Papua Tengah: Mimika
Bewerking kaart van auteur: Hddty, CC BY-SA 4.0 via Wikimedia Commons
De Kamoro
De naam Mimika is ontleend aan de rivier de Mimika bij Kokonao; de bewoners zelf hebben geen naam voor de streek als geheel, maar zij stellen zich als 'Kamoro', levende mensen, tegenover de schimmen en geesten of als 'Wénata', echte mensen, tegenover hun buren in het oosten (de Asmat bevolking) of tegenover hun buren in het noorden (de Ekari) in de bergen. Mimika zelf is dan de kuststreek tussen de Etnabaai in het westen en de Otokwarivier in het oosten. Dit vlakke land aan de zee wordt doorsneden door ongeveer zestig rivieren, moeras- of bergrivieren.
De oorspronkelijke situatie zag er als volgt uit:
De bevolking van de Mimika is semi-nomadisch, dit is: zij trekt steeds van de kust naar het binnenland en komt er weer van terug. Aan de kust kunnen de mensen vis vangen, in het binnenland sago kloppen. Daarom leefde men in kleine verspreide eenheden in semi-permanente nederzettinkjes. Daar bewoonden allen samen telkens een of meer lange, lage gemeenschapsverblijven, die met elkaar in verbondenheid
leefden. Samen gingen zij ten strijde, samen vierden zij feesten en onderling huwden zij de vrouwen uit. Dit 'complementaire' blijkt de grondvisie en de grondslag van het dagelijkse leven. Zij drukken dit uit in het mannelijke enerzijds tegenover en samen met het vrouwelijke anderzijds in spel en tegenspel. Zo bestaat reeds elk gemeenschapshuis uit twee groepen, twee blokken van mannen met hun vrouwen, kinderen en bijwoners en zulk een blok kijkt niet allereerst naar bloedverwantschap, maar naar gezamenlijk grondbezit. Deze economisch-sociale eenheid houdt bovendien vast aan haar eigen medische praktijken. Men telde honderdzestig eenheden (taparu) in de vijftig gemeenschappen. Op die eigen gronden liggen hun sago-arealen, hun tuinen, hun bosgebieden en hun visterreinen. Daarbij zijn de vrouwen zich heel bewust van het feit dat zij vooral van deze terreinen gebruik maken en daarom wel een 'stem' hebben bij alle regelingen daaromtrent. Die gebruiksrechten - vooral van de visterreinen - gaan over van moeder op dochters. In de bossen kunnen bomen die zijn bedoeld om er prauwen van te maken of sagolarven in te kweken, individueel bezit zijn, maar het bos of de grote rivieren behoren aan allen te zamen toe.
Boelaars 1995 dl.2 p 252-254
Twee jongetjes in de Mimika. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20170-47
Kokonao. Opname Jan Wempe OFM ca 1950. Negatief IrianJaya3-216-003
Blije Kamoro-jongelingen. Mimika-K-070
Dorp in de Mimika ca 1955. Piet ter Laag 8-104
Mimika 1934. Jongens met groot visnet geknoopt met eigen gemaakt touw - Afdrukken-Zuid Papua-008
Kamorovrouwen vlechten matten in een dorp in de omgeving van Aikwa 1936-1937. TM-ALB-0650-50 CC-BY-SA NMVW
IrianJaya-3-229-012 Sago oogst
Kamoro jongens en mannen met een gevangen zeekrokodil. Diapositief Joop Sierat Mimika-1965-053
Jonge Kamoro moeders met kinderen, Mimika midden jaren '50. Negatief IrianJaya3-216-015
Kamoro gezin ca 1957. Filmnegatief OFM IrianJaya4-286-004
Reiniging van het grasveld rond de school te Kokonao, 1957. Henk Blom 1957-021
Jongens met lichaamsbeschildering en vezelrok behorend bij de initiatie (Taori Karapao),1972. Foto-afdrukken Huub Zwartjes (op de foto rechts te zien) Album1-57-023 en 031.
De kinderen zijn geschilderd met een afbeelding van de afkomst van hun ziel: rechts van moederskant, links van vaderskant (Floor Hoogenboom).
Bisschop Herman Münninghoff met door de Kamoro vervaardigde staf en hoofdtooi (rechter opname) tijdens zijn vormingstournee 1972. Foto-afdruk Huub Zwartjes 30-007
Bisschop Münninghoff en gedeeltelijk schuilgaand achter de Mbitoro pater Huub Zwartjes onder de Kamoro. Foto-afdruk Huub Zwartjes Album1-58-025
Kamoro man met jaarvogelversiering in zijn kapsel. Bob Schijns thema's diapositief Asmat-7-002 Mimika
Kamoro man met houten vogel in kapsel, ca 1955. Diapositief Piet ter Laag 8-105
Portret van een man met een gevlochten hoofdsieraad voorzien van paradijsvogel-veren. 1912-1913. RV-A188-1-18 CC-BY-SA NMVW
Pygmies and Papuans , The Stone Age To-day in Dutch New Guinea, A. F. R. Wollaston p. 078
Bisschop Herman Münninghoff met Mimika,- of Kamorotooi. ca 1971.
Prauwen met Papoea's die een bezoek brengen aan het basiskamp van de Wollaston-expeditie 1912-1913. RV-A188-1-21. CC-BY-SA NMVW
Op bovenstaande opname dragen enkele Kamoro-mannen een ooit zeer gebruikelijke peniskoker. Ook ten tijde van de Wollaston-expeditie was deze al vaak vervangen door een lendendoek.
Portret van een man in de Mimika. Wollaston 1912-1913. CC-BY-SA RV-A188-1-17 NMVW
Peniskokers van de Kamoro (met uitzondering van 468). Zuidwest Nieuw-Guinea Expeditie 1904-1905 Ethnografica Plaat XI
Omtrent het dragen deed Dr.KOCH bij Mimika in 1904 analoge ervaringen op als MULLER in 1828 aan de Oetanata. Ik vind toch in Dr. Koch's aanteekeningen het volgende : Deze bamboe-kokers van verschillenden vorm werden door bijna iederen man gedragen die in prauwen van de kust, op de hoogte van Mimika ons schip naderde. Het viel mij op "bij het ruilen van deze foedralen, dat de menschen niet dadelijk begrepen wat we van hen wilden hebben als we naar deze voorwerpen wezen. Ze kwamen eerst met allerlei andere dingen voor den dag, omdat ze de kokers blijkbaar niet voor ruilvoorwerpen hielden. Maar toen ze eens begrepen wat we wilden hebben, gaven ze die gewillig voor wat wij er voor in ruil aanboden; evenwel boden zij ze zelden spontaan aan, doch wachtten meestal tot wij er om vroegen, terwijl ze toch allerlei andere zaken en lijfsieraden uit zichzelf aanboden. Ook viel het mij op dat ze niet het minste blijk gaven van een soort gegeneerdheid of verlegenheid als ze door die kokers af te doen, het membrum virile ontblootten en het ook verder onbedekt lieten. Hetzelfde merkte ik op bij de mannen in de buurt van Merauke, als ze niet, zooals in de nabijheid van vrouwen scheen te behooren, den penis hadden opgehaald met de voorhuid tusschen buikwand en buikgordel, doch wanneer ze dezen lieten hangen. (...) Het plaatselijke woord voor penis-koker was te Mimika kamarre-poko, van kamarre = penis. De meest voorkomende vormen zijn - zie Plaat XI - die van de nummers 76, 79, 80, 83, 84 (2 afbeeldingen) en 86; de nummers 75, 78 ( 2 afbeeldingen), en 88 ( 2 afbeeldingen) hebben een meer afwijkenden vorm. (...)
G. P. ROUFFAER. pp. 617-618 De Zuidwest Nieuw-Guinea Expeditie 1904/5, Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, Boekhandel E.J. Brill Leiden 1908
Prauwen van Asmat- en Kamoro Papoea's gefotografeerd vanaf een schip van de KPM 1950-1951 Kamoro TM-10008243 CC-BY-SA NMVW
De prauwen van de Kamoro en die van de Asmat zijn op bovenstaande opname gemakkelijk te onderscheiden daar de eerste een breed voorstuk kennen waarop de voorste vaarder daadwerkelijk kan staan om met een speer te vissen of te jagen. De prauwen met de overdwars op de romp aangebrachte banen en het spits uitlopende boeg zijn karakteristiek voor de Asmat.
Prauwen met Papoea's die een bezoek brengen aan het basiskamp van de Wollaston-expeditie 1912-1913. RV-A188-1-20 CC-BY-SA NMVW
Mensen van Mimika komen bijeen voor vormfeest in Atoeka 1934. Rechts aan de oever pater Tillemans. Afdrukken-Zuid Papua-011
De Kamoro kennen ook prauwen met een spits toelopende sneb, deze werden veel gebruikt voor de gewone navigatie in de smallere, kronkelende moerasbossen en rivieren.
Kamoromannen in een prauw, 1908-1909. TM-ALB-0100-107 CC-BY-SA NMVW
Prauwversiering (zie voorgaande opname).TM-ALB-0100-108 CC-BY-SA NMVW
Een los opgezette ajour bewerkte boegversiering op een Kamoro-prauw
Mimikaan met prauw. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027-20170
Aan de boorden van de romp en op het blad van de hier omhoog gehouden pagaai zijn typische Kamoro-motieven uitgebeiteld
Gemaskerde mannen bij een voorouderpaal tijdens een initiatiefeest in een dorp aan de Mimikarivier 1916 TM-10008208 CC-BY-SA Collectie Wereldmuseum trefwoorden: Kamoro Mimika Mbitoro
Tot het meest spectaculaire houtsnijwerk behoort een Mbitoro, een ceremoniële geestespaal. Ze variëren in hoogte van miniaturen van minder dan veertig centimeter tot palen van ruim vier meter. Er is een gelijkenis met de Asmat-cultuur, waar Bisj-palen eenzelfde vorm en functie hebben. In beide gevallen wordt het snijwerk gebruikt in rituelen en symboliseert het onlangs overleden voorouders. Een Mbitoro-paal kent één, twee of maximaal drie uitgesneden mannen met hun lichamen door elkaar gestrengeld, en een zogeheten okemere, het vlagvormig uitsteeksel bovenaan de paal. Het uitsteeksel is gemaakt van wortels van een mangrove-boom. De onderkant van de boom is dus de bovenkant van de Mbitoro. Naast het eerbetoon aan de overledene, staat de Mbitoro ook centraal bij een initiatieritueel, echter zonder het element van neus-doorboring (met een stok die tot vier meter lang kan zijn) dat in mytische tijden werd gebruikt. Dit ritueel wordt in de huidige tijd weer in toenemende mate uitgevoerd.
Bron: papuaerfgoed.org/kamoro-veert-langzaam-op
Foto van het varkensfeest in Mimika 1937-1938. TM-ALB-2004-230 CC-BY-SA NMVW
Neusdoorstekingspaal Mbitoro 1925-1940. TM-ALB-1774-98 CC-BY-SA NMVW
Gemaskerde mannen bij een voorouderpaal tijdens een ritueel ter herdenking van overleden stamgenoten 1930-1940. TM-60045621 en TM-60045624 CC-BY-SA NMVW
Plaatsing van een mbitoro. Diapositief DB3sttp-1-086
Mbitoro ca 1985. H. van de Kerkhof B3s1 - 002
Mbitoro voor de Karapao Kame (initiatiehuis voor de jongelingen) ca 1985. H. van de Kerkhof - Kokonao d1s1 -011
Mbitoro fragment. H. van de Kerkhof - Kokonao d1s1 -002
Mbitoro 1987. H. van de Kerkhof - Kokonao d1s1 -017
Mbitoro ca 1985. H. van de Kerkhof - Kokonao d1s1 -044
Mbitoro ca 1985. H. van de Kerkhof - Kokonao d1s1 -026
Mbitoro. H. van de Kerkhof - Kokonao d1s1 -003
Karapao-feest. Huub Zwartjes Album1-58-014
In de kern is het karapao-feest een initiatieritueel (overgangsritueel) voor jonge Kamoro-jongens. Tijdens dit feest worden zij officieel ingewijd in de volwassen samenleving. Ze krijgen hiermee hun traditionele rechten en plichten toebedeeld. Na de inwijding worden zij geacht de familietradities voort te zetten als houtsnijders, dansers, zangers of jagers. Voor het feest bouwt het hele dorp samen een speciaal, meterslang ceremonieel gemeenschapshuis dat eveneens de naam karapao draagt. Dit tijdelijke bouwwerk fungeert als het rituele centrum bij de jongens-initiatie, Vlak voor de ingang van dit huis worden de monumentale mbitoro's in de grond gezet om de waakzame geesten van de voorouders tastbaar aanwezig te laten zijn. Tijdens het moderne karapao-feest kiezen gezinnen er vrijwel altijd voor om de doorboring puur symbolisch na te bootsen. De jongens ondergaan de ceremonie en de initiatie, maar de fysieke ingreep in het neustussenschot wordt overgeslagen.
Een Kawe waarmee een bisschop gerepresenteerd wordt en een Mbitoro of neusdoorstekingspaal. Afdrukken-Z-002
Kawe (menselijke figuur) is de inheemse term voor een losstaand of in reliëf uitgesneden beeld dat puur een menselijke gedaante (voorouder) representeert. Ze missen de abstracte, opengewerkte vlagvorm aan de top die zo kenmerkend is voor de meestal veel hogere Mbitoro. Een Kawe stelt het fysieke lichaam (kao) voor van een recent overleden of legendarisch lid van de gemeenschap.
Voorouderfiguur Kokonao. Opname Jan Wempe OFM 1947-1962 Negatief Irian Jaya 3-216-013
Kamoro trommels. A F R Wollaston 1912-1913. CC-BY-SA RV-A188-1-25 NMVW
De Amungmè
Het woongebied van de Amungmè: de Tsinga, Wea en Noema-vallei
De Tsinga-vallei, Wea-vallei en Noema-vallei zijn bergachtige valleien in de centrale hooglanden van de Indonesische provincie Centraal-Papoea (voorheen onderdeel van de provincie Papoea) op het eiland Nieuw-Guinea. De valleien liggen in het bergachtige binnenland, ten zuiden van de bergketen rondom de Puncak Jaya (de Carstenszpiramide), de hoogste berg van Oceanië. Bestuurlijk vallen ze grotendeels onder de regentschappen Mimika en Puncak.
De Amungme (hooglanders) en de Kamoro (laaglanders, in de koloniale tijd vaak Mimika-Papoea's genoemd) onderhielden een eeuwenoud, intensief en onmisbaar handelsnetwerk want waren voor verschillende luxegoederen en levensmiddelen van elkaar afhankelijk. Er bestonden vaste handelsroutes door de bergpassen:
De Kamoro leverden producten uit de kuststreek en de mangrovebossen. Dit waren vooral zee-zout (cruciaal voor het conserveren van voedsel en als voedingsstof in de bergen), schelpen (die de Amungme gebruikten als status- en betaalmiddel, zoals de cowrie-schelpen), gedroogde vis en kano-hout.
De Amungme brachten producten uit de bergen mee naar beneden, zoals hoogwaardige tabak, specifieke soorten jachtbuit (varkens, boomkangoeroes), vogelveren (voor ceremoniële hoofdtoooien) en specifieke stenen voor het maken van stenen bijlen.
Grensgeschillen, diefstal van handelswaar of beschuldigingen van zwarte magie (hekserij) konden leiden tot felle, kortstondige ruzies of overvallen tussen specifieke clans aan de randen van hun territoria maar in tegenstelling tot de bloedige, slepende stammenoorlogen die de Amungme voerden met hun directe buren in de hooglanden (zoals de Dani), waren de conflicten met de Kamoro zeldzaam. De wederzijdse economische afhankelijkheid van de handel was simpelweg te groot. Men kon het zich niet veroorloven de aanvoer van zout of tabak permanent af te snijden.
De omslag na 1967: met de komst van Freeport verloren de Amungme hun bergen (de top) en de Kamoro hun rivieren (het slib en afvalwater stroomde naar de laaglanden). Vanaf dat moment werden de twee stammen door het lot samengedreven in een gezamenlijke politieke en sociale strijd tegen de exploitatie van hun traditionele grondgebieden.
Het eerste contact met de Amungme. A.F.R. Wollaston 1912-1913. CC-BY-SA RV-A188-1-43
Wollaston legde in 1912 het allereerste, pure contact met de Amungme (destijds Damal of Ugunduni genoemd) tijdens zijn expeditie naar de Carstenszpiramide.
Via de rivier de Utakwa, die uitmondt in de Arafurazee aan de zuidkust, gingen 225 mannen het binnenland in. De Utakwa was in 1910 op bevaarbaarheid verkend door de Nederlanders, terwijl de Britten door de Nederlandse overheid in Batavia geadviseerd was om via de ongeveer 100 km westelijker gelegen Mimika het Carstenszmassief te bereiken. Wat onmogelijk bleek. De expeditie volgde nu de route van de Nederlandse militairen en sloeg het basiskamp op waar de Utakwa en Setakwa samenkomen. Van daar kon men met kano's verder stroomopwaarts tot 'Canoe Camp', waar de Setakwa wegens verdere onbevaarbaarheid werd verlaten. Op weg naar de bergen werd een aantal kleinere depotbivaks aangelegd, die bemand werden achtergelaten. Gaandeweg kwamen honderden vriendelijke Papoea's uit de bergen de expeditieleden begroeten en leidden hen verder naar boven. Deze bergbewoners, die zich Amungme noemden, waren bekend met de routes naar de bergen en lieten duidelijk merken dat zij wisten wat sneeuw was. Op 30 januari 1913 leidden drie Amungme-mannen Wollaston, Van de Water en enkele Dayaks naar de rand van een gletsjer, die slechts bereikt kon worden via een steile klip. Van de Water was de eerste die de sneeuw bereikte en juichte 'Leve de Koningin', waarmee hij te kennen gaf dat de expeditie in Nederlands-Nieuw-Guinea niet helemaal een Britse aangelegenheid was. Het hoogste punt dat ze bereikten lag op 4531 meter (14.866 feet) boven zeeniveau.
Amungme familie. A.F.R. Wollaston 1912-1913. CC-BY-SA RV-A188-1-47 NMVW
Amungme vrouw. A.F.R. Wollaston 1912-1913. CC-BY-SA RV-A188-1-57 NMVW
A. F. R. Wollaston 1912-1913. CC-BY-SA RV-A188-1-50 NMWV
Voedselbereiding Damal. A. F. R. Wollaston 1912-1913. CC-BY-SA RV-A188-1-45 NMVW
Portret van een groep Amungme Papoeas tijdens een onverwacht bezoek aan de leden van de Colijn Expeditie naar het Centrale Bergland van Nieuw-Guinea 1937. CC-BY-SA TM-ALB-0650-5 NMVW
De Colijn-expeditie naar het Centrale Bergland (beter bekend als de Carstensz-expeditie) vond plaats in 1936 in het toenmalige Nederlands-Nieuw-Guinea. Deze legendarische berg- en geologische expeditie werd geleid door Anton Colijn, geoloog en amateur-bergbeklimmer (tevens de zoon van de toenmalige Nederlandse premier Hendrikus Colijn).
Samen met geoloog Jean Jacques Dozy en piloot Frits Wissel trok hij vanuit de zuidkust (Aika) het onherbergzame, destijds grotendeels onbekende binnenland in om de eeuwige sneeuw van het Carstenszgebergte te bereiken, hetgeen op 5 december 1936 gelukte toen de top van de Ngga Pulu (toen ca. 4.900 meter hoog) behaald werd. De steile, rotsachtige wand van de Carstensz-piramide (Puncak Jaya) konden zij met hun toenmalige uitrusting nog niet bedwingen.
Tijdens de tocht deed geoloog Jean Jacques Dozy een spectaculaire ontdekking. Hij stuitte op een enorme, gitzwarte rotswand die massief koper- en gouderts bleek te bevatten. Deze locatie werd de Ertsberg genoemd. Decennia later leidde deze ontdekking tot de exploitatie van de nabijgelegen Grasbergmijn, een van de grootste goud- en kopermijnen ter wereld.
In de persoon van de piloot Frits Wissel werden kort na afloop van deze expeditie de Wisselmeren (het Paniaimeer, Tigimeer en Tagemeer) voor het eerst door een westerling waargenomen. Op 31 december 1936 vloog deze tijdens een aansluitende verkennings- en karteringsvlucht voor de oliemaatschappij NNGPM in een Sikorsky-watervliegtuig van het eiland Serui rechtstreeks over het onbekende Centrale Bergland richting Aika aan de zuidkust. De eigenlijke klimexpeditie te voet (samen met Colijn en Dozy) was een week daarvoor, op 24 december 1936, al officieel afgerond toen het team terugkeerde aan de kust. Door het heldere weer zag hij plotseling een groot, onbekend merencomplex liggen en meer naderbij gekomen talloze kano's op het water liggen.
De grote leider van het Amungme-volk was Mozes Kilangin/Tembak. Hier Mozes met zijn vrouw Maria en een paar van hun kinderen hier in Kokonao.
In het voorjaar van 1957 maakten de paters franciscanen Herman Peters, Chel Coenen en Radboud (Hannes) Jorna vanuit Kokonao (Mimika) de tocht naar het leefgebied van de Amungme in de Tsingga- en Noëma-vallei. Dit historisch vroege contact, op initiatief van leider Moses Kilangin, vond plaats vlak voor de herontdekking van de nabijgelegen goud- en koperreserves en toont de stam nog in hun oorspronkelijke levenswijze. Het initiatief van Moses Kilangin (geboren in de Tsingga-vallei) om de katholieke missie naar zijn eigen Amungme-volk te halen, kwam voort uit zijn unieke positie als een van de allereerste Amungme die westerse scholing had genoten. Hij zag onderwijs en modernisering als de enige manier om zijn volk te beschermen en te emanciperen.
De belangrijkste redenen voor zijn initiatief waren:
Emancipatie en bescherming via onderwijs: Moses volgde de lerarenopleiding (Opleiding Voor Volks Onderwijzer of OVVO) van de Nederlandse missie in Kokonao (Mimika). Hierdoor sprak hij Nederlands en begreep hij de snel veranderende buitenwereld. Hij besefte dat als de Amungme niet snel leerden lezen, schrijven en de buitenwereld te begrijpen, zij onder de voet gelopen zouden worden door koloniale of andere externe machten.
De wens om 'uit het isolement' te treden: De Tsingga- en Noëma-valleien lagen extreem geïsoleerd in de bergachtige hooglanden. Door een permanente missiepost (met school en medische post) op te richten, bracht hij de Amungme in direct contact met de buitenwereld en zorgde hij voor de komst van infrastructuur.
Vervanging van stammenoorlogen: De hooglanden werden destijds vaak gekenmerkt door hevige, slepende intertribale conflicten en tradities van animisme en sjamanisme. Moses Kilangin zag in het katholicisme een moreel en religieus kompas dat vrede kon brengen en de vernietigende stammenoorlogen kon stoppen.
Sociale ontwikkeling (Koffie en Economie): Als 'Uru Me Ki' (de Grote Leraar, zijn latere eretitel) wilde hij zijn volk economisch weerbaarder maken. De komst van de missionarissen betekende later ook de introductie van nieuwe landbouwtechnieