakt hem tot een totaal tevreden mens. Juist door die totale tevredenheid met zijn leven, is hij de joviale, vriendelijke, opgeruimde, open en eerlijke mens geworden die we langs de kust ontmoeten. Want, in zijn religieuze denken omtrent vruchtbaarheid van alle dingen en wezens, in zijn overtuigde houding dat alles gedijen en groeien zal onder de onfeilbare zegen van zijn grote rituelen, in die in zich optimistische houding van het eeuwig wordende en zich vernieuwende, waar de idee van dood en verderf slechts accidenteel en negatief een plaats heeft, in die zuiver positieve houding waarin de mensengemeenschap van heden nog steeds de glorieuze uitbloei en beleving vormt van de in legenden en mythen eens roemvol gestichte gewoonten, in de prachtige eenheid van zijn religieuze systeem dat hem de degeneratie van de zwarte en deprimerende magie op een gezonde manier bespaarde, moest de Marind wel een oeroptimist worden.
De Marind is een met zijn leven totaal tevreden mens, maar geen verzadigd mens.
Zijn tevredenheid met alles is louter resultaat van zijn alles overtreffende liefde voor zijn eigen cultuurbezit. Dat komt duidelijk genoeg naar voren in het meerwaardigheidscomplex dat hem in alles zo specifiek eigen is. Omdat hij dat als het grootste bereikbare goed beschouwt, kan hij voor geen enkele andere cultuurvorm, welke dan ook, enige appreciatie opbrengen die ze gelijk zou maken aan de zijne.
Vóór onze komst beschouwde hij zich ten opzichte van andere, hem bekende Papoea's absoluut als de meerdere niet alleen, maar als de enige echte: de ANEM-HA, de enige echte mens. En nu moge het zijn dat wij, vreemden, hem versteld hebben doen staan van vele dingen, met een onnavolgbare superioriteit heeft hij juist alleen van ons aangenomen wat hem wel van pas leek te komen, terwijl de rest hem volkomen koud heeft gelaten.
Boelaars 1997 p. 291
Koninginnefeest april 1932 te Merauke. Mevrouw Fikkert met vrouw van Javaanse dokter 1932. D.H. Fikkert was tussen 1928 en 1933 hoofd onderafdeling Merauke. Foto N. Verhoeven MSC / J. Verschueren MSC, 1932. AR-P027 10210 Doos 2 blad 28 foto 3.
De Marind-anim (letterlijk: de echte mensen), door buitenstaanders vroeger vaak Kaja-kaja’s genoemd, bewonen het laagland rond Merauke, langs rivieren als de Bian, Maro en Kumbe.
Zij leefden traditioneel van jacht, visvangst en verzamelen, sterk verbonden met het moeras- en savannelandschap. De seizoenen en de natuurlijke cycli bepaalden hun bestaan.
Centraal in hun wereldbeeld stonden de Dema-voorouders: mythische wezens die het landschap, de dieren, planten en sociale orde hebben geschapen. Om deze kosmische orde in stand te houden onderhield men uitgebreide initiatieriten, vruchtbaarheidsrituelen en ceremoniële zang en dansrituelen die dagen tot weken konden duren,
De Marind-anim vormen een belangrijk voorbeeld van een Papoeavolk waarvan het rituele leven en de harmonie met de natuur ooit centraal stonden, maar die in korte tijd ingrijpend zijn geconfronteerd met fnuikende externe invloeden.
Pater Yernaux op bezoek. AR-P027 10210 Doos 1
Het begin van de twintigste eeuw betekende voor de Papoea-bevolking van Merauke een periode van ingrijpende ontwrichting. Door de introductie van westerse ziekten met soms catastrofale sterftecijfers, en door koloniaal en missionair beleid dat diep ingreep in sociale structuren, rituelen en leefwijzen, raakten veel gemeenschappen verzwakt en uiteengerukt. Ceremoniën die eeuwenlang verbindend en stabiliserend hadden gewerkt, konden niet langer worden uitgevoerd; sociale samenhang en moreel kwamen onder zware druk te staan.
Het is bewonderenswaardig en fascinerend dat de huidige Papoea-volkeren in het regentschap Merauke ondanks deze geschiedenis van verlies en demoralisering, hun identiteit zoals die nog in tal van culturele uitingen en belevingen voortleeft hebben weten te behouden en zijn blijven koesteren.
Op deze pagina wordt dus niet alleen een venster op een rijke voorouderlijke cultuur geboden maar op een geest en bezieling die de Papoea-gemeenschappen in het regentschap Merauke tot op de dag van vandaag zijn blijven inspireren.
Huizen van Marind Papoea's op het strand bij Merauke. G. M. (Gerard Martinus) Versteeg (Fotograaf) 1907-1910 NMVW CC-BY-SA TM-60014977
Gezinsleven en gezinswoning zijn in Marind-land onbekend. De mannen van één familiegroep slapen in één mannenhut, die tot twintig britsen telt, waaronder een vuurtje kan worden gestookt tegen de nachtkoude. Een lage opening, die 's nachts wordt versperd, doet dienst als deur en venster.
Vrouwen en kinderen slapen in de vrouwen hutten, die kleiner zijn dan die van de mannen.
De Marindinees houdt van openluchtleven. Achter de hutten, in de schaduw van de palmen, ligt de soso, een
zandig pleintje, waar de mannen een groot deel van de dag doden met praten, pruimen en slapen.
Een eind buiten het dorp ligt de gotade, het verblijf van de jongelingen, die er hun dagen in volledige afzondering doorbrengen.
's Avonds komen de jongelingen bij deemstering naar de mannenhutten om er te slapen en verdwijnen vóór dag en dauw naar de gotade. Wie er te weinig spoed bijzet, loopt gevaar een stompe pijl in de rug te krijgen.
Achter de duinenrij liggen de tuinen van de inlanders, waar op de vettige kleigrond sago, bananen, suikerriet, sirih-peper, jammen en andere vruchten worden gekweekt.
Verder op strekken de bossen zich uit en lopen naar het binnenland de onafzienbare steppen, het onmetelijk jachtgebied, waar wilde varkens en kangoeroes de jagers lokken.
Redder der Kaja-kaja's Petrus Vertenten p 33-34. Joris Vlamync 1949
Een Marind echtpaar voor een vrouwenhuis. NMVW CC-BY-SA TM-60015416
Mannenhuis Kumbe (Koembe) 1912-1915 NMWV CC-BY-SA TM-10008291
Marind gezelschap in feesthuis. Omgeving Merauke 1904.
Feesthuis te Sahamne Koembe (Kumbe) 1908. Opname gemaakt tijdens een expeditie in 1908 van de militaire exploratie van Nederlands Nieuw-Guinea
Marind Papoea's rondom een vuur. Foto J. M. Dumas 1908. TM-60015245 CC-BY-SA NMVW
Wati (Piper methysticum*) kauwen op het strand. Afdrukken collectie Piet van Mensvoort Merauke-084
*een tropische struik die vooral gekweekt wordt voor zijn wortels, waar de werkzame stoffen — kavalactonen — in zitten. Deze stoffen geven het kauwen op de wortel of de bladeren of een daaruit getrokken drank een kalmerende, ontspannende en soms licht euforische effecten
Sago (Metroxylon sagu) was en is de stapelvoedselbron van de Marind-anim, samen met kokosnoten, bananen, wilde palmen, en het vlees van jachtdieren zoals de kangoeroes/wallaby's, de kasuaris en de wilde varkens. Het is rijk aan koolhydraten en traditioneel essentieel voor overleving in het moerassige laagland van Merauke en de zuidelijke kust van Papoea.
Vooral vóór grootschalige koloniale inmenging had sago een centrale betekenis als levensmiddel, sociaal bindmiddel en economisch middel en werd het niet alleen gegeten, maar verwerkt in rituelen, ceremonies en culturele activiteiten.
Traditionele Marind-anim gemeenschappen kenden zorgsystemen voor sagobossen, zoals het periodiek sluiten van een sago-gebied (sasi of Sar), wat diende om de natuur te laten herstellen en sago-bossen duurzaam te beheren.
Sago kloppen Marind anim 1908 Afdrukken collectie Piet van Mensvoort Marind-89
Sagowinning. AR-P027-10210 Doos 3
Sagowinning. AR-P027-10210 Doos 3
In het vlakke, waterrijke landschap van Zuid-Papoea is visserij essentieel voor voedsel, ritme van het jaar en sociale organisatie.
De middelen of technieken waarvan men zich bediende waren:
-Visfuiken en vallen van rotan, hout en palmvezel
-Netten geknoopt van plantaardige vezels
-Speren en harpoenen voor vis in helder water
-Vergiftiging van water met plantaardige stoffen (bijv. fijngestampte wortels), dit verdoofde vis tijdelijk zonder het water blijvend te vervuilen.
Mannen zorgden voor de bouw van kano’s, het plaatsen van vallen, speervisserij, zeevisserij
De taak van de vrouwen was vooral het verzamelen van schelpdieren, vissen in ondiep water, verwerken en bereiden van de vangst.
Kinderen leerden spelenderwijs vis te vangen in kleine kreken
Marind vrouw bezig met vlechtwerk. Collectie Piet van Mensvoort afdrukken Merauke-017
Vissen in Okaba. AR-P027 10210 Doos 3
Vrouw met visfuik - Vrouw met lichaamsscarificatie - Yei vrouw met rouwkleed een bos brandhout dragend. AR-P027 10210 Doos 2
Afdrukken collectie Piet van Mensvoort Merauke-026
Vertenten vertelt:
De Marind-anim leven van de opbrengst van hun tuinen. Een goed tuinier is hier in tel. Spitten beschouwt de man als een van zijn grootste levensplichten. Doet hij dat goed, dan is hij de glorie van zijn vrouw en de blijdschap van zijn kinderen. Vooral in de tweede helft van de oostmoesson wordt de grond bewerkt.
In het regenseizoen kan men niets doen omdat de polders en moerassen dan onder water staan.
Als men een nieuwe tuin aanlegt, begint men eerst met het opwerpen van een korte dijk, een langwerpig vierkant. Door het uitgraven ontstaat daarrond een diepe gracht. In de regentijd ligt de dijk als een boot in het water en heet daarom ook "javoen" (prauw). Rond die eerste gracht maakt men nog een ringdijk die aan de buitenkant eveneens met een sloot wordt omgraven. Op die "prauw" plant men gewoonlijk wati, op de ringtuinen: bananen, suikerriet, sirih-peper (om te pruimen) yams, groenten, en later worden die ringtuinen de plaats voor sagoaanplant. Op de zijkant van de tuinen planten zij graag kleurige crotons, het oog
moet ook wat hebben. [...]
De sloten zijn de beste verwering tegen brandgevaar. In die sloten leeft veel zoetwatervis. Ik heb er gezien die brabbelden van de honderden vissen. Zij hebben veel soorten bananen; wij noteren negenenvijftig variëteiten. Zoals wij van de blos genieten van appels, zo geniet de Kajakaja van de blos van zijn bananen. Al zou de rest van de wereld hongersnood lijden, de Kajakaja zal er niet minder om eten. Sago is zijn hoofdvoedsel en die groeit altijd. Als een man sterft, dan zit de vrouw aan de voeten van het lijk, gans ingewreven met witte klei, ontdaan van elk sieraad, haar sagoklopper in de hand. Sterft een vrouw, dan staat naast haar lijk tegen de rugleuning haar sagoklopper. En zie de graven: die van de mannen herkent ge aan boog en pijlen in het zand geplant; boven die der vrouwen steekt haar trouwe sagoklopper. [...]
Alle bebouwbare gronden en tuinen zijn particulier eigendom. In grote lijnen zijn de gronden volgens de totemgroepen verdeeld. Men trouwt met scheiding van goederen, man en vrouw hebben ieder eigen kokospalm- en sagoplantages. Men maakt reeds tuinen voor de kinderen als deze nog klein zijn. Sterft een man, dan verdeelt zijn vrouw vaders eigendom onder de kinderen en neemt ook haar deel, zij zelf trekt de grenzen. Zijn er geen kinderen, dan gaat het meeste aan broer, zuster, van de man, maar de vrouw krijgt ook haar deel. Sterft een vrouw, dan komt haar eigendom aan de man, die het onder de kinderen verdeelt. Sterft een
ongehuwde, dan worden de tuinen onder de familie verdeeld. [...]
Wapens, sieraden, prauwen, trommen, het is alles particulier eigendom. Goederen van de gemeenschap zijn: de moerassen, het bos en de steppen, ook de zee en het zeestrand; elk dorp heeft zijn vaste strook aangewezen. [...]
Uit Boelaars 1992 pp 175-176
Marind hut bij een klappertuin met beeltenis van een overledene, rondom van kokosnoten voorzien. 1920-1930. NMVW CC-BY-SA TM-10008311
Marind-anim ca 1915. Collectie Ferguson Marind-anim afdrukken 001
De Marind man is een indrukwekkende verschijning. Groot en krachtig gebouwd, ziet hij er, met de varkensslagtand door het septum van het neusbeen, zijn talloze
versieringen, de grote verenkrans op het hoofd, met zijn grillige rood en gele gelaatsbeschildering en de lange biezen haarverlengsels vervaarlijk uit. Kettingen met kralen van vruchtenzaden, rotanbanden om armen en benen, waaraan gedroogde varkensblazen (edit: scrotums) bevestigd zijn, een nauw sluitende gordel, een schaamschelp en een staart van biezen completeren het grillig geheel van zijn toilet.
J. van Baal, '36 Jaren', pp. 311-315 geciteerd in Boelaars 1992 p. 161
Marind mannen. J.M. Dumas 1908 TM-ALB-0099-23 CC-BY-SA NMWV
(...) Heel het lijf van onder tot boven roetzwart ingewreven. Een breede, stroeve, steenrood geverfde buikband zit strak gespannen om het middel. Onder de knieën, rond enkels en polsen platte banden van dezelfde kleur ; om de bovenarmen spangen van ivoorkleurige varkensslagtanden of een bundel zwart-geoliede pezeriken. Op de borst kransen van kangoeroe- of hondentanden en daaronder een pak rood geverfde varkensstaarten ; rond den hals een vuistdikke bundel donkere kralen. Voorhoofd, slapen en ooren zijn roodgeverfd. De rest van het gezicht is blinkend zwart (gebrande kamiri-olie). In de doorboorde neusvleugels steken blanke krokodillentanden of slagtanden van een everzwijn, of nog : korte bamboebuisjes, meer dan een duim dik (ik heb er gezien van 4 cm. doorsnee). Soms wordt de bovenholte daarvan afgesloten met een bolletje zwarte was, waarin bloedroode vruchtpitjes gedrukt zijn en in het midden steekt de scherpe nagel van een roofvogel (Kidoeb). In de ooren hangen trossen van 10 tot 20 oorringen van zwarte kasuaris-pennen. Die doorboorde oorlellen hangen soms tot op de schouders af. Boven het voorhoofd een krans van breed-uitstaande kasuarisvederen en een andere van fijne, goudgele pluimen uit paradijsvogelflanken. Aan de haren is een bundel verlengsels gevlochten van palmblad, wel een honderd vlechtjes, alle .eindigend op een knoop, iets onder de schouderbladen.' Alles druipt van ranzige kokosolie.
De vrouwen zijn niet zoo bont opgesmukt, maar de haarverlengsels zijn langer, zij reiken tot aan de vouw van de knieën en zijn vervaardigd uit lenige schors (van moembre). Ook de vrouwen glimmen van olie en verf ; bij feesten druipt de zwarte olie uit de haarverlengsels. Maar beter dan een lange beschrijving zullen de foto's der verschillende leeftijdsklassen u een gedacht geven van den origineelen opsmuk der Marind-Anim. (...)
Diverse vormen van opmaak bij de Marind vrouwen. AR-P027 10210 Doos 2.
Diverse vormen van opmaak Marind vrouwen. AR-P027 10210 Doos 2
De vrouwen zijn niet zoo bont opgesmukt, maar de haarverlengsels zijn langer, zij reiken tot aan de vouw van de knieën en zijn vervaardigd uit lenige schors (van moembre). Ook de vrouwen glimmen van olie en verf ; bij feesten druipt de zwarte olie uit de haarverlengsels. Maar beter dan een lange beschrijving zullen de foto's der verschillende leeftijdsklassen u een gedacht geven van den origineelen opsmuk der Marind-Anim. (...)
Vrouwen en kinderen van de Marind. 197-3 Serie foto’s (7), ca. 1920 publiek domein Utrechts Archief
De (aanstaande) moeder legt allen opsmuk af. Zoolang de kraamtijd duurt moet zij zich onthouden van vleesch en visch, anders zou het kleintje wonden krijgen! Alleen sago, cocosnoot, groenten en vruchten mag ze eten.
Een kraamhuisje is streng-verboden toegang. Alleen moeders, tantes, de naaste volwassen vrouwelijke verwanten en de kleine broertjes of zusjes van de(n) jonggeborene mogen vrij uit en in loopen. Voor andere is de plaats onrein. Wie zich in de buurt waagt zal dikke beenen krijgen (Elefantiasis).
De kleine wordt dagelijks gewasschen en krijgt de eerste dagen al zonnebaden, die het fijne rozig-blanke huidje, waarmee hij geboren werd, rood stoven en doen afkrullen. Zij overdrijven niet : ik heb nooit gemerkt dat die kuur den kleine kwaad deed. Na eene goede week heeft de zon hem een gaar bronzen tintje gestoofd van blijvenden aard. Over het algemeen zien de jonge Kajakajatjes er gezond en mollig uit.
Men gaat vooral groot op een zoontje en vroeger — als een meisje al te onwelkom was -- werd het aanstonds na de geboorte ,door vader gewurgd.
Na ongeveer zes weken, het wordt ook wel eens twee maanden, laten man en vrouw zich nieuwe haarverlengsels aanvlechten, wrijven zich in met olie en verf en gaan met 'het wichtje naar eene nabije kreek of rivier, om zich en hun spruit rein te wasschen. Zij wrijven hun zwarte voeten en beenen in met klei, die spoedig opdroogt en het lijkt dan wel of ze bleekgrijze kousen aanhebben.
Ook het hoofdje van den kleine wordt met klei ingewreven. In 'het dorp staan vrienden en kennissen op hen te wachten ; vooral de vrouwen willen nu het schatje zien en be-knuffelen.
Zóó doet de kleine Kajakaja zijn « joyeuse entrée » in de Marindineesche maatschappij.
De jongetjes heeten Patoer, ongeveer tot hun 12e jaar en de meisjes Kivasom. Aan den hals dragen zij een krans van paarlemoerscherven gesneden uit de nautilusschelp, als ze loopen klinken die als muziek.
Allen dragen boven de polsen nauwsluitende mofjes, gevlochten uit reepjes van spaansch riet. Aan de bovenarmen dragen ze breede bandjes van hetzelfde fabrikaat. Daarin steken ze gaarne krotontakjes, fijngeurend kruid en soms heele ruikers van malsche, bleekblauwe of witte waterlelies met gouden hart.
De patoers dragen boog en pijlen. Zij schieten op allerlei klein wild, maar vooral schieten zij visch. Ze stappen in de aanrollende golven van de opkomende zee en schieten met veelpuntig-uitstaande pijlen in de kammen van de golven, als ze daarin een vluchtende bende Karamboevischjes zien.
De kivasom (meisjes) visschen met de kleine vischfuiken, die den vorm hebben van een omgekeerden trechter. Zij slaan daar visa mee in het ondiepe water. Een anderen keer trekken zij, twee aan twee, het groote ronde vischnet van moeder.
De kinderen kennen allerlei spelen en zooals overal bootsen ze gaarne groote menschen na.
Als ze grooter worden, krijgen de meisjes een fraai plat gevlochten bandje om de heupen en de zwarte lenige vezels Naoma, waarvan een dikke bundel langs vóór om dat bandje geslagen wordt, trekt men dan verder door en bevestigt hem van achter tot een kussentje.
De meisjes krijgen nu ook lange haarverlengsels, die tot op de kuiten afhangen. Dat staat zeer net. Aan die versiering danken zij haar naam van wahoeki (= de aangevlochtenen. Enkelv. wahoekoe.).
De jongen wordt nu aroi-patoer. Heel zijn lijf wordt met roet ingewreven, hij ziet er uit als een duivel. Het gezicht blinkt als een gepoetste laars van pajoem, de zwartglimmende olie, bereid uit kamirinoten.
Als kinderen speelden zij vroeger dagelijks in de zee. Dat gaat nu niet meer. De aroi-patoer en de wahoeki zijn dan ook alles behalve proper op hun lichaam. Vaak zit het vuil van oude verf en olie in korsten op de huid.
De jongelui mogen zelfs niet meer in het dorp verschijnen, zij mogen geene vrouwen meer zien, leven in de afzondering der jongelingen, de gotade. Die ligt een goed eindje achter het dorp, in het struikgewas verscholen. 's Nachts komen zij naar huis, als de duisternis is ingevallen en vóór dag en dauw moeten ze weer weg.
De ongehuwde meisjes worden streng bewaakt en geëerbiedigd. Na ongeveer één jaar krijgt de aroi-patoer korte haarverlengsels, die tot op de schouders reiken en op die hoogte recht worden afgeknipt. Hij heet nu Ivokravid, er zit iets Egyptisch in zijn verschijning.
Hij blijft wokravid ongeveer tot zijn zestiende jaar, dan wordt hij ewati. Dat is ook voor de meisjes de tijd om tot de hoogere klas der huwbare meisjes over te gaan, om iwag te worden.
De ewati en de iwag zijn de glorie van het dorp. Zij blijven het jaren en jaren. De meeste ewatis hadden al een baardje als ze trouwden.
De huwbare meisjes zien er in het algemeen weldoorvoed, uit en zijn evenals de ewati overdadig opgeschilderd en versierd.
Allen dragen een bundel oorringen van kasuarispennen. Reeds in den kindertijd worden de oorlellen doorboord. Ik heb kinderen gezien, die eene maand na het oor-doorboren, cylindertjes in de oorlellen droegen van 6 cm. doorsnee. Hoe langer hoe meer rekken ze uit, soms scheuren ze.
Vóór ze trouwen krijgen de iwag de garev of tatoeage op borst en buik, op dijen en bovenarmen. Een pijnlijke operatie: de bloedende wondjes worden met zwartsel ingewreven, want de gesneden huid moet, vooreerst open blijven. Om schoon te zijn moet de tatoeage dik en blinkend zijn, daarom mogen de wondjes slechts langzaam genezen.
Als ze ewati worden, krijgen de jongelingen een breede schelp, aan een beugel van rotan bevestigd, die om het onderlijf gedragen wordt.
De ewatis zijn in hun glorie- of dandytijd. Heele dagen zijn ze bezig met hun toilet, worden bewonderd en befloten. (Zacht fluiten, met het hoofd een beetje schuin, is hier de uiting van bewondering en sympathie.)
Een ewati heeft steeds zijn spiegeltje bij zich. Hij is een levend schilderij. Meer dan eens heb ik er betrapt, die tegen hun eigen beeld in den spiegel zaten te fluiten van louter tevredenheid.
De ewati draagt knots, boog en pijlen. Hij is een weerbaar man. Op jacht en in den strijd staan zij in de voorlinie.
De bekroning van den ewati zijn de pluimen die boven zijn hoofd dansen. De staartpennen van de Bobodiduif zijn zeer gezocht : blank, met crême-gele schacht en zwart-getopt. Hoe een opgesierd man er uitziet, hebben we reeds beschreven.
De jonggehuwde vrouw draagt de haarverlengsels in vele bundeltjes gebonden. Naar gelang de menschen ouder worden, wordt hun opschik bescheidener. Ook de jonge vrouwen en mannen dragen nu en dan eenvoudiger kapsel.
Als de ewati gaat trouwen, doet hij een tijdje te voren zijne intrede in het dorp als mea1im, dat eenigszins beantwoordt aan ons woord bruidegom. Men maakt den segos of breeden buikband voor hem gereed, die moet nauw sluitend over de beenen heen. Met veel olie en vereenigde krachten spelen de mannen dat klaar. Het is een pijnlijke operatie.
Als jongelingen en jongemannen ten dans gaan, als hun kleurrijke profielen zich afteekenen tegen de zee in de rood-gouden atmospheer der ondergaande zon, als al hun pluimen en vederen trillen in den avondwind op het ritme van hun veerkrachtigen gang, dan zien de menschen toe met blijd-schap om zooveel schoonheid, lam schoonheid, de schoonheid van Marind. « Zie, Toean, zóó is onze opschik ! »
Jarino - tekening Petrus Vertenten. Collectie afdrukken Piet van Mensvoort.
Oude menschen dragen weinig of geen versierselen meer. Dat is ook veel gemakkelijker.
De krachtige ouderling, man van veel ondervinding, patriarch der familie, draagt den eeretitel van samb-anem : groote man. Hij is zeer van tel. De ouden worden veel geraadpleegd, zij geven den doorslag in de vergadering der mannen. Op sneltocht waren zij het meestal, die de slachtoffers onthalsden. Onder die ouden vindt men schoone, eerbiedwaardige koppen (zie teekening van Kenda, Plaat VIII).
Menschen die heel oud worden, « overrijp », hebben in deze maatschappij geen waarde. Die zijn maar tot last. Men noemt ze sukkels, doom-agi : dingen van geener waarde, « gescheurde kokosschalen », alleen nog maar goed om weggesmeten te worden.
Petrus Vertenten (M.S.C.) 1935 'Koppensnellers' pp 10-12 en 16-20 (spelling enigszins aangepast)
Dode op zijn praalbed.
Bij deze opname van een Marindinees genaamd Mabol, schreef pater Henk Geurtjens in Onder de Kaja-kaja's van Zuid Nieuw Guinea de volgende tekst:
Wanneer voor u verrees de gestalte van Mabol, uit smedig brons getogen het lenige lijf; spieren en pezen sierlijk en veerkrachtig als bogen gespannen; op de stoere schouders den fieren kop met de groote oogen, waar bijwijlen de schichtige schittering der wilde natuur in gloort, dan overmeesterde u 't gevoel: indien de Marindinees verdierlijkt is, dan blijft hij toch altijd nog de koning der dieren.... Zijn kop leek op dien van den Sphynx, rondom geschraagd door de stijve kap van het met biezen tot stugge troedels aangevlochten haar. Zoo raadselachtig ook. Wat ging er om achter die oogen als gitten? Was het, opdat het gelaat geen enkele gedachte zou verraden, dat het immer vermomd was onder een masker van bont daarop geverfde arabesken, telkens tot andere grillige snippers versneden, die het telkens opnieuw onkenbaar maakten? Dreigend als slagtanden krulden paarlemoeren sikkels uit het neus-schot omhoog. De blinkende spangen van varkenstanden om de bovenarmen, de krans van hondentanden over de borst, de steenen knots aan zijn bandelier, de boog en pijlen in de vuist, het getuigde allemaal van onversaagdheid en ongetemde kracht van den wildeman. En toch zoudt ge hem hebben durven streelen; want die wilde woestheid werd getemperd door vroolijk zwiepende veeren op den stuggen kop; een blije glinstering van schelpen en kralen zich kransend om den stoeren nek; om de bovenarmen een kleurige praal van bloemen en siertakjes, die daar schaterden als een spotlach om 't vreeselijk vertoon. Een mengeling van wilde woestheid en kinderlijke blijmoedigheid. Een poes, die onder het fluweelige streelende pootje de klauwende nagels gereed houdt; die aaiend kopjes geeft, terwijl open blijheid straalt uit haar oogjes, waaruit een oogenblik later de gloed kan flikkeren van dierlijke wreede lusten als ze speuren naar een prooi. Hij was de noh-anem, de jongeman, die pralend in zijn tooi, de trots was van 't heele dorp, van zichzelf op de eerste plaats. Op een vleiend woord over zijn fraaien opschik reageerde hij als een ros op het prijzend klappen op den slanken nek. Nohan mahi ka! dat is onze pronk! pochte hij dan in dwaze verwaandheid. Met welbehagen snoof hij op den lof, die tot hem opsteeg en genoot hij de stille bewondering, die hij wekte bij vrouwen en meisjes. Maar het priemde hem als bloedige stekels in 't hart, dat de ouden wrevelig de misnoegde koppen hadden geschud. Want hem ziende droomden zij van een glorie, die vergaan was voor altijd. Hem zal de roem niet kronen, welke de helden omstraalde, die met rijken koppenbuit beladen, keerden van avontuurlijke sneltochten in 't verre binnenland. Hem zal niet omgeven het waas van ontzag door de geheimzinnigheid geweven der verborgen inwijdingsfeesten van Imo- of Majo-genootschappen, die door hun sombere, zwaarwichtige geheimdoenerijen angstwekkend waren als de donkerten van den nacht. Hij zal niet de bewondering wekken der van heinde en verre toegestroomde menigte, als hij bij de groote déma-feesten in zijn fantastische vermomming de legenden en sagen uitbeeldt der voorvaderen.... De Marindineesche wildeman werd gevangen en tam gemaakt door de blanken, die met hun „vuurboot" opdoken uit de verre diepten der zee. Maar toch, zooals hij daar gaat, wekt hij schoone sluimerende herinneringen wakker en ook in schoone herinneringen schuilt vreugde.
Mabol werd plotseling ziek, zwaar ziek. Daar lag hij voor de hut, met wijd uitgestrekte ledematen het lijf vastklemmend tegen den grond, om afkoeling te zoeken tegen het koortsvuur, dat gloeide door zijn aderen. In stomme vertwijfeling zaten eenige ouden naast hem neergehurkt; in somber zwijgen verkroppend hun machteloosheid tegen den onzichtbaren vijand, die daar onder hun oogen dat leven, waar heel hun hart aan hing, lag dood te martelen. Zelfs de kunde der toovenaars was te kort geschoten. Tevergeefs hadden ze 't doorkrankte lichaam met heetgeroosterde bladeren gewreven; bespuwd met gemberkauwsel; de met klapperolie gesmeerde vingers hadden den buik gemasseerd en geknepen, als zochten zij 't euvel te achterhalen tot in de diepste holten der ingewanden, dat de zieke kronkelde als een worm onder de als tangen knellende knokkels; tevergeefs, alles tevergeefs.
Onder de Kaja-kaja's van Zuid Nieuw Guinea, pag. 89/90:
Vertenten MSC, P., Vijftien jaar, p. 61:
De stervende wordt in half zittende, half liggende houding tegen een rugleuning van bamboevlechtwerk neergezet. Een groot stuk schors van de kajoepoetiboom wordt onder hem uitgespreid. Het onderlijf wordt met een oude, vettige mat bedekt, waarop allerlei vruchten, pisangs, siertakjes, pruimgerei worden gelegd. Soms al vóór de dood vlecht de vrouw mooie tressen in zijn haar. De mond wordt dichtgebonden, het gelaat wordt opgeschilderd met rode, zwarte of gele kleuren. Op het hoofd zelf worden de veren van paradijsvogels aangebracht. Naast en achter de dode liggen voorwerpen die hij gebruikte: zijn korfje, koker, toiletartikelen, wapens en jachtgerei.
Intussen praat zijn vrouw over de familieleden die moeten komen, over de sago die geklopt, de bananen die uitgedeeld en over het graf dat gegraven moet worden.
Ten teken van rouw hebben de familieleden alle haarverlengsels afgesneden, zich van alle versierselen ontdaan. Een paar biezen vlechtjes om de hals en in de oren, dat is alles. De vrouwen hebben het hele lichaam, de mannen alleen de armen met witte leem ingewreven. Het wachten is op verwanten, die nog aan zee zijn of van nabije dorpen moeten komen. De treurzang duurt en duurt. Intussen zitten de mannen op een afstand bijeen, de vrouwen bij de overledene, zij kouwen sirih en betel.
Boelaars 1992 pp 193-194
Begrafenis. Foto J. M. Dumas 1908. TM-60015406 CC-BY-SA NMVW
Groepsportret met rouwende Yei Papoea vrouwen 1912-1915 glasnegatief CC-BY-SA TM-10009065 NMVW
Twee rouwende Yei vrouwen 1912-1915 glasnegatief CC-BY-SA TM-10008581 NMVW
Marindinees met trom (kandara) voor een huis in een dorp. NMVW CC-BY-SA RV-A440-u-303 (ingekleurd). In de oude tijd was het zeker niet ongewoon en zelfs gebruikelijk dat de (ook tegenwoordig nog vervaardigde) kandara een manshoog formaat bezat.
Pater Henk Geurtjens over werkwijze waarmee de kandara vervaardigd werd:
Al vaak had ik me afgevraagd, op welke wijze deze menschen met hun eenvoudige middelen hun trommen vervaardigden en die zoo keurig zandloopervormig wisten uit te hollen. Langs de kust had ik geen gelegenheid dit te achterhalen, wijl trommen in 't binnenland gemaakt en naar de kust verhandeld worden. Daar kreeg ik dan ook de kans om deze techniek gade te slaan.
Van sommige boomsoorten is het hart het weekste deel. Deze worden voor het maken van trommen uitgekozen. Een stuk van den stam bekapt men eerst zoodat het reeds in 't ruwe den vorm van een trom vertoont. Het eene uiteinde holt. men een weinig uit en zet het aldus bewerkte stuk hout overeind met de uitholling aan den bovenkant. Het ondereind wordt een weinig in den grond gegraven, om het stevig vast te zetten. Dan wordt de uitholling vol water gegoten en dit water wordt steeds zorgvuldig bijgevuld. Door de inwerking van het water begint het hart al gauw te rotten. De daardoor zacht geworden deelen worden alvast in 't ruwe verwijderd. Wanneer aldus de holte tot ongeveer de helft van het stuk is ingerot, keert men het om en past aan den anderen kant dezelfde bewerking toe. Daarna kan men met een harden stok of een stuk bamboe het binnenste gedeelte of het hart geheel doorstooten en heeft men een pijp door de geheele lengte van het houtblok. Deze wordt vervolgens met vuur, dat met de blaaspijp geregeld wordt, verwijd en met schelpen en varkensslagtanden bijgeschaafd. Ook laat men in die holte enkele bamboegeledingen knallen. Indien men gave bamboegeledingen in 't vuur houdt, springen ze met een geweldigen knal open. Dit is hier bedoeld als sympathetische magie, om aan de trom in wording een forschen klank mee te deelen. Wanneer de vereischte inwendige holte verkregen is, wordt de trom verder met de disselbijl aan den buitenkant afgewerkt en het versierend snijwerk met varkensslag-tanden aangebracht.
Dema. Foto (afdruk) Arie Vriens MSC
De Dema-traditie bij de Marind-Anim (zuidkust van het huidige Papoea, rond Merauke) was een van de meest complexe en ritueel beladen religieuze systemen van Nieuw-Guinea. In de vroegere jaren, vóór intensieve missionering en koloniale invloed (eind 19e – begin 20e eeuw), vormde zij het hart van het wereldbeeld, de sociale orde en de relatie met natuur en voorouders.
De Dema waren mythische oerwezens: geen goden in westerse zin, maar half-menselijke, half-kosmische entiteiten die in de oertijd over de aarde trokken. Tijdens hun omzwervingen schiepen zij landschappen (rivieren, moerassen, kustlijnen), veranderden zij zichzelf in planten, dieren of natuurlijke verschijnselen, en legden zij de basis voor clans, rituelen en seksuele ordening.
Elke Dema liet sporen achter in de wereld; die sporen waren heilig en werden in mythen en rituelen voortdurend opnieuw “geactiveerd”.
Identiteit was bij de Marind-Anim diep verbonden met de Dema. Clans ontleenden hun naam, oorsprong en rituele plichten aan een specifieke Dema. Leden van een clan mochten bij de scheppingsceremonies alleen de eigen clan-dema uitbeelden. Omdat in de scheppingsverhalen veel dema’s voorkomen, moesten de verschillende clans, met elk hun eigen dema, met elkaar samenwerken. De scheppingsceremonies zijn op die manier erg belangrijk voor het onderhouden van betrekkingen tussen de verschillende clans en voor ieder clanlid als individu, zijnde drager van Dema-kracht.
Het Dema-geloof werd tot uitdrukking gebracht en extatisch beleefd in grote, collectieve rituelen met enorme, vaak angstaanjagende maskers en lichaamsbeschilderingen, gemaakt van bast, veren, klei en schelpen waarin Dema letterlijk werden belichaamd. Men herleefde de schepping waardoor de wereld “werkend” en in balans bleef. Seksualiteit, voortplanting en verwantschap waren kosmisch verankerd: voortplanting werd gezien als een herhaling van Dema-handelingen.
Een aspect dat later veel aandacht kreeg, was het verband tussen de Dema-traditie en ritueel koppensnellen. Het nemen van een hoofd werd gezien als het vrijmaken van levensenergie nodig voor vruchtbaarheid, groei van gewassen en kosmisch evenwicht. Geen oorlogshandeling, maar een ritueel-religieuze daad, ingebed in de Dema-mythologie.
De Dema-traditie was in essentie een kosmologie (verklaring van wereld en natuur), een sociale ordening, en een ritueel systeem waarin mens, voorouder en landschap één geheel vormden.
Verdwijning en betekenis
Vanaf ca. 1910–1930 werd de Dema-traditie sterk onderdrukt door missionering, koloniale verboden op rituelen en koppensnellen, en latere modernisering.
Veel kennis verdween of werd verborgen, maar diverse elementen leven voort in verhalen, symboliek en kunst.
Opgehaalde koppen. AR-P027 10210 Doos 3
Kaja-Kaja's (oude benaming voor de Marind-anim) met door de patrouille opgehaalde gesnelde koppen uit de Boven Koembé en Bian Rivier (12 September - 10 Oktober 1919). Utrechts Archief Publiek Domein
Tekening met beschrijving van de preparatie van een gesnelde schedel. Petrus Vertenten..
De gesnelde koppen worden aan den neus opgehangen. De tekeningen tonen de preparatie van de schedels. Het rotan reepje dat de neusvorm bewaart, wordt vantgebonden aan de neuswortel. Daarboven splitst het zich in drie. Rechts en links wotrdt het vastgemaakt aan het wangbeen. Het midden-reepje gaat over de schedel. De twee uiteinden worden bij 'A' vastgebonden. De bedoeling is: vorm te geven aan de kop en het scheuren van de skalp te voorkomen. (De koppen wotrden eetrst geskulpeerd en ontvleesd).
Marind-anim ca 1915. Collectie Ferguson Marind-anim 029
Ons Indisch Boekje 1940 - p 136-137
65. De betekenis van de deema's.
In de oertijd stond er een wondergrote boom aan het strand van Zuid-Nieuw-Guinea. Hij hing vol vis van allerlei vorm en grootte. Daar kwamen de dema's met hun stenen bijlen. Ze kapten in den stam. De boom begon te wankelen. Eindelijk viel hij om. Sommige vissen waren op het strand gevallen, andere in het water. De eersten werden zoetwater- , de laatste de zeevissen.
Die dema's zijn de bovennatuurlijke geestelijke machten , die in de verbeelding der Papoea's de meest fantastische vormen aannemen: machten, die werkten en nog werken in de natuur. Elke dema heeft zijn eigen naam, zijn bepaald terrein , zijn bepaalde functie. Hemel en aarde zijn vol van die dema's. Men moet ze tot vriend houden, goed stemmen, de plaatsen waar ze wonen, ontzien. Men mag er geen hout of bamboe kappen, niet luid roepen.
Geheime sekten moesten trouw haar inwijdings- en andere plechtigheden houden op straf van onvruchtbaarheid der akkers, vruchtboomen , mensen en dieren. Grootse feesten en plechtigheden gingen er mee gepaard. Die openbare samenkomsten waren een kermis van klank en kleur, vertellen de paters in hun boeken.
Bij de inwijdingsfeesten van de vroeger gevreesde geheime sekten werden bijvoorbeeld de oude mythen over het ontstaan der sagopalmen gespeeld. Elke boom , elke plant en elk dier heeft zijn eigen dema, voorgesteld door fantastisch versierde figuranten. Bij de voorstellingen sprak men niet of weinig. Wonderbare versierselen gaven duidelijk de aard van de geesten aan. De gezichten der spelers gaan vaak schuil achter een scherm van prachtige paradijsvogel- of kasuaris-veren. De voorstellingen, die de bewondering afdwingen van de weinige Europeanen, die ze hebben gezien, volgden elkaar met een verschil van twee à drie weken. De Papoea's koesterden ze als iets heiligs.
Er gingen gewoonten mee gepaard, die onmogelijk konden worden toegelaten. Ze demoraliseerden de mensen. Zending en bestuur moesten ingrijpen, hoe jammer beiden het ook vonden. De oude maatschappij is aan de kust verdwenen. De herinnering er aan leeft voort in de boeken van etnografen en paters.
Dema figuranten met rechts de duif-Dema. AR-P027 10210c. Fotograaf vermoedelijk Henri Nollen 1924-1932
De stam (Marind anim) is verdeeld in een aantal totemclans en subclans, waarvan het getal tot vier of vijf hoofdgroepen is samen te brengen, n.l. de Geb-zé met zon en klapper als hoofdtotem, de vogelgroep, de sagogroep en de groep van varken en krokodil die nu eens als één dan weer als twee onderscheiden supraclans dienen te worden
opgevat. In Sangasee uiteenvallend in twee exogame stamhelften, waarin de Gebzé met de vogelgroep een duidelijk met de bovenwereld geassocieerde superieure helft vormen en de sagogroep met die van varken en krokodil zijn verbonden met de onderwereld, de zee, het boze en de dood, staan de vier groepen ten oosten van de Bian geheel zelfstandig, terwijl ten westen van Sangasee varkens en krokodillenclan elk als één afzonderlijke clan fungeren. Als speciale kenmerken van de onderscheidene clans valt op te merken, dat de Geb-zé behalve met zon en klapper in het bijzonder met de totaliteit geassocieerd zijn en de vogelgroep met bovenwereld en zon. De sagogroep vertegenwoordigt het barend aspect van de onderwereld, waarvan varkens- en krokodillenclan het dodend en gevaarlijk karakter representeren.
J. van Baal, '36 Jaren', pp. 311-315 geciteerd in Boelaars I 1992 p. 163
Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg 33 1915 no 10 pag 148-152
Bovenstaande tekst als txt: klik
Bovenstaande tekst als txt: klik
Dema optreden Marind-anim ca 1915. Afdrukken collectie Ferguson Marind-anim 034
Dema voorstelling te Wendoe / Wendu AR-P027
Dema figuranten. AR-P027 10210 Doos 2
Dema figuranten. AR-P027 10210 Doos 3
Dema uitvoering. Foto Paul Wirz 1916-1919. NMVW CC-BY-SA RV-1999-550 (ingekleurd).
Marind acteurs bij een dema-optreden 1910-1939. NMVW CC-BY-SA TM10008199 (ingekleurd).
Dema figuranten met hagedis- of krokodil-dema ca 1915. Collectie Ferguson - Marind-anim 004
Man van de Marind-anim bevestigt een gari op een majo (mayo) plechtigheid te Koembe (Kumbe) 1908. AR-P027 10210 Doos 2
Uit Pater en Papoea - Cornelissen 1966 p. 162:
Bij de processie te Boeti trachtte pater Petrus Vertenten 'al wat goed is en eigenaardig' aan de Marind-cultuur zoveel mogelijk mogelijk te behouden. Er waren mooie stoffen, kleurige vaandels en wimpels, maar wat overheerste waren de gari ( = schild) en de kandara ( = de Marind-trom). Een gari was een groot halve-cirkelvormig schild, dat soms een middellijn had van drie meter en dat de clou was bij de dema-feesten der Marind-anim." Bij die feesten werden oorsprongsmythen der papoea's van de Marind-bevolkingsgroep uitgebeeld. Bij de processie werden drie gari's meegedragen. Eén gari stelde de zon voor geschilderd in Marind-stijl. Op het tweede schild stonden de maan en de sterren afgebeeld. Boven de maan en de sterren stond in een blauwe lucht - bloedrood op een wit veld - het kruis, het symbool der christenen. Rood en wit waren twee veel gebruikte kleuren bij de Marind-kunst. Op de derde gari stond het hoofdvoedsel der Marind-anim: Een kokospalm, sago en een tros bananen. Vóór de tweede gari liepen zes jongemannen, elk met een met rood-wit beschilderde, palm-omkranste trom in de hand. De plechtige slag en het sonore geluid voldeden uitstekend. Bij de Sacramentsprocessie te Wendoe in 1926 werden dezelfde gari's als te Boeti gebruikt. De schilden werden meegedragen ter huldiging van 'den waren Schepper van Hemel en aarde en van al wat ze bevatten' 'op voor deze menschen begrijpelijke wijze.'
Literatuur: free download in pdf: DE MAJO-MYSTERIEN TER NIEUW-GUINEA'S ZUIDKUST. DOOR A. J. GOOSZEN : https://brill.com/downloadpdf/journals/bki/69/1/article-p366_17.xml
Een dema-figurant ( Dana-beboe Spin-dema ) met volgelingen ( Nakari ) tijdens een ceremonie op het strand. Foto A. van Hest MSC, 12-08-1927. NMVW CC-BY-SA TM-60045628
Omschrijving van dit feest in de Almanak van O.L. Vrouw van het H. Hart 1929, pp 43-58. 'Op 12 Aug. 1927 is het te Wendoe (Z.N.-Guinea feest geweest. Omdat de lui al hun huizen plus een nieuwe Pasangrahan klaar hadden, gaf het Bestuur hun een van de oude Demafeesten: wat enkel bij uitzondering gebeurt, want in ‘t algemeen is ‘t verboden.
Kostuum van een hommel-dema. Begin vorige eeuw. Collectie NMVW. Palmbladschede; bamboe; Paternosterboon (Abrus precarorius); jobstraan (Coix lacryma-jobi); veren, schelpdelen, krokodillentanden; plantaardige vezels; rode en gele oker.
De dema-kostuums in de collectie van het Tropenmuseum waar bovenstaande voorbeelden deel van uitmaken zaten lange tijd in een kist op de museumzolder. Daar werd van aangenomen dat timmerlui hem hadden achtergelaten. Toen de kist eind vorige eeuw werd geopend kwamen deze voorwerpen tevoorschijn, badend in een bed van tienduizenden losgeraakte rode, witte en zwarte pitjes. Dema-pakken zijn nu eenmaal niet voor de eeuwigheid gemaakt: de losgekomen zaadjes waren geplakt met natuurlijke hars. Dankzij subsidies en een ploeg restauratoren maken de pitjes nu weer deel uit van de kostuums. Bron: NMWV
Dema figurant met op de foto rechts diens attribuut apart. AR-P027 10210 Doos 2
10210 Doos 2 - Marind-anim man poseert met dema-beeld bij de ingang van het majo-terrein te Koembe (Kumbe). Foto's A.J. Gooszen of een lid van zijn detachement, 1907-1910 AR-P027 10210 Doos 2
Kapitein Antony Jan Gooszen was tussen juli 1907 en juli 1908 een commandanten van de militaire exploratiedetachementen die Nederlands-Nieuw-Guinea openlegden op gezag van gouverneur-generaal Van Heutsz.
Literatuur: pdf-pagina 419 ev (boekpagina 366 ev) Majo mysteriën ter Nieuw-Guinea's zuidkust, A.J. Gooszen
MEWI-FEEST
Brief van den W.E. Pater P. Vertenten, missionaris te Okaba (N. N. Guinea)
Al jaren was er geen groot feest meer in Mewi ; na den welgelukten snel- tocht van twee jaar geleden zouden zij een „angei” geven waar heel de kust van spreken zou. De zeer bevriende dorpen Anasei en Bakor, waaraan vele mannen na den tocht een bezoek brachten, zouden komen, een maand vóór het feest reeds, om alles te helpen voorbereiden. In Bakor en Wendoe vertelde men den E. P. Viegen dat er in Jelmeimba een kolossaal groot feest zou zijn. (Jelmeimba is de naam van een stuk van Mewi, tevens de naam van een klein riviertje dat er in den regentijd het overtollige water wegvoert.)
Maar in plaats van feest kwam er bestraffing : de treurige, in hunne oogen zoo roemrijke buit moest ingeleverd. Twee jaar ging er over heen, maar ’t Mewi-feest kwam toch, een varkens-feest zooals zij zeiden „Basik Art gei".
Nóch Anasei nóch Bakor zijn gekomen naar het varkensfeest, niettegenstaande de herhaalde uitnoodiging. ’t Zou anders niet slecht geweest zijn voor de reputatie van Mewi, dat leelijk aan ’t uitsterven is, waar op slot van rekening nog slechts een veertig
flinke mannen en vrouwen zijn. Er zijn acht jongelieden en acht jonge dochters. De rest zijn kinderen en krukken. Bakor en Anasei zouden de kleinheid van Mewi geholpen en bedekt hebben.
Waarom zij niet kwamen ? Omdat zij niet durfden: de regeerings-assistent had hen opgeroepen om te helpen aan het opwerpen van een weg naar Merauke, een voor de vreemdelingen noodzakelijk, voor de kajakaja’s zeer nuttig werk. En tweedens waren zij waarschijnlijk bang, omdat het feest niet heelemaal onschuldig was: dat veronderstel ik althans met reden.
Zóó stond Mewi alleen voor de voorbereiding, geen wonder dat het kwam van uitstel op uitstel. Een kaja-kaja is van huis-uit liever lui dan moe ; daarenboven werden zij den laatsten tijd wel eens opgeroepen tot kleine heerediensten, en dat was telkens eene streep' door de rekening.
Maar ’t feest moest er komen. De weinige mannen kregen na héél langen tijd het feestterrein klaar; de vrouwen klopten sago en bleven aan ’t kloppen, want er moest eten zijn, zeer veel eten, anders is een kermis hier onmogelijk. Maar later, ’t was hun ernstig en hartgrondig gemeend, zouden ze nooit meer groot „angei” houden, ’t was voor ’t laatst, zóó beu waren zij dat lange vele werk.
Toen het eindelijk naderen ging, kreeg de blijdschap de bovenhand. leder die nog fiksch genoeg was om met de mode mee te doen werd aangevlochten en bepluimd. Zij dropen van klapperolie en kauwden heele uitgehaalde cocosnoten vol, om zich met het feest nog eens extra te kunnen besproeien en inwrijven.
Wat voor een feest zou het zijn? Ja: varkensfeest, ewati-feest, aanvlechtingsfeest, oor-doorboren-feest, wahoekli-feest, graf-feest... Feitelijk was het dat alles, maar bij en misschien wel bóven dat, was het ook feest om de elf koppen, die zij van hun beruchten sneltocht mee brachten. Zij hebben die wel moeten afgeven met de strafexpeditie, zoodat er veel aan’t feest onlbrak om tot zijn recht te komen, maar ik geloof dat zij die victorie, al was zij lang voorbij nog eens goed hebben gevierd en de andere dorpen met een goeden dunk van Mewi’s dapperheid zijn weggegaan. Arme sukkelaars !
Dat er zulke herinneringen aan verbonden waren zeiden zij natuurlijk niet, men had er ook geen enkel vast bewijs voor, volgens hen was het feest zeer onschuldig.
Wat er van zij, men liet hen begaan, hunne straf kregen zij verleden jaar en sedert is niemand meer op sneltocht geweest; slechts oude herinneringen zouden zij kunnen ophalen.
’t Was eene gelegenheid om onze Marind-anim weer beter te leeren kennen; niet dikwijls meer zal de gelegenheid zich voordoen zulk een feest bij te wonen vooral zoo dicht bij de deur. Daarom heb ik er van geprofiteerd en zal er u een en ander van vei tellen en teekenen.
Dagen te voren was heel het dorpje naar Iboel geweest (een modderbosch bij de Koloirivier) om kapstokken te halen d. w. z. hard-houten mikken, waar de feestbezoekers hunne mandjes, kalkkokers, knotsen enz. zouden aanhangen. Ook korte dikke knuppels van rood hout brachten zij meê, aan ’t uiteinde omkranst met „meenga” (jong bleek klapperblad, nog niet ontvouwd) daarmee zouden op ’t feest de mannen de varkens doodslaan, ’t Leek wel een zegetocht toen zij hier voorbijkwamen.
Zij spraken en dachten en droomden enkel en alleen nog van ’t groote feest; daar zou veel eten zijn, veel wati en veel dans. Heel de kust leefde dat al mee, overal waar men kwam was het steeds dezelfde vraag: „Mijnheer hoever zijn zij er al mee ? Is het „angei” nu al dicht bij ?”
Vast en zeker zou het begin Juli plaats hebben, maar ’t werd Augustus.
Hoe een feestterrein er uitziet, heb ik u reeds beschreven in een vorigen brief, hier waren twee feestterreinen, maar kleiner. Voor ons is het één groote rommelboel, waar geen plaats is om te staan of te gaan zonder zich te stooten of vuil te maken. Een kajakaja houdt er andere begrippen op na. Leve de verf en de olie ! Verdord gras, verdroogde pisangbladeren en sierlakjes, dat is bij hem het „décor” van een feest. Hij weet dat er tusschen en onder dat alles veel goed eten steekt en hangt; bananen, sago, taro, aardappelen klein en groot, er zijn er bij van een halven meter lengte... en met de bundels „wati”, die ons onverschillig laten als pakken onkruid, zijn zij zoo blij als bij ons kermisgasten met een vat bier.
Een der feestterreinen was grooter, ’t was het voornaamste; als men met bukken en wringen ongeschonden door de eerste hindernissen heen was, stond men op een vrij open terrein.
De laatste dagen die ’t feest voorafgingen was er jacht, zóó wil de traditie, maar de jagers waren weinig talrijk, zij schoten slechts enkele kangoeroes.
Aan die jacht is een eigenaardig gebruik verbonden. De eerste dagen worden de geschoten varkens en kangoeroes aanstonds gezuiverd en aangebraden. Den laatsten dag brengen zij den buit versch mee.
’s Morgens komt dan een man aan het strand, dien zij den „kandi-kandi-anem" noe men d. w. z. hij die versch brengt. Hij draagt een versch geschoten kangoeroe en gaat er mee langs het dorp. leder weet nu dat de mannen dien dag terug komen, dat het feest gaat beginnen. „Kandi-kandi anem mendap hoeê!” = de kandi kandi anem is naar ’t strand gekomen 1 Men gaat hem tegemoet, ieder mag een stuk van het meegebrachte wild afsnijden. Een boodschapper „oel-anem" wordt uitgestuurd om aan de andere dorpen te melden dat het feest begint.
De mannen kwamen dan ook terug en er was ’s nachts groote „ngat-zü' = dans.
Zij zaten er niet erg overin dat de jagers niet veel wild geschoten hadden, er moesten nu nog geene groote sagokoeken gebakken worden en overmorgen zouden er varkens worden geslacht, veel varkens.
Overdag sliepen zij en in den namiddag kwam er veel volk uit den omtrek, dezen nacht toch zou er „zi' zijn, echte groote dans. Beschilderd, geolied, met trommen, pijlen en vruchten beladen, kwamen de kermisgasten aan, en nu leek het wel of Mewi in eens weer een groot bloeiend dorp was geworden. De zon stond nog boven de klapperbosschen, ’t zal ongeveer half vijf geweest zijn. Okaba liep heelemaal leeg.
Toewan, zeiden ze, nü is er iets te doen ! ’t zal zeer schoon zijn. Diwa-hib komt.
Wie is dat, Diwa-hib ?
Wacht maar, ge zult het wel zien.
Diwa-hib aeeh! en schoon opgesierd als hij is!
Oali, gaat ge ook naar Mewi ? Ja, Mijnheer, laten wij samen gaan.
Wat is er dan toch allemaal te doen? O, de mannen zetten den grooten dans
in en Diwa-hib komt. Dat is zoo ons gebruik, ge zult het wel zien.
Ik ging naar ’t grootste feestterrein, waar het al zeer druk was.
Mijnheer, daar zullen zij komen, daar moet gij gaan staan.
Terwijl hij dat zeide knipte de oude een oogje tegen zijn buurman en glimlachend zegde hij: „hij zal ze teekenen, ge zult zien”.
Achter het dorp, achter boomen en struiken hoorde ik gelach, ’t Waren de op zeer bijzondere wijze opgesierde mannen, die den dans zouden inzetten. Men riep al „komt dan toch, de zon gaat al onder!” maar als groote kinderen bleven zij lachen. Waarom ? wel enkel en alleen uit tevredenheid, uit zelfvoldaanheid, omdat zij zoo schoon opgesierd waren en ieder naar hen zien en hen bewonderen zou
Eindelijk vermanden zij zich en met neergeslagen oogen, bedeesd en toch gelukkig, zeer ernstig nu zonder ook maar een zweem van een glimlach verschenen zij. Vlak boven het hoofd droegen zij een halvemaan-vormige figuur, gesneden uit het onderstuk van een sagobladstengel, bij den eenen was zerood en geel, bij een andere wit en rood, bij een derde enkel geel beschilderd. Op den rand staken er pluimen in, zooals fig. I zien laat. Die figuur was vastgemaakt aan een zwarte zwiepende lat, wel anderhalven meter lang, waar bovenop de fijn uitwaaiende vleugels staken van een paradijsvogel. Een stuk van de lat is op fig. I zichtbaar, de zwart-witte pluimen zijn geen echte maar gesneden uit „walol", zeer licht wit hout.
De figuranten waren zes in getal. Zij sloegen de trom en neigden bij eiken slag met het bovenlijf. Zij kwamen op achter elkander, daarna gingen zij drie aan drie nu eens als in een draaimolen, dan weer op en neer. Nu moesten zij ook feitelijk den dans inzetten, maar het kwam er niet van, waarom weet ik niet.
Ondertusschen verscheen ook Diwa-hib op het terrein.
Diwa-hib draagt op het hoofd eene Bateende een klein schild geel geverfd met boven en in ’t midden een roode en zwarte streep (fig. II A.) Het hoofd gaat schuil onder casuaris- en paradijsvogelvederen. Onder de oksels draagt hij twee bogen gansch beplakt met de bloedroode vruchtjes der „samandir”-boon, hier en daar afgewisseld met witte „baba” (Coix.) Zóó zijn ook de randen belegd der geel beschilderde met vier slippen uitgesneden borsten zijplaten. Zij zijn gemaakt uit de platte en taaie onderstukken van sagobladstengels. Op den rug boven de haarverlengsels draagt hij van dezelfde stof en in denzelfden trant bewerkt eene andere versiering langer maar smaller. Van ’t zelfde maaksel zijn ook de bovenarmbanden.
Achter op het hoofd ligt een onregelmatige drievork van licht hout, insgelijks geel beschilderd en boven belegd met „samandir". De uitsteeksels bij de ooren (voor de duidelijkheid nog eens apart geteekend (zie B.), zijn eveneens van licht hout en ingelegd met dezelfde roode en witte pitjes. Inderdaad „Diwa-hib” ziet er kleurig en netjes uit. In elk zijner handen draagt hij een schoon beschilderde pijl, onder de oksels kleurige siertakken, frissche krotonbladeren tusschen de armbanden. Aan alle uiteinden van bogen en versiering hangen aaneengeregen „baba”-nootjes, waaronder bolletjes van grijs-bruin boombeervel zijn vastgeknoopt en witte pluimen geknipt en gebroken zooals de teekening zien laat. (fig- H C.)
Diwa-hib draagt verder nog een lendenschort „moei”, uit roode en gele vezels en wit zwarte gevlochten touwtjes met schoon bewerkten buikband; onder de knieën draagt hij ’n kleine „moei” van hetzelfde maaksel, die de schenen bedekt. Boven het hoofd draagt hij een waaier van lange dunne palmbladnerven, beplakt met witte donsvedertjes. Een lange zwarte zwiepende lat, eindigend in een bolletje zwarte was, met drie witte pluimen bestoken, maakt het costuum compleet. (Wordt vervolgd.)
Illustraties:
p. 149: N. N. GUINEA : EEN „SOMB-ANEM” OF OROOTE HEER. (Teekening van Pater Vertenten.
p. 150: FIG. I. EÉN DER ZES FIGURANTEN. (VGL BRIEF ) (Teekening van Pater Vertenten.)
p. 151: FIG. 11. DIWA HIB. (Teekening v. P. Vertenten.)
Annalen van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart jrg. 33 no 12 15-06-1915
MEWI-FEEST.
Brief van den W.E. Pater P. Vertenten, missionaris te Okaba (N. N. Guinea).
(Slot.)
Het was dezen middag groote vruchten- en vleeschbedeeling, heele vrachten droegen de menschen van Okaba naar huis en zij voelden zich rijker dan wie ter wereld. Hun glimlach zei u duidelijk: „Zóó feesten kunnen wij Marind-anim alleen!”
Zij waren werkelijk „zi-rik” vrij vertaald: bezeten door den dans. De mannen en ewati’s van Makalien stonden „zi” te houden in de klapperbosschen waar zij hun tijdelijk verblijf hadden opgeslagen. De zon was nog niet onder, toen zij met de trommen naar het strand trokken waar andere liefhebbers zich bij hen voegden. Zij raakten hoe langer hoe meer in vuur; de groep trok met vlugge passen en sprongen heen en weer. Links en rechts begeleidde hen het belangstellende vrouwvolk. Fakkels van dor palmblad werden aangestoken.
Toewan, zei Oebadem, ga uit den weg staan, want de vonken zullen er afvliegen!
Toen sloegen verschillende mannen hunne fakkels uit op elkanders hoofd en haarverlengsels. Links en rechts vlogen er door de lucht, ’t Zijn de „geis a-geis” (mannen van denzelfden ouderdom) die elkaar aldus slaan; de omstanders en zij zelf lachen het uit van de pret.
Daarna gingen zij eten en wati drinken. Van nacht zou er weergroote „ngal zi” zijn en dan tegen het aanbreken van de schemering de „clou” van het feest: HOEMOEM DAPAP HOEHE, de hoemoem zullen komen ! De Ewati’s van Mewi, Alakoe, Okaba en Makalien zouden er aan meedoen.
Ik zette onzen wekker op half vier om er intijds te zijn.
’t Was pikdonker en er woei een sterke, voor deze menschen koude wind. De „ngat-zi” was in vollen gang. Toch vonden velen het te koud en waren bij vuurtjes achter de omheiningen bijeen gekropen. Er waren twee groepen dansers: Okaba, Makalien en Mewi eenerzijds, wat verder Sangasee. Als ze even rustten, beefden zij van kou, de rustpunten w’aren dan ook zeer kort. Toch zat er feeststemming in.*)
*) Die kou is zeer betrekkelijk, onze thermometer is nog nooit gedaald onder 21» C, maar de sterke wind koelt hunne naakte lichamen te snel af; achter de minste omheinirg voelen zij zich aanstonds behagelijk.
Binnen het omheinde feestterrein zaten oude mannen en vrouwen bij smeulende vuurtjes zeer ernstig te zingen; ’t was „jaloet” een zang zooals Majo’s en Imo’s die zingen den nacht vóór hunne rouwplechtigheid.
-Waarom is toch die „jaloet”, oudje ?
-Toewan, dat is zoo ons gebruik.
-Is het voor de afgestorvenen ?
-Neen, maar dat is zoo ons gebruik.
-Is het voor de varkens die geslacht zijn?
-Neen, maar ’t is zoo ons gebruik, zóó deden onze voorouders ook. De jonge mannen houden „ngat-zi”, wij, ouden, „jaloet”.
Jaloet komt meer te pas bij een feest, bij de voorbereiding : o.a. bij het ophangen der aardvruchten, bij het planten der lange bamboe’s, waaraan rijpe cocosnoten gehangen worden.
Later vernam ik van onzen buurman Bokè (letterlijk: vliegende hond) door hem uit te vragen niet over ’t Mewi-feest maar over vroegere feesten, dat er toen dikwijls feest was en veel grooter dan tegenwoordig, met veel, heel veel volk.
Of zij dan vroeger ook de koppen op het feestterrein hadden ?
Ja, heele trossen soms aan den beschilderden „koe i-a hat” sneltochtmik.
Hielden ze daar dan ook „jaloet” bij?
Ja, de „samb -anim” en de „mesiwag” hielden daar „jaloet” bij, zij gingen daarmee door terwijl de „ewati-s” met de hoemoem op het feestterrein defileerden.
Wij zullen dus hier in Mewi wel een dergelijk ceremonieel gehad hebben, alleen de koppen ontbraken, of hadden zij er misschien een paar heimelijk bewaard of geleend van binnenlandsche tochtgenooten ?
En nu de „HOEMOEM”. ’t Is de naam eener groote hoofdversiering (’t woord wil ook zeggen lucht, bewolkte lucht, wolk). Zij bestaat uit een geraamte van klapperbladnerfjes in elkander gevlochten; die zijn wel een kleinen meter lang en bevestigd op eene buigzame lat van bamboe, die tot een halven cirkel gebogen wordt. In dien halven cirkel bevindt zich een uit licht hout gesneden of uit reepjes merg van sagostengel aaneengestoken beeld, een vogel, visch of een ander dier voorstellend. Elk neemt zijn eigen totem, d. w. z. een dier waarmee hij zich verwant acht. Beeld en „hoemoem” *) zijn met elkander verbonden door een lange zwiepende lat waarvan het ondereind dient om het sierstuk vast te maken. ( *) Alleen de waaier is de eigenlijke „hoemoem”, overdrachtelijk wordt heel de versiering zoo genoemd.) Het dier zelf rust op het hoofd van den drager. Is het van hout dan is het soms gedeeltelijk uitgehold om het lichter te maken. Boven op de lat steekt een droge bamboekoker met rammelende vruchtjes erin, soms steekt die rammel lager en eindigt de lat in een bolletje was met drie vederen bestoken.
Ik heb slechts één „hoemoem” volledig geteekend (fig. III), van de andere heb ik slechts de middenstukken genomen, die toch wel ’t voornaamste zijn. Ik zal bij elk beeld apart eene korte beschrijving geven. (Deze teekeningen zullen achtereenvolgens met verklarend onderschrift verschijnen. Red.)
Kunstig werk moet men bij deze menschen niet zoeken, toch is het niet van eene zekere vaardigheid ontbloot, ’t Moet ons eer verwonderen bij zulk primitief volk zoovele opmerkingsgave en begrip van proportie aan te treffen. Daarenboven zit er een zekere stijl in. Wij zouden nooit op het gedacht komen een vogel of ander dier aldus voor te stellen, te beschilderen en in te leggen met witte en roode vruchtpitten.
Toen de „hoemoem” op het strand verschenen, liep alles er heen, behalve de „jaloet-anim” en een gedeelte der dansers, die op hun post moesten blijven. Eerst kwamen Mewi, dan Alakoe, daarna Makalien en Okaba.
Zij waren in de wolken en ik hoorde een man, die zijn enthousiasme niet bedwingen kon, roepen : „Digoel anim a eeh !” Nu zijn de Digoel-menschen juist die waar zij de koppen halen. De vrouwen vermaanden aanstonds tot zwijgen, dat vernam ik later. Het feest was dus niet heelemaal in orde. Toch is ook de civiel-gezaghebber bij donkeren avond er geweest met de politie, en niemand vluchtte. Dat zou weer voor onschuld pleiten.
’t Is in alle geval niet te verwonderen dat in die feeststemming de gedachte aan het succes van twee jaar geleden bovendreef, want al zal Mewi niet op sneltocht gaan, in hun hart kunnen zij nog niet verbranden, wat zij uiterlijk verzaken. Dat is eene kwestie van tijd, van genade, van ware beschaving, waaraan wij hier niet zonder succes arbeiden en die gij door gebed en aalmoes in de hand zult werken.
Illustraties:
Fig. 111. HOEMOEM OF HOOFDVERSIERINO. (Vgl. brief.) (Teekening van Pater Vertenten.)
De op net hoofd rustende vogelfiguur vormt het middelstuk der versiering: dat middelstuk was bij de verschillende feest-figuranten verschillend, ’t Zijn juist die figuren, welke achtereenvolgens verschijnen. In ’t midden der rechtopstaande lat bevindt zich de Sing-singi.
N -GUINEESCHE „KUNST”.
„SING-SINGI”, RAMMELAAR. Dit is een „Sing-singi” of rammelaar gemaakt uit bamboe. Hij is in’t midden doorboord om er de buigzame lat door te steken, waaraan hij heen en weer moet zwiepen. Binnen in zitten de harde vruchtjes dersamandir-boon. De meeste „hoemoem” hadden een sing-singi. Deze was rood en wit beschilderd, vooraan waren er zwarte vezels „hasindé” aangebonden. Na het feest speelden de „patoers” (jongens) met zulke rammelaars die zij zich zelf maakten.
„JOWI”, EEN STRANDVOGEL.
Dit is een strandvogel „Jowi’ met lange pooten (die hier en bij alle beelden ontbreken), ’t Lijf en de vleugels waren gemaakt van reepjes merg uit sago-stengels. De Jowi was gansch met kalk ingewreven behalve de onderkant der vleugels,die roodgeverfd was. ’t Was wel een der minste praestaties, hoewel hij, overwuifd door den „hoemoem”, geen slecht figuur maakte.
N.-GUINEESCHE „KUNST”.
Zie tekening
„KIDOEB”, AREND (A), „PAL-PALA”, EEND (B), „DA”, SAGO (C),
Van ’t zelfde maaksel, maar veel keuriger is de „Kidoeb” A. De arend van dien naam is wel de schoonste, die hier voorkomt. Hij heeft een witte borst. Als hij hoog aan den hemel zijne kringen weeft, ziet men zijne wit-zwarte vleugels prachtig tegen de lucht afsteken. Het oog is rood geverfd. De gebogen vleugels zijn met twee koordjes verbonden. B is eene eend „Palpala". ’t Is de bonte eend, die op ’t einde van den drogen en in ’t begin van den natten moesson zoo veelvuldig voorkomt; met honderden zoeken zij haar voedsel aan het zeestrand. Het beeld was meer dan levensgroot, wit-zwart en rood beschilderd, goed in proportie en houding, het zat op een britsje van sago-bladstengels en had links en rechts van zich een klomp licht hout. —C, wit en rood geschilderd; dat moesten 2 pakken sago verbeelden.
Nederlandsch Indie oud en nieuw - September 1933 P Vertenten De deema's, deema-geloof en deema-dienst in Zuid-Nieuw-Guinea p 333
Figuranten van de deema's - Photo P. Wirz
DE DEEMA'S, DEEMA-GELOOF EN DEEMA-DIENST IN ZUID-NIEUW-GUINEA
door
P. VERTENTEN M. S. C.
Met teekeningen van den schrijver
DE godsdienst der Marind-Anim is een soort polytheïsme of veelgodendom: Zij gelooven aan de Deema's, de geesten, niet te verwarren met de zielen der afgestorvenen. De deema's zijn de wondere bovennatuurlijke geestelijke machten, die in hunne verbeelding de grilligste, de meest fantastische vormen aannemen, machten, die werkten en nog steeds werken in de natuur. Het zijn persoonlijke krachten: elk heeft zijn eigen naam en geschiedenis, zijn bepaald terrein en bepaalde functie. Hemel en aarde zijn vol van de deema's, zij zijn legio.
„Mandin” -- vroeger, in den oertijd, stonden de menschen dichter bij de deema's en deelden nog in hunne kracht. Waren zij niet uit de deema's ontstaan, zooals trouwens heel de schepping ? Den eenen waren God kenden deze menschen niet. De deema's zijn de oplossing van de grootste natuurgeheimen, de oplossing van het wereldraadsel.
Heel de wereld, met al wat er bloeit, leeft en roert, zon, maan en sterren, is door de werking der deema's of hunne gedaanteverwisseling ontstaan. Zij plantten stokken en het werden boomen. De meeste planten en dieren, ook de menschen, zijn uit metamorphose of gedaante-verwisseling voortgekomen; kokos- en sago-palmen, bamboe en rotan (Spaansch riet), alles. De zee is een deema, zijn gewone naam is Etob, zijn legendarische naam is Joolma.
In den oertijd stond er een wondergroote boom aan het strand tusschen Ongari en Domandee. Hij hing vol visschen van allerlei soort en vorm. De deema's kapten hem om maar alvorens te vallen, wankelde de boom, hij sloeg heen en weer. De visschen, die op het land vielen, zijn de zoetwatervisschen en die in het water vielen, werden opgenomen door Joolma en zijn de visschen der zee. De beeldspraak dezer primitieven wordt soms van een bijbelsche grootheid in hunne oude legenden.
Zoo herinner ik mij, dat een der mannen van Okaba na een lang verblijf in de binnenlanden aan zee terugkwam. Zijn hart was gelukkig het strand terug te zien. Met oogen groot van bewondering en blijdschap keek hij naar het groote wijde water, dat daar blinkend te deinen lag in de morgenzon. „Doev ah ooh !" riep hij, „Joolma, deeseezib ajoewah!": „O heerlijk zeestrand! Joolma, zoon van de diepte, wat zijt gij schoon!"
Met grooten eerbied en vrees spreekt men van de deema's, hun leven is van den deema-cultus doortrokken.
Die eeredienst is niet gegrondvest op de liefde, maar op den schrik. Het rijk der Deema's is het rijk van de vrees.
Die vrees drukt op heel het volk. Hij, die jaren onder de Kaja-Kaja's geleefd en ze begrepen heeft, weet, dat dit bijgeloof het groote ongeluk is van dit heidensche volk. Men moet de Deema's te vriend houden, ze goed stemmen en daarom alles stipt onderhouden wat zij hebben geleerd, de oude ceremonies eerbiedigen, de plaatsen, waar Deema's wonen, ontzien, daar mag geen hout of geen bamboe gekapt worden, op vele dier plaatsen mag men geen gerucht maken, de geheime sekten: Majo's, Imo's en Arapa moeten trouw hunne inwijdings- en andere
plechtigheden houden op straffe van onvruchtbaarheid, onvruchtbaarheid van land en boomen, van menschen en dieren.
Iedere Kaja-Kaja heeft persoonlijk geheime krachtformules, korte imprecaties en bezweringen „Gamo-Meën", aanroepingen van Deema's, overgegaan van vader op kind, formules bij het planten van bananen en allerlei boomen, bij het planten van sago- en cocospalmen, bij het poten van inlandsche aardappelen, bij het uitkomen dier vruchten enz.
Men heeft formules om wonden te genezen, om regen te maken en regenwolken te verdrijven. Voor goede vischvangst, voorspoedige jacht, welgelukken van sneltochten, kortom voor al wat belang heeft zijn er Deema-Bombari's, plechtigheden ter eere dér Deema's.
Het meest gevreesd zijn de Tiek-Deema's, de Deema's, die de Tiek (de besmettelijke ziekten) op hunne rekening hebben.
Hoe afgelegen dit volk ook leefde, de besmettelijke ziekten vonden den weg ook naar Marind-land. De geschiedenis van groote besmettelijke ziekten leeft voort in den volksmond. Een vijftig jaar geleden moeten veel menschen door een besmettelijke ziekte gevallen zijn. Zoover we weten, waren pokken hier onbekend. Is het Cholera geweest ? Wij weten het niet.
Van de spaansche griep (eind 1918 begin '19) zei men, dat het de echte tiek was. Dien droeven tijd heb ik meegemaakt. Wij komen daar bij gelegenheid nog op terug. Ik heb toen met eigen oogen gezien, gehoord en gevoeld welk een radelooze schrik over een primitief volk komt bij besmettelijke ziekte. Toen heb ik beter begrepen het vele wat zij doen om de Tiek-Deema's tevreden te stellen en van hunne grenzen te verwijderen.
Vele en verscheiden zijn de Tiek-Bombari's, plechtigheden en bezweringen van de Deema's der besmettelijke ziekten.
Jaarlijks moeten de leden der geheimzinnige Imo-sekte samenkomen. Tiek-Deema man wahik, zij brengen den Tiek-Deema weg. Zij blijven dagen lang vergaderd en moeten een heel program afwerken, zij ontsteken ontzaglijke prairiebranden, die in de lucht cumulus- of stapelwolken vormen, die op uren afstand zichtbaar zijn. Zoo jagen zij den Tiek-Deema in eene bepaalde richting. Nachten achtereen wordt er gewaakt en de Gaga gezongen, de maat wordt geklopt (Nahek) met een kalkspaan op een kalebas. De Gaga is een soort litanie, op afstand klinkt het als psalmgezang. De voorzangers zingen de vele namen van de vreemde plaatsen en streken die ze kennen, de namen der dorpen, waar zij op sneltocht gingen, heel het vijandig gebied wordt bedacht; zoo leiden zij de aandacht af van eigen land, althans, dat meenen zij, daar moeten de Deema's heengaan. Om den Deema te voldoen, wordt soms een mensch geslacht.
De deema-figurant draagt een groote, van het merg der sago vervaardigde vrucht van Areca op zijn rug. Photo P. Witz
De exploratie heeft indertijd de Imo's bij een dier plechtigheden overvallen en zij vonden de versche bloedige overblijfselen eener in stukken gesneden vrouw.
Soms vreesde men, dat de besmetting van den zeekant zou komen. Daarom wèrd b.v. een twintig jaar geleden in Sangasee nog een menschenoffer gebracht aan de zee.
In het geheim was daartoe een jongeling aangeduid. Hij werd kleurig opgeschilderd en zwaar versierd. Lange haarverlengsels werden hem aangevlochten. Al de Imo-leden kwamen naar het strand en trokken de vele prauwen in zee. Alles gebeurde in stilte en het was zeker een indrukwekkend schouwspel. Al de leden waren van het hoofd tot de voeten roetzwart beschilderd, alleen op het hoofd droegen zij drie bloedroode vlekken, ééne boven het voor-hoofd en ééne op elke slaap. Over borst en rug droegen zij kruisbanden van bleeke biezen met zwarte reepjes doorvlochten.
Ver in zee gekomen liet men den opgesierden jongeling alleen in Zijne prauw en deed ze kantelen. Hij werd Etob-Tamoe, een offer, letterlijk: het eten der zee. Al kon hij zwemmen, de zware haarverlengsels beletten hem het hoofd boven te houden en hij verdronk. Het lijk en de boot spoelden den volgenden morgen aan het eenzame strand tusschen Alakoe en Sangasee.
De mannen van elk dorp hadden daarenboven hunne jaarlijksche Tiek-Bombari ceremonie tegen de besmettelijke ziekten: meestal in het begin van den regentijd. Des nachts flak-kerden dan, onder het bromzingen van den Gaga, groote bamboevuren. Telkens als een bamboe met geweldgen knal ontplofte, steeg er een huilend geluid op uit de menigte: „Waaaah!" om de Deema's te verjagen.
De dikke, half verkoolde en gebarsten bamboe's werden den volgenden dag kruiselings op alle groote wegen geplaatst, die naar het dorp leiden en ook op de voornaamste kruispunten der wegels.
Deema-geloof en toovenaarspraktijken zijn onafscheidelijk verbonden. De Messaav-Anim, die men gewoonlijk toovenaars noemt, maar die beter Deema-priesters zouden heeten, meenen bovennatuurlijke macht te hebben, macht, die komt van de Deema's en die zij bij hunne geheime inwijding ontvingen, macht om goed te doen, om te onttooveren en te genezen, maar ook macht ten kwade, macht om in het geheim en zelfs op grooten afstand menschen inwendig te verwonden en te doen sterven. Iedere Kaja-Kaja gelooft daar vast aan.
Ziekten komen dikwijls van de Deema's en worden verklaard als een soort bezetenheid. Men heeft dus Deema-bezweerders noodig om te genezen. Wij komen hierop nog terug.
Groote steenen en rotsen zijn in dit steen-arme land zeker woonplaatsen van Deema's of versteeningen dier wonderbare geesten. Fossielen zijn niets anders dan versteende Deema's. De toovenaars beweren de macht te hebben die steenen levend te doen worden en ze daarna door wrijving tusschen hunne handen — terug te doen keeren tot hun versteenden vorm. (In ons museum van Borgerhout bewaart men een fossiel-krab, die ik gevonden heb op het graf van een toovenaar uit Sarira).
Zoo zijn de gedachten der Marindineezen, dat is een groot stuk hunner levensbeschouwing. Die Deema's hebben verder — net als de goden bij de oude Grieken — allerlei menschelijke hoedanigheden en.... fouten, grove fouten. Zij zijn zelfs veel erger dan gewone schepselen op dit punt. Wat de Romeinen zegden van Jupiter, kan men op de meeste Deema's toe-passen: „Ouod licet Jovi, non licet bovi": „Wat Jupiter doen mag, is niet geoorloofd aan een os". Moreel verheffend is de invloed der Deema's allesbehalve.
Afgodsbeelden zijn hier onbekend. Wel maakte men bij sommige feestelijke gelegenheden, wanneer Deema-spelen werden opgevoerd, groote poppen, fantastisch opgesmukt, die Deema's moesten verbeelden en meer nog werden Deema's door figuranten voorgesteld, die hunne
emblemen dragen en de bonte Deema-Mahi: Deema-opsmuk. Na het feest mochten de kinderen met die poppen en versierselen spelen.
Altaren zijn onbekend. Wel legde men soms vruchten op plaatsen waar een Deema zich volgens hen ophield.
Toen wij pas in Okaba waren, moest een man van dat dorp een jongen kangoeroe brengen naar den Kangoeroe-Deema van Wambi, want den laatsten tijd waren er weinig kangoeroe's op het jachtterrein en men wilde den Kangoeroe-Deema gunstig stemmen.
Tempels, zooals wij dat gewoonlijk verstaan, vond men hier niet.
Wel had men aparte hutten en vergaderplaatsen voor de samenkomsten van de leden der geheime sekten.
Toen wij in den beginne van God spraken — in eene natuurlijk nog onbeholpen taal meenden sommigen, dat wij de zon bedoelden, die alles ziet.
Van eene bijzondere zonsvereering hebben wij anders niets kunnen merken. Wel hebben wij vermeld, — bij de geschiedenis van Manengob — hoe haar man radeloos van droefheid, de zon bad hem zijne ontroofde vrouw terug te geven.
Al wat oud is, is voor hen eerbiedwaardig. In den oertijd was het wonderbare alledaagsch.
De voorvaderen, uit de Deenza's gesproten en gedeeltelijk weer tot Deema's herwonden, stonden voor geen moeilijkheden; zij gebruikten b.v. een sagostengel als springstok en kwamen vlugger vooruit dan de reus met de zevenmijlslaarzen uit het vertelsel van Klein Duimpje.
Al wat buitengewoon is, al het zonderlinge, alles wat treft door bijzonderen vorm, grootheid of kracht, doet hen onwillekeurig denken aan de Deema's.
De mannen van Okaba waren op jacht. Zij ontmoetten een reusachtig wild varken en niemand durfde er op te schieten, want het was zeker een Deema-varken ! De pijlen zouden er op afschampen om den schutter zelf te treffen!
Wil men een reiger schieten, een Ndiek en kijkt het dier u kalm aan zonder weg te vliegen, laat dan af, want het is zeker een Deeina-reiger. Wondt gij het dier in het hoofd, dan wondt gij den Deema in het hoofd, want het is zeker een Deema in vogelgedaante.
Toen de vliegmachine van Markies de Pinedo boven Sopadem kwam, vluchtten allen en verstopten zich. Toen het wondergevaarte voorbij was, vroeg men elkander : „Deema apo idi ?" - „Hebt gij den Deema gezien?".
De Deema's maken het den menschen zeer lastig, dat is zeker, maar het is een noodzakelijk kwaad.
Dat is echter nog niet alles : ook de zielen der afgestorvenen, de Heis, bezitten wondere machten en komen af en toe spoken!
Verschijnen zij soms niet in het dorp en in de hutten om de menschen den schrik op het lijf te jagen ? Fluiten zij des nachts niet in de holle bamboes der omheiningen ? Gieren zij niet in de stormluchten en houden zij geen bijeenkomsten boven de grasvlakten in den grilligen hemelbrand ?
Hebben zij geen omgang met de Rav-a-rav-rik : de wezens van boven, die kort en ineen-gedrongen zijn van gestalte en op de wolken zitten? Die bliksemen en donderen in de luchten, die vuur en rook slaan uit de kruinen der cocosboomen?
En dan zijn daar nog de Nakari, een soort elfen. Zij behooren tot het gezelschap der Deemats. Kwaad doen zij niet, maar men heeft er toch een bijgeloovigen schrik voor. Des nachts spelen zij in de bosschen, vegen ze schoon en verdwijnen bij zonsopgang.
Hebben de toovenaars ze niet gezien heel vroeg in de morgenschemering in de van dauw druipende bosschen van Deema Brawa achter Imboeti? Zeer schoon zijn zij, zij hebben de gedaante van Iwag (huwbare meisjes), zijn bleekbruin van tint en dragen haarverlengsels, die bijna den grond raken.
De Imo, Kav en Uk. Boelaars 1953 pag 65 en 66
IMO is een van de vele Déma figuren, zinnebeeldige voorstellingen van geesten. Bij de stam van de Marind-Anim wordt Imo voorgesteld door een grillig versierde pauw. Hij heeft twee ondergeschikte geesten naast zich Kav en Uk, welke als een krokodil en een vis worden afgebeeld. Onder leiding van Imo weet dit drietal ziekten, pijnen, koortsen, hoesten e.a. kwellingen te verdrijven. Maar zij doen dit eerst als de mensen gezamenlijk te hunner ere bepaalde geheime rituelen gevierd hebben.
Boelaars 1953 pag 54 e.v.
DE 'IMO' VAN SENEGI
In de hete namiddag wees een vrouw mij de weg naar de plaats achter de kampong Wajao, waar de mannen van Senegi de kleuren vernieuwden van drie grote déma-figuren, welke sinds enkele jaren in dit dorp bewaard gebleven waren.
De voornaamste van de drie stukken was een prauw van een drie en een halve meter lengte, rijk van kleur en tekening en zinvol van vorm. Wordt bij een gewone prauw gesproken van een kop en een staart, hier werd aan beide uiteinden in de gestileerde lijnen een versierd mensenhoofd aangebracht. Binnen- en buitenkant van dit vaartuigje waren met figuren beschilderd, welke lichaamsdelen van een mens moesten voorstellen. Prachtig was deze opsiering met opstaande goudgeel uitwaaierende paradijsvogelveren. Deze déma draagt de naam ,Imo'.
Van de beide andere snijwerken stelde de ene een krokodil voor met op zijn kop een achteroverliggend gewei van langgerekte wortelknollen en op het lichaam dunne sprieten, waar kleine vogeltjes op zijn neergestreken. Het beest heet 'Kav', de naam van de aardappelsoort, waarvan het de wortelknollen op de kop draagt. Het andere wezen gelijkt op een reuze vis met twee vervaarlijke slagtanden, die als brede in een punt uitlopende zwaarden langs de kop naar voren steken. De naam van deze déma luidt 'Uk'.
Boelaars 1953 pag 77
Ezam-uzum te Mandum en Keisa 1951 (pag. 56 e.v. Boelaars 1953 ). Foto-afdrukken Boelaars I AR-P027 20213 Serie BI-169/170/171
Cultureel Indië mei-juni 1943
UIT HET MODERNE STEENTIJDPERK DOOR H. GEURTJENS M. S. C.
Hooggestemde bewonderaars voor onze techniek hoort men wel eens uitroepen: Indien Caesar of Karel de Groote of zelfs Napoleon nog eens een kijkje op de wereld konden nemen, wat zouden die hun oogen uitwrijven ! Ze zouden meenen, op een vreemde planeet beland te zijn. Ze zouden verbluft en verbijsterd staan over de wonderen onzer techniek: stoomwezen, vliegwezen, electriciteit, radio, enz., enz.
Maar als u, geachte lezer, eens uit de beschaving werd gehaald en neergezet in een wildernis, waar men nog in 't steentijdperk verkeert, dan geloof ik, dat u ook groote oogen zoudt opzetten en wellicht een grooten mond bovendien, om uw nood te klagen; u zoudt geen raad weten. — Een collega op N. Guinea zei mij eens: wat zou ons volkje Robinson Crusoë hebben uitgelachen, als ze hem zoo onbeholpen hadden zien tobben en klungelen op zijn verlaten eiland ! — Ons leven is met zooveel gemakken en gerieflijkheden der beschaving vergroeid, dat wij er niet meer buiten kunnen en 't ons nauwelijks anders kunnen indenken. Ik heb mijzelf in de wildernis vaak verwenscht als beschavingsprodukt, omdat me daardoor het leven zoo moeilijk geworden was. Als we 's avonds na een zwaren tocht op onze pleisterplek aankwamen, rustte ik niet uit, als ik een omgevallen boom op den harden grond als zetel voor lief moest nemen; de primitieve zit behagelijker op den grond dan op den zachtsten stoel. Zonder een matras en een mollig hoofdkussen kunnen wij den slaap moeilijk vatten; hij slaapt waar en zooals hij ligt net als een poes of een hond. Veroorlooft hij zich de weelde van een hoofdkussen, dan kan daarvoor ook een blok hout of zelfs een klapperdop dienst doen. Van een massa benoodigdheden, die wij niet meer kunnen ontberen, vermoedt hij niet eens het bestaan.
Verbeeld u dat wij het eens moesten stellen zonder metaal. Het geval zou hopeloos zijn. En toch, de tijd dat metaal nog onbekend was, heeft hier bestaan en bestaat op sommige plaatsen nog. En niettemin ook daar kunnen de menschen leven. Wijl steen een der materialen is welke bij hen het metaal vervangen, zegt men, dat zij in 't steentijdperk verkeeren. Doch ook vele andere grondstoffen staan hun ten dienste om hun gebruiksartikelen te vervaardigen. De mensch immers onderscheidt zich ook hierin van het dier, dat hij gebruiksartikelen, gereedschappen, wapenen en ander gerief bezigt. Het dier kan dat niet, omdat het geen verstand heeft en niet het verband ziet tusschen oorzaak en gevolg en dus de doelmatigheid van een werktuig niet weet te beseffen.
Het dier staat naakt in de natuur en heeft geen enkel hulpmiddel noodig, om in zijn behoeften te voorzien. De natuurmensch dartelt ook nog vrijwel onbelemmerd over de aarde rond; al zijn hebben en houden kan hij onder den arm nemen en opstappen waarheen de inval van het oogenblik hem voeren zal. De cultuurmensch daarentegen zit onderstelpt onder een huis vol benoodigdheden, die hem het leven niet alleen moeten veraangenamen, maar zelfs dragelijk en mogelijk maken. En telkens worden weer nieuwe produkten op de markt gesmeten met de ontstellende aanprijzing dat ze onontbeerlijk zijn !
Door de bezorgdheid om den mensch alle middelen te verschaffen, die hem zijn bestaan kunnen vergemakkelijken en veraangenamen, is onze samenleving al te zeer gemechaniseerd. En men sprak van malaise wegens overproductie. Malaise, dat wil zeggen ongemak en het is een ramp die ontstaan is door onze onzinnige jacht naar gemak, die geheel ons economisch bestel ontredderde.
Bij den natuurmensch is van die narigheid geen sprake. Daar is de productie hoogstens precies op het verbruik ingesteld. De werkzaamheden zijn daar nog niet ingedeeld in ambachten, stielen en vakken; een ieder moet in al zijn behoeften voorzien en al zijn benoodigdheden en gebruiksartikelen, wapens, vischtuig, kleeding en gereedschappen zelf vervaardigen. Vandaar dat er ook weinig handel bestaat, die zich dan nog uitsluitend tot wat ruilhandel beperkt.
Onze economische beschouwingen, die in de prozaïsche materie verankerd liggen, hebben het verfoeilijke woord efficiency in de wereld gebracht. De voornaamste en meestal de eenige eisch welke aan gebruiksartikelen gesteld wordt, is doelmatigheid en het toppunt is bereikt, als men aan een loopenden band in den kortst mogelijken tijd de productie het hoogst kan opvoeren. Het is massaproductie. — De eenvoudige van geest, nog ontvankelijk voor de poëzie des levens, wil dat elk gebruiksartikel hem zoowel tot genot als tot nut dient. Ook ten onzent maakten herders en boeren met meestal geen ander hulpmiddel dan een knipmes, kunststukjes in den vorm van pijpenkoppen, snuifdoozen, breischeden, messenhechten en wandelstokken. (Zie het prachtwerk ,,Volkskunst in de Nederlanden" door Dr. H. Wiegersma). Het is eigen-gemaakt en de maker beschouwt het als het zijn eigene, vooral omdat het iets is van zijn eigen en daarom is hij eraan gehecht. Doch niet enkel daarom. De gebruiksartikelen van den primitieve hebben meestal zeer weinig innerlijke waarde. Toch doet hij er niet gaarne afstand van, omdat hij door het gemis ervan ontriefd is. Hij kan niet even naar een winkel stappen, om een ander te koopen, hij moet het zelf aanmaken en wegens de onbeholpen middelen die hem daarvoor ten dienste staan, is dat vaak een zeer bewerkelijke en tijdroovende karwei, zooals in 't hier volgende duidelijk zal blijken. Dat geldt voornamelijk voor de volksstammen die nog geen metalen gereedschappen kennen. Die zijn er op de wereld maar weinig meer te vinden. Tot aan 't begin dezer eeuw behoorde daar nog schier geheel Ned. N. Guinea toe en thans nog vele stammen in het binnenland van dit groote eiland.
Aan de Zuidkust, waartoe we ons in deze verhandeling zullen bepalen, heeft het steentijdperk bij de oprichting van Merauke in 1900 een einde genomen. Bij de invoering van ijzeren werktuigen zijn de steenen het eerst en spoorloos verdwenen of tot wetsteenen gedegradeerd. Andere snijgereedschappen als schelpen, varkensslagtanden en bamboe zijn heden nog niet geheel verdrongen of zelfs nog algemeen in gebruik.
Vóór de komst der Europeanen was het ijzer niet geheel onbekend. In aangespoeld wrakhout had men spijkers en bouten gevonden. Ook op sneltochten in het Engelsche gebied was men reeds met enkele snufjes der beschaving in aanraking gekomen, zooals lucifers, die men dan ook Ingis takav d.i. Engelsch vuur noemde. Ook had men van die strooptochten ijzer meegebracht in den vorm van bijlen en messen. Dit verklaart ook de benaming waarmee men de nieuwigheid aanduidde, n.l. jodam of vakré. De eerste wijst op den vorm der ijzeren voorwerpen, bijlen en messen; jodam toch beteekent spits of taps toeloopend. De tweede duidt op het doel. Vakré beteekent knakker, van vak = knakken of knakkend snijden, zooals men dat doet met de snijschelp. Zoo werd elders ook oorspronkelijk de rijst geoogst door de halmen te knakken, eerst met den nagel van den duim, daarna met dezen voorzien van een duimbeschermer, eerst van bamboe, later van blik en ten slotte met het typische rijstmesje, de ani-ani.
Snij- en kapgereedschappen vormen een eerste behoefte voor den mensch en als zoodanig is ijzer door niets te vervangen. Toen men dit metaal dan ook eenmaal had leeren kennen, hunkerde men ernaar, of zooals ze het zelf uitdrukten: ze hongerden naar ijzer. Deze honger ontaardde zelfs in den honger van den vrek naar goud.
Merauke is ongeveer 5 km stroomopwaarts gelegen aan de rivier van denzelfden naam. Voor de monding van elke rivier vormt zich een zandbank. Ten gerieve der scheepvaart moest dus de vaargeul worden afgebakend tot een eind ver in zee door ijzeren boeien, die aan zware kettingen verankerd lagen. Dat was één bonk van 't kostbare metaal, die daar aldoor treiterend voor hun begeerige oogen lag te dobberen. Alras was het plan gerijpt, om dien schat te vermeesteren. Men voer er met kano's naar toe. Op de neb eener kano legde men een stuk hard hout en sjorde de zware ketting der boei daar overheen. Met dikke knuppels bleef men toen, elkander aflossend, onverpoosd op een schakel beuken, totdat deze ten slotte doorknapte en men de boei mee naar den wal kon sloepen. Het was een nuttelooze onbruikbare schat, doch een streeling voor de begeerige oogen en harten.
Bij een tocht op de Lorentz- en de Oetoemboewe-rivier per G. S. De Zwaan werden we omringd door een heele vloot van kano's. Uit de bende, die langs alle kanten aan boord klauterde ging maar één roep op: si! si! si! (Wellicht een verbastering van het Maleische besi = ijzer, de benaming gebezigd door de paradijsvogeljagers, die van Merauke uit tot aan de Eilandenrivier doordrongen). Men bood van alles aan om het kostbare metaal te bemachtigen, tot gesnelde koppen en zelfs kinderen toe. De machinist van boord gaf hun een oud roosterijzer. Opgetogen en onder luid gejubel zeulden ze heen met hun zwaren doch nutteloozen schat.
Als kapgereedschap was op Zuid N. Guinea de steenen bijl in gebruik, ofschoon langs heel de modderige zuidkust geen steen te bekennen valt, zeker niet de harde soorten, die voor dat doel geschikt zijn. Men vond die echter in het verre binnenland, o.a. in de Digoelrivier waarheen men geregeld op sneltocht toog. De Digoel, die hun deze onmisbare grondstof verschafte, was voor hen een geheimzinnige stroom. Haar monding kenden zij niet. De Digoel valt immers in zee ten Noorden van het Frederik-Hendrik-eiland en dit vormde voor hen de grens der bekende wereld in westelijke richting. Om dit eiland heen roeien was wegens de daar steeds woelige zee en hooge branding voor hun wankele uitgeholde boomstammen niet doenlijk. Door de Prinses-Marianna-straat, varen, die het eiland van den vasten wal scheidt, was te gewaagd wegens gevaren van anderen aard. In hun kano's, die ze staande roeien zouden ze een te gemakkelijke prooi geweest zijn voor de pijlen der vijandige stammen op beide oevers. Doch wanneer men in Noordelijke richting het land in toog op sneltocht, kwam men steeds bij de Digoel-rivier terecht, die tot dicht bij de Engelsche grens, dus even voorbij de grens van het door den Marind-stam bewoonde gebied, in Oost-Westelijke richting stroomt. Men noemde deze rivier daarom ook Digoel = boschrivier. En daarin vond men de steenen in den bovenloop, door 't rollen over de bedding in de verlangde vormen afgesleten: wigvormig of plat voor de bijlen, plat- of eirond voor de knotsen, langwerpig platte voor beiteltjes.
De wigvormige bijl diende als aks om boomen te vellen en voor 't uiterlijk bewerken van sierpalen voor de feesthutten, kano's en trommen. Voor het vellen van boomen, al of niet vooraf geringd, maakte men ook veelvuldig gebruik van vuur; men stookte ze op stam bij den grond door. Voor het vellen van sago-boomen, hetgeen een eerste behoefte was, omdat die het dagelijksch voedsel leveren, was dit echter uitgesloten. De sago-boom heeft een harden, taaien doch dunnen bast en het binnenste is zacht merg. Het vellen van een sago-boom beteekende een welgevulde dagtaak. Men kapte de harde schors rondom door en wanneer de boom nog slechts op zijn dikke merghart steunde, trok men hem omver. Ofschoon dat met een stalen bijl het werk is van een paar uren, gaat men, om sago te kappen, uit kracht der gewoonte, toch nog steeds bij 't krieken van den dag aan den slag. Den arbeid verkorten is 't leven verlengen. Alle Marindineezen helpen me dat gelooven: alle steenen bijlen zijn verdwenen of verlaagd tot wetsteenen voor de ijzeren verdringers.
De steel der wigvormige bijl is een recht knoestig stuk hout met dikken kop of het onderstuk van een bamboestaak, hong, dat bij den wortelknoop bijzonder taai is. Met een steenen beiteltje wordt er een gat in gekapt, waarin de bijl met het spitse eind gestoken wordt. Het materiaal moet dus bijzonder taai zijn, omdat anders bij 't kappen de bijl, als wig werkende, den steel zou doen splijten. De hong of song is eigenlijk de steel van bamboe, doch bij uitbreiding ook de naam voor dit soort bijIsteel in 't algemeen. Men ziet in de wigvormige bijl, die in de opening van den bamboesteel steekt, een beeld der copula. (Vgl. ons vaar- en moerschroef). Hong of song (h en s zijn wisselletters) is etymologisch verwant met honak, bijslaap uitoefenen (zie mijn Marindineesch Woordenboek s. v. hong, blz. 151). Misschien ook dat deze associatie wortelt in een legendarisch verhaal. De bekende déma (geest) Geb was afzichtelijk van gestalte. Hij was geheel met zeepokken overdekt, opdat de mieren hem niet zouden deren, want hij huisde in een termietheuvel. Hij kon wegens zijn afstootelijk uiterlijk geen vrouw krijgen en bevredigde zich met het onderstuk van een bamboestruik, dat in de legende als hong-sav (sav = vrouw, echtgenoote) bekend is. Later had zijn vriend Makoe medelijden met hem en stond hem een zijner vrouwen af.
De steel der disselvormige bijlen is een haak, een tak met een zijtak. Deze bijlen dienden soms als strijdwapen, maar vooral voor de fijnere afwerking van houten gebruiks-artikelen, alsook voor het uithollen der kano's. Daarbij werd echter ook weer veelvuldig van vuur gebruik gemaakt. Het vuur, dat niet vlamde, maar enkel voort smeulde, werd met een blaaspijp van bamboe aangewakkerd en geleid. Wanneer gevaar dreigde van verkeerd of te verbranden, werd het met water gebluscht. De aldus hol gebrande boot werd daarna met de disselbijl bijgewerkt.
Al vaak had ik me afgevraagd, op welke wijze deze menschen met hun eenvoudige middelen hun trommen vervaardigden en die zoo keurig zandloopervormig wisten uit te hollen. Langs de kust had ik geen gelegenheid dit te achterhalen, wijl trommen in 't binnenland gemaakt en naar de kust verhandeld worden. Daar kreeg ik dan ook de kans om deze techniek gade te slaan.
Van sommige boomsoorten is het hart het weekste deel. Deze worden voor het maken van trommen uitgekozen. Een stuk van den stam bekapt men eerst zoodat het reeds in 't ruwe den vorm van een trom vertoont. Het eene uiteinde holt. men een weinig uit en zet het aldus bewerkte stuk hout overeind met de uitholling aan den bovenkant. Het ondereind wordt een weinig in den grond gegraven, om het stevig vast te zetten. Dan wordt de uitholling vol water gegoten en dit water wordt steeds zorgvuldig bijgevuld. Door de inwerking van het water begint het hart al gauw te rotten. De daardoor zacht geworden deelen worden alvast in 't ruwe verwijderd. Wanneer aldus de holte tot ongeveer de helft van het stuk is ingerot, keert men het om en past aan den anderen kant dezelfde bewerking toe. Daarna kan men met een harden stok of een stuk bamboe het binnenste gedeelte of het hart geheel doorstooten en heeft men een pijp door de geheele lengte van het houtblok. Deze wordt vervolgens met vuur, dat met de blaaspijp geregeld wordt, verwijd en met schelpen en varkensslagtanden bijgeschaafd. Ook laat men in die holte enkele bamboegeledingen knallen. Indien men gave bamboegeledingen in 't vuur houdt, springen ze met een geweldigen knal open. Dit is hier bedoeld als sympathetische magie, om aan de trom in wording een forschen klank mee te deelen. Wanneer de vereischte inwendige holte verkregen is, wordt de trom verder met de disselbijl aan den buitenkant afgewerkt en het versierend snijwerk met varkensslagtanden aangebracht.
Brandhout voor het bereiden der spijzen vormt een dagelijksch wederkeerende behoefte. De keuken is echter zeer eenvoudig. Potten en pannen zijn een ongekende weelde, zoodat er ook niets te koken valt. Het eenige wat men wel eens ziet koken, zijn schelpdiertjes en daarbij dient dan een klapperdop als kookpotje ! Eiken dag moet echter de sago-koek gebakken worden, want die vormt den hoofdschotel van eiken maaltijd. Dit bakken geschiedt in den z.g. Polynesischen oven, die met hout gestookt wordt. Voor brandhout bezigt men hoofdzakelijk sprokkelhout, dat dus dor en sprok is. Dunnere takken breekt men over den knie; dikkere neemt men bij een uiteinde vast en slaat met het andere op den grond, om ze aldus te breken. Zijn ze ook daarvoor te dik, dan legt men het eene uiteinde op een verhooging en een eindje verder slaat men er op met een zwaren knuppel, zoodat het breekt. Om den oven gereed te maken; stapelt men het brandhout luchtig op en legt daar boven op steenen ter dikte eener vuist. Op het Frederik-Hendrik-eiland, waar men geen steenen aantreft, gebruikt men bij wijze van surrogaat leenballen, die in de zon gedroogd zijn, zonnebak. Zijn de steenen heet gestookt, dan rakelt de huisvrouw de steenen bij elkaar en schikt ze tot een gloeiend vloertje waarop de in banaanbladeren gewikkelde koek gelegd wordt. Ze legt er insgelijks heete steenen boven op. Heeft zij nog iets anders te bakken, vleesch of visch, dan wordt dat er bij gelegd en vervolgens het geheel met stukken eucalyptusschors, kaj oe poetih, zorgvuldig afgedekt. De randen op den grond worden rondom met zand bedekt, om alles zooveel mogelijk hermetisch af te sluiten, zoodat geen hitte naar buiten ontsnappen kan. Na een paar uren in dezen oven gepoft te hebben, is de koek gaar.
Al is deze bakkerij nog zoo onbeholpen, toch hebben deze N. Guineesche koekenbakkers wellicht een wereldrecord op hun naam, wijl ze op deze manier koeken bakken van ca 8 m lang en een vadem breed. Dit heeft plaats bij feestelijke gelegenheden. Dan gaan de mannen met hun kano's langs kreken en beken het Bosch in om brandhout te halen, dat in het dorp tot een grooten vierkanten brandstapel wordt opgetast. Dan tijgen de vrouwen de wildernis in, om zich van de noodige steenen te voorzien. Zuid N. Guinea is een zeer steenarm land, doch in de steppen verheffen zich als bouwvallen van burchten en kasteelen met hun torentjes en kanteelen tallooze termietheuvels. Het materiaal waaruit die zijn opgetrokken, is hard doch bros en vuurvast. Daar slaan zij stukken af, die dan als pofsteenen zullen dienen. Zij worden op den brandstapel uitgespreid, die dan op verschillende plaatsen tegelijk in brand gestoken wordt. Als het vuur is uitgebrand, worden de steenen gelijkmatig uitgespreid en met kokos-en banaanbladeren bedekt. Daarop wordt de sago met kokosschrapsel vermengd uitgestrooid tot een laag van ongeveer een halven dm dikte en rijkelijk met water besproeid en gelardeerd met stukken vleesch en visch. Hierover komt weer een laag derzelfde bladeren en ten slotte het dikke dek van eucalyptus-schors. Zoo'n reuzekoek laat men dan een heel etmaal gaarstoven, maar dan heeft men ook een taart, waarmee een heel dorp zijn buikje op de leest kan zetten !
Een zeer voorname factor in de economische levensvoorwaarden dezer menschen vormen de jachtwapens en het vischtuig.
Terwijl men bij de overblijfselen van het Europeesche steentijdperk in de eerste plaats pijl- en speerpunten van steen aantreft, ziet men die hier nergens. Dat is klaarblijkelijk toe te schrijven aan de omstandigheid, dat men daarvoor doelmatiger materiaal bij de hand had en dan denken we allereerst aan bamboe.
De schil van den bamboe is met een laagje glazuur overdekt. Wanneer men er een reepje aftrekt, krijgt men daardoor langs den rand een vlijmscherpen waard. Bepaalde soorten, waarbij die glazuurlaag bijzonder ontwikkeld is, worden voornamelijk als snijgereedschap benut. Men scheert er zich zelfs den baard en het hoofdhaar mee af. Op vele plaatsen in de Molukken en elders waar het ijzer toch reeds sedert onheuglijke tijden bekend is, heeft dit het bamboemes en de bamboelansen en -pijlen niet kunnen verdringen. Het bamboemes wordt daar vooral gebruikt om dieren af te slachten of voor ritueele doeleinden als b.v. het afsnijden van de navelstreng bij borelingskens. Bij snijden van lansen en pijlen uit bamboe gaat de fijne glazuurwaard grootendeels verloren maar wegens de harde buiten-schaal kan men er toch zulk een scherpen punt aan snijden, dat het een zeer doelmatig wapen blijft.
Op Zuid N. Guinea wordt de bamboe zeer veelvuldig als pijlpunt aangewend. Ook de schietboog en zelfs de boogpees worden van hetzelfde materiaal vervaardigd. Deze laatste echter ook van rotan. De pijlschacht bestaat steeds uit een rietstengel. Met een varkensslagtand krast men in de schil van het riet terwijl dit nog groen en zacht is, overlangsche figuren, meestal zigzaglijntjes, ter versiering. Wanneer het riet dor en droog geworden is, steken de ingekorven figuren bruin af op de lichtgele schil.
Veelvuldig wordt ook het hout van een palmsoort, niboeng, gebruikt om pijlpunten te maken. Dit hout is zeer hard en vezelig en men kan er een naaldfijne punt aan slijpen. Bij feestelijke gelegenheden maakt men vaak roosters van tien tot vijftien aaneen geregen pijlen, die men dan aan een bandelier draagt. Deze paradepijlen zijn steeds van niboeng gemaakt. Het zijn ook de oorlogspijlen bij uitstek.
Vaak wordt ook een stukje gewoon hard hout toegespitst en als pijlpunt gebruikt. Dikwijls wordt dan de punt voorzien van een kangoeroehoef of de hoef van een casuaris-teen. Ijzeren pijlpunten hebben tot heden in 't oog van den Marindineeschen jager nog geen genade gevonden.
Wel verwonderlijk mag het heeten, dat men bamboe niet als elders, waar men toch reeds ijzer kent, als goedkoope, gemakkelijk aan te maken en zeer doelmatige lans gebruikt. Bij naburige stammen in 't binnenland (Mappi, Boven-Digoel, Eilandenrivier) vindt men zeer fraai bewerkte sierlansen uit één stuk. Langs de kust of in 't nabije binnenland ziet men die niet , evenmin als schilden. Hier kent men alleen een uit twee doelen bestaande lans, n.l. een schacht van bamboe en het daarin stekende fijn werk. De Marindinees kent echter voor grof werk geen andere vijl en weer met onuitputtelijk geduld worden met zoo'n bamboereepje de diepe gleuven in den harden steen geslepen. De handel heeft blijk gegeven van een bewonderenswaardig aanpassingsvermogen op dit pas voor hem geopend terrein. De knots was voor den Marind onontbeerlijk en de aanmaak ontzaglijk moeizaam. En de Marindineesche markt werd overstroomd van keurig afgewerkte knotsen, platronde zoowel als eironde made in ..........? Ze maakten echter geen opgang; boven het toch zooveel fijner afgewerkte invoerartikel bleef de Marindinees het eigen fabrikaat verkiezen. — Als surrogaat voor de kruisbanden van coïxpitjes, waarover we verder nog zullen spreken, vervaardigden de Chineezen banden dicht benaaid met ... hemdsknoopjes. Ook deze maakten weinig opgang. — Een surrogaat echter dat terstond algemeen ingang vond waren behalve de ijzeren bijlen een ijzeren gereedschap om klappers te ontbolsteren en uit te steken, dat we ook verder nog zullen vermelden. — Wat de tabak betreft, schijnt degene, die de oudste rechten heeft, later wel uiterst moeilijk te verdringen te zijn. Op de Kei-eilanden was dat de Java-tabak in de bekende limpings of turven; op de Tanembar-eilanden een Engelsch merk Birds Eye, dat echter tijdens den wereldoorlog niet meer te krijgen was. Zuid N. Guinea werd door de in Indië zoo algemeen bekende Weduwe veroverd. Van Nelle was daar de favorite. De Merauke Compagnie voerde een andere soort in op geheel gelijke wijze verpakt en nog wel met een Marindineeschen boogschutter als fabrieksmerk, doch met zeer matig succes. De Kelapa Mij onderschatte den goeden smaak dezer „wilden" en voerde alweer in dezelfde verpakking een minderwaardige soort tabak in, doch de klanten trokken er den neus voor op. De pittige en goedkoope Java tabak vond echter nog wel genade in hun oog.
De knots is de trots van den Marindinees en óók een zijner voornaamste wapens zoowel op het oorlogspad als op de jacht, inzonderheid op de varkensjacht. Het wilde zwijn met zijn vervaarlijke slagtanden is een geduchte tegenstander en daarom gaat men het meestal te lijf met vereende krachten op klopjacht. Men heeft daarbij als bondgenoot de honden. Iedere Marindinees heeft zijn kennel. De honden speuren het wild en jagen het op, vallen het van alle kanten aan en bijten waar ze een kans krijgen. Niet zelden wordt zoo 'n aanvaller door het woedende beest met opengescheurd lijf weggeslingerd, doch de andere laten niet af en houden ten slotte het dier staande. De jagers komen nader en kunnen het alvast een lans of pijl in 't lijf jagen.
Dan geeft de Marindineesche jager een stout staaltje van onversaagdheid. Als jacht-tuig heeft hij nog. de iwa, d.i. een lus van stevige rotan, die het best te vergelijken is met een tennisracket zonder snaren. In de gleuf, gevormd door de twee tegen elkaar gebonden rotanstukken, die den steel vormen, ligt een fijn aangespitst stokje van hard palmspits bijgeslepen en aangepunt. Men steekt het halverwege door het vlechtwerk dat gehecht of genaaid moet worden, — weefsels kent men niet, — en langs het gleufje, dat door de holte van het beentje gevormd wordt, voert men den draad door het vlechtwerk. Op dezelfde wijze brengt men den draad terug en komen de naden tot stand. Gelijkerwijze gebruikt men deze naald om op vlechtwerk gekleurde versieringen in te vlechten en ook om het hoofdhaar tot dunne tresjes te vlechten, waaraan dan de haarverlengsels worden vastgemaakt.
De varkensslagtand is het voornaamste gereedschap voor het aanbrengen van versieringen in snijwerk op allerlei gebruiksartikelen, inzonderheid pijlschachten, trommen en klapperdoppen, die verwerkt worden tot drinknapjes, toovernapjes en hondenfluitjes. Om aan deze versieringen meer reliëf te geven, worden de ingekorven lijnen met kleurstof opgevuld; op lichten ondergrond met zwartsel (roet of verbrande vettige nootjes), op donkeren achtergrond met kalk, dus wit, of soms ook met roode kleurstof (sirihpruimsel of roode klei met kokosolie aangemaakt). De zeer harde schaal wordt eerst met den slagtand gepolijst en met kokosolie gepolitoerd, waarna de teekeningen er ingekorven worden. Van een soort zeer kleine langwerpige klappernootjes worden de hondenfluitjes en de toovernapjes vervaardigd. Voor deze laatste benut men dan steeds de kiemopening (als mond) en de twee daarboven staande donkere vlekjes of putjes- (als oogen) om een gezicht na te bootsen.
Olie, nl. klapperolie wordt verkregen door het vleesch van rijpe klappers uit te kauwen en dit kauwsel in een klapperdop te spuwen. Na eenigen tijd begint dit papje te gisten en weldra drijft de olie boven. Elders wordt algemeen het fijngeraspte klappervleesch met toevoeging van water uitgeperst, zoodat men de klappermelk verkrijgt. Wanneer men die kookt, zakken de nog aanwezige vaste deeltjes als bezinksel op den bodem, en op het water drijft de olie. Wijl den Kaja-kaja echter alle soorten potten of pannen onbekend zijn, kan hij deze werkwijze niet toepassen. De kokosolie wordt hoofdzakelijk gebruikt, om allerlei dingen en voornamelijk het eigen lichaam te politoeren en tot het aanmaken van verfstoffen, om nieuwe kano's, sierpalen van feesthutten e.d. te beschilderen en ook de haarverlengsels, het aangezicht en zelfs het heele lichaam in de roode of zwarte verf te zetten. Een Marindinees in feesttooi druipt in letterlijken zin van de olie. In de tropische hitte wordt die olie al spoedig ranzig en dan kan men de deftigheid in gala niet alleen zien en hooren, maar ook ruiken aankomen. De kleuren waarvoor hij verfstoffen kent zijn wit, zwart, rood en geel. Als witte verfstof bezigt men poederkalk, die verkregen wordt door het verbranden van schelpen. Als zwart dient roet of verbrande vettige nootjes, kamirie of klapper of ook wel verkoolde gaba-gaba met olie aangemaakt. De roode verfstof wordt verkregen door klei, die men in geel en rood in den grond aantreft met klapperolie aan te maken. Voor kleinere dingen gebruikt men meestal sirihkauwsel, wijl men dan het verfpotje steeds bij de hand heeft ! Voor geel gebruikt men eveneens klei van deze kleur of ook wel stuifmeel van een bepaalde riet-soort, met klapperolie aangemaakt. Van kleuren mengen, om verschillende tinten te verkrijgen, is bij deze primitieve schilderkunst geen sprake.
Als boor gebruikt men vischtanden en ook wel den staartstekel van den rog. Deze worden aan een stokje bevestigd, dat tusschen de plat tegen elkaar gedrukte handen in een snel draaiende beweging gebracht wordt. Kleinere boortjes draait men tusschen duim en wijsvinger. Voor deze kleine boortjes, die vooral dienen om vruchtpitjes, die als kralen gebruikt worden te doorboren, bezigt men een tand van een jongen haai, die aan een stukje palmbladnerf (lidi) verbonden is. Heeft men aan beide kanten een gaatje gepeuterd in de harde schaal, dan wordt de inwendige kern met een vischgraatje doorgestoken. Men zal dan begrijpen, welk een som van arbeid de dikke kralensnoeren, die men gewoonlijk draagt, vertegenwoordigen, alsook de kruisbanden, die men over de borst draagt. Toch vond het surrogaat door de ruilers ingevoerd, breede linten dicht met kleine hemdsknoopjes bezet, weinig aftrek.
Voor het doorboren van grootere voorwerpen gebruikt men ook wel tanden uit de zaag van den zaagvisch en voor zachtere voorwerpen ook wel been.
Reeds meermalen maakten we melding van het vuur als gebruiksartikel o.a. voor het vellen van boomen en het uithollen van kano's. Het is een zeer nuttig element en het gebruik ervan onderscheidt den mensch ook van het dier. Vandaar dat men in de mythen van vele volksstammen den legendarischen oorsprong van het vuur vermeld vindt. Volgens de Marindineezen is het eerste vuur ontstaan door de buitensporig heftige geslachtelijke gemeenschap tusschen twee dema's (soort geesten of legendarische wezens). De analogie met het vuurdraaien is wel zeer duidelijk.
Men onderscheidt twee soorten van vuur naar de wijze waarop het wordt voortgebracht, nl. arap en takav. Arap = draaivuur, dat verkregen wordt, door in een blokje zacht hout een putje te maken, waarin wat zwam of ander licht ontvlambaar goed gelegd wordt. Een stokje van hard hout wordt met de onderste punt in dat putje gestoken, terwijl men het tusschen de tegen elkaar gedrukte handen houdt en vlug doet draaien, door de handen over elkaar te schuiven. Door het draaien ontstaat warmte in het putje, zoodat het zwam al gauw begint te smeulen en dan verder door blazen tot ontvlamming gebracht wordt. Takav = wrijfvuur, dat verkregen wordt door het over elkaar wrijven der twee helften van een gespleten stuk bamboe. In de eene helft wordt overlangs een spleet gemaakt. In den hollen kant legt men tegen die spleet eveneens wat zwam of fijn schrapsel van den bamboe zelf. Aan den bollen kant maakt men een kleine inkerving en wrijft dan vlug en stevig drukkend met de andere helft van den bamboe door die inkerving.. Ook op deze wijze ontstaat warmte en wordt het zwam tot smeulen gebracht.
Ofschoon de eerste wijze van vuur maken (arap) de meest gebruikelijke is, is toch takav de gewone benaming voor vuur in 't algemeen.
Als gebruiksartikel vindt het vuur nog zijn toepassing bij het vervaardigen van sieraden uit schelpen, inzonderheid uit de nautilus-schelp en de kokosschelp (cymbium armatum). Van langwerpige driehoekige scherfjes van de nautilusschelp maakt men kransen, die als borstsieraad dienst doen. Als zoodanig dient ook de toèman (eigenlijk: schouderblad), een gehalveerde nautilusschelp. Uit de kokosschelp wordt voornamelijk de godema (eigenlijk: navel) gemaakt, eveneens een borstsieraad. Godema is een omzetting van dakoem, navel, en komt gewestelijk ook in deze beteekenis voor. In het Marindineesch vindt men zeer veel van dergelijke omzettingen. In dit sieraad wordt nl. een stukje van
de navelstreng verwerkt. Het houdt dus verband met de geboorte en zal een magischen invloed op heel het verdere leven uitoefenen.
Om dit zoo harde materiaal in de gewenschte vormen uit te snijden, wordt de geheele schelp met een laagje leem bestreken. In die leemlaag teekent men de gewenschte figuren af, door de leemlaag weg te krassen. Vervolgens houdt men de schelp in het vuur. Waar de leem is weggekrast, brandt het vuur de schelp bros en kunnen er de afgeteekende stukken uitgebroken worden. De nog ruwe randen worden dan met een steen verder bijgeslepen. Op de Kei- en Tanembar-eilanden wordt een eenigszins andere werkwijze toegepast. Daar strijkt men over de uit te snijden lijnen met een stuk gloeiende kokosschaal om langs die lijnen de schelp bros te maken. Bij de Marindineezen bedient men zich daar wel van om figuren ter versiering op hout of bamboe te branden.
De Marindinees is ook landbouwer. Hij maakt tuinen voor het verbouwen van verschillende soorten aardvruchten, bananen en zijn genotmiddel de wati (piper methysticum) en tot kort geleden ook tabak, nu vrijwel geheel door den uitheemschen import verdrongen. Als schop of spade voor het aanleggen van zijn tuin bedient hij zich van een langen stok van hard hout, die aan den onderkant is afgeplat. Gewoonlijk is hij aan den onderkant ook nog voorzien van een dwarshoutje of afgeknot takje, waarop men den voet kan zetten, om de spade met meer kracht in den grond te drijven.
Terwijl onze hoveniers spreken van „bedden" bij hun tuinderij, spreekt de Marindinees van „booten", javoen. In tegenstelling met onze tuinders spit hij niet de plek om waar hij wil planten, maar daaromheen. Zijn „boot" is een langwerpig vierkant. Hij drijft zijn houten spade in den grond en wrikt een kluit aarde los. Een helper of helpster (want spitten van een tuin geschiedt in onderling hulpbetoon) neemt met de handen den kluit weg en werpt hem naast zich neer op de plaats waar de eigenlijke plantplaats moet komen. Op die wijze wordt rondom deze een sloot gedolven en door het opwerpen van den losgewoelden grond een terp, die ten slotte geheel door de sloot omringd wordt en dus een eilandje vormt, of zooals de Marindinees het ziet, als een boot in 't water drijft. Deze werkwijze biedt een dubbel voordeel: in dit moerasland heeft de opgehoogde grond in den regentijd geen last van overtollig water en de ringsloot biedt een goede afwering tegen vraatzuchtige varkens. De houten spade is thans geheel door een ijzeren verdrongen. Het keukengerief is uiterst primitief; potten of pannen zijn geheel onbekend. Van koken van spijzen is dan ook geen sprake. Aardvruchten worden daarom eenvoudig in 't vuur gepoft. Doch de voornaamste kost is de sago-koek die gaar gestoofd wordt in den polynesischen oven. Of men gaat nog eenvoudiger te werk. Sagodeeg wordt tot een bal gekneed, dien men in 't open vuur legt. De buitenste laag is dan al spoedig gaar gepoft. Men rolt den bal even uit het vuur, pelt de gebakken schil er af en verorbert die, terwijl men den bal weer in 't vuur legt. Zoo gaat men voort, totdat de heele bal verbruikt is. Opmerkelijk is het wel, dat men hier geen gemeenschappelijke maaltijden kent, noch in 't gezin noch bij feestelijke gelegenheden. Ieder der gerechtigden krijgt de hem toebedachte portie en gaat die verorberen waar en wanneer het hem schikt.
In het modderland dat Frederik-Hendrik-eiland heet is men nog niet aan steentijdperk toe. Op heel deze eilandengroep wordt geen steen gevonden en de bewoners voelen zich blijkbaar te zwak, om ze evenals de Marindineezen in het gebied van andere stammen op den vasten wal te gaan halen.
Om haar sagokoek te poffen gebruiken de vrouwen in plaats van steenen ballen van leem die men in de zon heeft laten verharden (zonnebak). Voor spade bedient men zich van 't okselstuk van het sagoblad; als bijl om sagoboomen te vellen bezigt men een dikke bamboespaan, waarmee men ten slotte na heel veel inspanning den harden vezeligen buitenbast dezer boomsoort beursch en eindelijk stuk weet te slaan.
Toch durven deze uiterst primitieve menschen voor hun doen grootsche werkzaamheden te ondernemen.
Elk hunner dorpen is een klein Venetië en bestaat uit een groep eilandjes, die uit een onafzienbaar moeras opduiken. Met minstens evenveel recht als wij Nederlanders kunnen zij er zich op beroemen, dat zij hun vaderland aan het water ontworsteld hebben. De eilanden, die zij bewonen, hebben zij zelf opgebouwd.
In den regenloozen oostmoesson vallen de moerassen grootendeels droog, doch de dorpen blijven steeds door een groot watervlak omgeven. Dit is een verdedigingsmaatregel: ze zitten veilig achter hun waterlinie, waar ze nooit onverhoeds door een vijand kunnen overvallen worden. Doch het peil van het water zakt dan daar ook aanmerkelijk. Men sleept nu groote hoeveelheden biezen en waterplanten bijeen en stapelt die in het water opeen. Om het wegdrijven te voorkomen, steekt men er lange stokken doorheen in den grond. Rondom diept men modder op van den bodem en werpt die op de biezenmassa, zoodat deze zinkt en zich weldra vastzet op den grond. Men kan er dan al gauw enkele bananen op planten. Elk jaar in den drogen tijd wordt het eiland uitgebreid, zoodat men er allengs ook kokos- en sagopalmen en andere nuttige gewassen kan poten. (...)
Henricus Geurtjens (1875-1957) was een Nederlandse missionaris, etnoloog en schrijver die van 1921 tot 1932 werkzaam was onder de Papoea's in Zuid-Nieuw-Guinea, waar hij onbekende stammen ontdekte en veel publiceerde over hun talen en culturen, waaronder zijn bekende "Spraakkunst van de Marindinese Taal".
De opbouw - democratisch tijdschrift voor Nederland en Indië jrg 8 1925-1926
H. F. Tillema
„EEN STERVEND VOLK HERLEEFT”
Merauke ligt ver, heel ver van Batavia, ’t Duurt drie maanden voor men vanuit Java ’t antwoord heeft op een brief. De boot doet n.l. één maand over de heenreis. Ze blijft er kort liggen, «te kort vaak om het antwoord op den brief mee te nemen, ’t Duurt dan een volle maand voor er weer gelegenheid is tot schrijven. En dan gaat er weer een volle maand mee heen eer het antwoord te Weltevreden is. ’t Gevolg van het lange wachten op antwoord is dit, dat men alleen schijft als men er toe verplicht is. ’t Gevolg hiervan is onbekendheid inde regeeringsbureaux, met nooden en toestanden, onverschilligheid. Tot schade van volk en land.
Op mijn reis werd mij herhaaldelijk de vraag gedaan: „Wat beweegt U in vredesnaam naar het verre Zd. Nieuw Guinea te gaan, een land waar voor U niets is te zien.” De vragers wisten niet, dat daar getracht wordt een uiterst belangrijk vraagstuk op te lossen: de regeneratie vaneen tot uitsterven „gedoemd” ras. Met opzet plaats ik het woordje gedoemd tusschen aanhalingsteekens. Immers, dat een stam, een volk, een ras t.z.t. uitsterven moet, schijnt voor iedereen een axioma. Want, zegt men: „Een ras is als een plant die groeit, bloeit en sterft”. Nu is het absurd een volk met een plant te vergelijken. De vergelijking gaat min of meer op voor het individu, maar niet voor de massa door die individuen gevormd. De mensch moet sterven evenals de plant (en dit is een groot geluk voor de menschheid, want bereikte hij den leeftijd der Californische reuzenboomen, er zou van evolutie inde maatschappij geen sprake zijn). Evenals nu een plant door haar zaad eeuwig is, is dit de mensch. Kan een plant door geologische of klimatogische invloeden verdwijnen, met den mensch is het net zoo: als de bodem daalt en de zee het land bedekt, is het leven voor de plant onmogelijk: ze verdwijnt. Als het klimaat van warm en vochtig, te heet wordt of te koud, kan de plant er niet meer leven. Ze sterft af. Dit ligt niet aan haar vrucht, haar zaad, maar aan de omstandigheden, die den groei onmogelijk maken. Zoo gaat het ook met den mensch: als hij uitsterft of verdwijnt, ligt dit niet aan de omstandigheid, dat zijn zaad geen kiemkracht meer bezit, dat hij zich niet meer voortplanten kan, aan wat men met een vaag woord „degeneratie” noemt, maar aan het feit, dat hij zich niet meer vermenigvuldigen w i 1. Hij heeft niet het vermogen verloren, maarde wil. Aan dit biologisch feit wordt weinig gedacht. Waren politici en wettenmakers op de hoogte van levenswetten, dachten ze minder sterk economisch, verwachtten ze niet alle vooruitgang van industrie, handel en verkeer, de menschheid zou er zeer bij winnen. Nu graven de Westersche volken hun eigen graf. Ze zullen verdwijnen als hun voorgangers de Romeinen en Grieken, als het zoo doorgaat! Dit tusschen haakjes!
Ik keer terug, tot de Kaja-kaja’s, de veel gesmaden en verachten. Oie smaad, die verachting zijn te wijten aan onwetendheid en onbekendheid. Reizigers, bezoekers, explorateurs, ze kennen niet hun taal, hun gewoonten, zeden en gebruiken. Is het wonder, waar een stedeling in Holland den plattelandsbewoner al zoo weinig kent en waardeert, dat dit, wat den Kajakaja betreft, oneindig veel grooter afmetingen heeft aangenomen? Zij, die den Marind-anim (de eigenlijke naam van de menschen die wij Kaja-kaja’s noemen) kennen, zeggen, dat hij is een „trotsch man met grooten natuurlijken takt en tal van sympathieke eigenschappen. Hij houdt van natuurschoon wat bij natuurvolken een groote uitzondering is heeft veel zin voor humor. De Papoea teekent zeer goed, houdt van muziek. Die muziek is welluidend. Componisten en schilders, ook letterkundigen zouden hun kennis zeer kunnen verrijken door de kunst der Papoea’s te bestudeeren.”
„Hij is zeer gehecht aan zijn naaste familieleden, aan eigen land en dorp en velden, zelfs aan eigen hond of varken of trom of boog, of mandje of sieraad. Wanneer een jongen zijn versierselen afgooit om de nieuwe mode der kleeding te volgen, zullen vader en moeder die versierselen tegen den neus drukken vol innigheid. Als men een cadeau naar een verren vriend zendt, zal men niet vergeten er een bijzonder teeken op te krassen, of er een bundeltje gras of wat anders aan te hechten of er wat bloed op te smeeren, opdat de vriend toch goed zal weten, dat men aan hem denkt en veel van hem houdt. Wij kunnen misschien er even om lachen, vanwege de vreemde manieren,” zegt pater van der Kolk, „maar die lach van den blanke zou ook kunnen bewijzen, dat hij de diepe ziel van den wilde niet begrijpt.” „Bij systematische opvoeding is het zeer goed mogelijk er een rustig lid van de maatschappij van te maken.” Vuil is hij, de Kaja-kaja, in zeer hooge mate. Maar, vertelde Dr. Thierfelder me, door opvoeding kan daarin verbetering worden gebracht, de bewijzen zijn er. Lui noemt men hem ook. „Nu is de rust voor de helft der rustenden niet verdiend,” zegt pater Vertenten, „maar anderen is ze gaarne gegund: als inden regentijd de muskieten hen ’s nachts gaan kwellen, maken ze soms van de nood een deugd en gaan dansen. Overdag is het op hun velden evenmin te houden van de muggen. Bovendien is het er te nat om te werken. Dan zegt de Kaja-kaja: „vandaag neem ik het er van”. Hij neemt een portie wati en slaapt van tien tot drie. Als hij ontwaakt, is de groote hitte voorbij. De Europeaan, die zijn volle nachtrust heeft gehad ineen goede klamboe, komt overdag in het dorp, en ziet ’n forsche kerel liggen slapen. „Luilak,” denkt of zegt hij. De Marind-anim spreekt dan met een onschuldig gezicht van zazoe (moe, vermoeid, in al zijn graden en nuancen; beteekent ook rusttijd). Inden maneschijn en dat is de helft van ’t jaar gaande menschen graag op varkensjacht, soms ook op de vischvangst. Weer liggen ze dan een dag zalig te slapen onder de klappers. Niemand die er aanstoot aan neemt, tenzij de onwetende vreemdeling.”
Dat de vrouw er zeer hard werkt, is een waarheid, waarvan de bezoeker weinig merkt, maar niettemin is het een feit! Naast haar verschillende huishoudelijke bezigheden, verricht ze ook nog zwaren arbeid op de velden. Bovendien komen het kinderen baren en voeden voor haar rekening! Is het wonder dat ze voor haar tijd oud is en dat dit alles van grooten invloed is op kindergeboorte en -sterfte, de twee groote factoren, die het bevolkingsvraagstuk bepalen!
De Kaja-kaja is dus niet het verachte wezen, dat onze belangstelling niet waard is. Zeker, economisch beteekent hij nog zeer weinig, maar mag dit voor een beschaafde natie een reden zijn hem aan zijn lot over te laten? Ik doe die vraag, omdat ik deze meening op mijn reis herhaaldelijk van hoog ambtelijke zijde heb gehoord! Ik heb allen eerbied voor menschen met economische kijk op zaken, ik begrijp zeer goed, dat velen door hun ambt, beroep, betrekking, streng economisch moeten denken, niet anders kunnen of mogen. Maar ik voel eveneens, dat de ambtenaar, die de sociaal-hygiënische belangen der vele verschillende meer of minder „handelswaarde” bezittende rassen van het uitgestrekte Indonesië moet behartigen, en zuiver economisch denkt en handelt, kortzichtig is, geen sociaal- hygienist is. Ik hoop gelegenheid te vinden deze orakelachtig schijnende uitspraak t.z.t. toe te lichten. Toen de Zd. kust van Nieuw Guinea geopend werd ’t is nog maar ruim 20 jaar geleden vestigde zich daar al vrij spoedig de zending. Ze zag, dat het aantal menschen inde buurt van Merauke zienderoogen verminderde. Van Juli 1910 tot id. 1915 stierven er inde beide kampongs Mewi en Okaba 110 menschen, werden er slechts 18 geboorten geteld. De zending sloeg alarm, vroeg hulp aan de regeering in moederland en Indië. Men hoorde haar stem niet, of als men ze wel vernam, dacht men. „Wat kan ons die Papoea’s schelen, die minderwaardige individuen, te gedegenereerd om mensch te heeten, te lui om te werken, te diep gezonken om hulp waard te zijn.” Maarde pastoors rustten niet! Ze riepen om hulp, om redding! Tot hun stem werd gehoord en het S. D. A. P.-lid der Tweede Kamer, de heer van Zadelhoff, de aandacht voor ze eischte. Toen moést men helpen! Een bekwaam arts, de heer Thierfelder werd naar Merauke gezonden om in samenwerking met Bestuur en Zending hulp te brengen. Nog net op tijd. Gemakkelijk was het werk onder deze „wilden” niet! Groote uitgestrekheden land moesten worden bereisd onder zeer bezwarende omstandigheden om de oorzaken van het snelle uitsterven vast te kunnen stellen. Die oorzaken waren: het koppensnellen en venerische ziekten. Het koppensnellen werd door het bestuur zooveel mogelijk tegengegaan. Dit bracht meer veiligheid in het land. Dank zij het streng opvolgen der wetten op het erfrecht, komt het voor, dat iemand zijn velden vele dagreizen ver van zijn woonplaats heeft liggen. Waar de Kaja kaja niet in totemgemeenschap mag huwen, moet hij zijn vrouw elders zoeken. Door de meerdere veiligheid nam het verkeer onder de menschen toe, wat de verspreiding van geslachtsziekten inde hand werkte. Voor de komst van Thierfelder meende men, dat het syphilis was. Deze heeft echter uitgemaakt, dat het venerische granuloom is, een ziekte, die endemisch is. Ook gonorrhoe, van buiten ingevoerd, werkte tot steriliteit mee. Meenend syphilis voor zich te hebben, werden de menschen voor de komst van den dokter met medicijnen behandeld, waardoor ze wel niet genazen maar waarvan ze wel verzachting ondervonden. Dit was echter van noodlottigen invloed op het voortbestaan. Vroeger, bij niet behandeling, verloren mannen en vrouwen heel gauw het vermogen tot geslachtsgemeenschap. Nu echter niet meer in die mate, zoodat de besmetting, ten gevolge van hun eigenaardige gewoonten en zeden en het meerdere verkeer, voortwoekerde.
In 11 maanden tijd behandelde de arts 1800 zieken; per dag gemiddeld 45! Dit beteekent 81000 behandelingen met meer dan 40.000 intraveneuse injecties. Hiervoor moet gemiddeld per dag 6 uur onafgebroken gewerkt worden. Voegt men hierbij nog de vele operaties, de ziekenverpleging als temperatuuropnemen, verstrekking van medicijnen, het verblinden en behandelen van niets anders dan hoogst kwalijk riekende genitaliën, bereiding en verstrekking van voedsel, de vele reizen diep het binnenland in, dan beseft men ongeveer dat er hiervoor toewijding noodig is geweest, boven alle lof verheven! Het grootsche van den arbeid is vooral gelegen in het overwinnen van de groote moeilijkheden verbonden aan het monotone, groote nauwgezetheid eischende werk, niet veraangenaamd door ontspanning of afwisseling! Naast den dokter komt groote lof toe aan den verpleger Demouge en de vier Javaansche ziekenoppassers! Een geluk voor de zieken was het, dat Mevrouw Thierfelder nooit aarzelde om te helpen als haar echtgenoot op dienstreis was, ver de binnenlanden in! Mevrouw is n.l. ook arts. Ik voeg er nog aan toe, dat het wetenschappelijke werk van het echtpaar onder zeer bezwarende omstandigheden werd verricht: geen laboratorium, geen hulpmiddelen, geen assistentie, geen medewerking van Weltevreden! Ik wil dit even illustreeren: een teekenprisma was er niet: de dokter maakte er een van 3 dekglaasjes en brievenlak. Een broedstoof maakte hij vaneen petroleumblik; verbandartikelen ontving men in zeer onvoldoende mate! Het kunststuk werd volbracht volslagen „wilden” te onderwerpen aan een zeer langdurige ziekenhuisbehandeling! Ik heb ze gezien in ’t ziekenhuis, waar ze zich vrij konden bewegen, hun potje koken, in ’t zand konden gaan liggen, ’t Leek niets op een Europeesche verplegingsinrichting maarde menschen voelden er zich als thuis, ze bleven er en genazen ! Medisch staat het genezen positief vast, verzekerde Thierfelder mij.
De behandeling ondervindt waardeering van de „wilden”. Reeds thans komen velen uit eigen beweging om zich te laten cureeren. Velen houden zich echter ook nog schuil. Wat niet anders dan natuurlijk is in zoo’n primitieve maatschappij. Thierfelder vertelde me nog, dat het centrum der ziekte vroeger vermoedelijk aan de kust lag, maar dat het zich verplaatst heeft naar de Boven Merauke-, Koembe-, Biang-, Elirivier. Hij voegde er aan toe dat het gebied thans nog is te overzien en dat het nu nog mogelijk is de ziekte te beheerschen. Bij een onderzoek in dorpen, waar een jaar geleden het ziektecijfer 22 tot 25% was, was het thans de 8—12%, ja zelfs 2 tot 3% ! Dit schitterende resultaat is in één jaar bereikt !
Nog enkele jaren van krachtdadig optreden is noodig. Veel geld zal dit niet kosten: enkele duizenden guldens per jaar. De factoren, die het volk decimeerden: de sneltochten, de sexueele misbruiken, de venerische ziekten, het gebrek aan gezond familieleven, dat zijn zaken, die in betrekkelijk korten tijd kunnen worden uitgeroeid. Op de weinige plaatsen, waar dit sedert eenige jaren geschiedt, b.v. Wendoe, neemt reeds thans het aantal kinderen flink toe.
Pastoor Vertenten zond me een statistiekje vaneen der modelkampongs, die ik heb bezocht, ’k Neem het even over: 1920 op 26 gezinnen 13 geboorten 4 sterfgevallen (kinderen) 1921 » 40 112 1922 „40 „ 17 2 ' » ff ff
1923 op 40 gezinnen 14 geboorten 5 sterfgevallen (1 volwassen, 5 kinderen) 1924 „ 41 „ 9 6 (3 volwassen, 3 kinderen) (Onder de geboorten zijn 5 doodgeborenen, waarvan er 4 te wijten zijn aan venerische granuloom).
„Men ziet thans weer kindertjes, gezond en wel. De blijdschap der jonge moeders en meer nog misschien die der grootouders is groot. (Tout comme chez nous. T.) De Kaja-kaja is een „anim lia”, een echt mensch, die veel van kinderen houdt. Monseigneur Aerts hoopt binnen twee jaar (de brief is gedateerd 20.12.24 T.) pleegzusters te hebben, die o.m. de zorg op zich zullen nemen voor een zuigelingentehuis, waaraan hier, volgens Dr. Thierfelder, groote behoefte is. Het is de bedoeling langzamerhand langs de kust nieuwe kampongs te stichten. De missie houdt nu 4 punten bezet en werkt van daaruit op alle dorpen, gelegen tusschen Sarire en Wambi. Ook hopen wij een paar voorname plaatsen in het binnenland te kunnen bezetten.”
Monseigneur Aerts schreef me November ’24: „In November ben ik op Zd. Nw. Guinea geweest. Ik mocht met voldoening overal vooruitgang bespeuren. Alles gaat uit den aard der zaak langzaam, maar het gaat vooruit.”
De assistent-resident Kroesen schreef indertijd: „de inheemsche bevolking van dit gewest is arbeidzaam en leerzaam en voorbeschikt om spoedig tot beschaving te komen, mits zij wordt gesteld onder goede en vooral praktische leiding.” Ik haal met instemming deze woorden aan, omdat waardeering van den Kaja-kaja in Indië zoo uiterst zeldzaam is.
Tot slot merk ik op, dat de arbeid vaneen menschlievend arts, die hulp brengt, een pacificatiemiddel is, honderdmaal humaner, goedkooper en beter dan het zenden van soldaten en politie !
Op mijn reis kreeg ik den indruk, dat er voor het nuttige en menschlievende werk op Zd. Nieuw Guinea, tot dusver verricht, weinig meer wordt gevoeld. Ik hoop echter, dat ik mij vergis. Mocht dit niet het geval zijn, dan vertrouw ik, dat er vanuit Volksraad en of Volksvertegenwoordiging stemmen zullen opgaan voor verdere maatregelen der herleving vaneen tot uitsterven „gedoemd” volk! Door den fatalen invloed der Europeesche cultuur zijn tal van primitieven, vaak met hooge beschaving, ten gronde gegaan (Indianen, Nieuw-Hollanders, N. Zeelanders, Mexicanen, Peruanen, Polynesiërs, Melanesiërs, enz.) De hoog beschaafde Europeesche naties hebben het uitstervingsproces dier volken gelaten aangezien. Immers: „hun tijd was gekomen”. Dat dit uitstervingsproces kunstmatig was, te wijten aan het plotseling contact met den Europeaan, men wist het niet. Het zij zoo! Maar laten wij Nederlanders, die het voogdijschap over dergelijke primitieve menschen hebben aanvaard, er tegen waken, dat de geschiedenis ook van ons zal getuigen: „De Nederlanders hebben nagelaten wat hun moreele plicht was, omdat er geen directe verdiensten mee te behalen waren.”
H. F. TILLEMA.
Pater Vertenten laat vanuit Okaba in 1918 horen:
Hier gaat alles zijn gewone Nieuwguinese gang. Alleen werd de vogeljacht geopend. Een hele drukte voor deze negorij. Niet minder dan vierhonderd jagers trekken er op uit, liefst naar de Digoelrivier. Arme paradijsvogels! Hoevele zullen er weer het leven moeten laten! Vooral om de nukkige vrouwenmode. Dit jaar zullen ze liefst zes maanden uitblijven. Ondertussen treurig, dat de eerste aanraking van de beschaving met de mensen van het binnenland weer meer de kiemen zal leggen voor die treurige ziekte, die de kust reeds zo jammerlijk ontvolkte. Wel is men overdreven ethisch, als het er op aankomt de Papoea tot eigen heil eens flink aan te pakken; maar dat hij zijn ondergang tegemoet gaat door syfilis, schijnt de heren minder aan het hart te gaan. Zeker zal daarvoor wel ooit iets gedaan worden, maar liefst niet als het te laat is.
Pater Vertenten MSC in: De Java-Post, jg. 16, 1918, p. 211. geciteerd in Boelaars 1992 p. 213
ONDER DE KAJA-KAJA'S VAN ZUID NIEUW GUINEA
H. GEURTJENS MSC 1933
OP ZOEK NAAR OERMENSCHEN
H.GEURTJENS MSC 1934
OOST IS OOST EN WEST IS WEST -
H.GEURTJENS MSC 1946
NIEUW GUINEA UW MENSEN ZIJN WONDERBAAR- HET LEVEN DER PAPOEA'S IN ZUID NIEUW GUINEA.
Etnoloog Dr J. BOELAARS 1953
MET PAPOEA'S SAMEN OP WEG 1
Dr J. BOELAARS 1992
DEMA DESCRIPTION AND ANALYSIS OF MARIND-ANIM CULTURE (SOUTH NEW GUINEA)
WITH THE COLLABORATION OF FATHER J. VERSCHUEREN
Dr. J. VAN BAAL 1966
DE REDDER DER KAЈA-KAJA'S PATER PETRUS VERTENTEN
JORIS VLAMYNCK M.S.C. 1949
Overige beeldcollecties Papua Selatan:
ASMAT:
ASMAT / MAPPI:
ASMAT / MAPPI / DIGOEL: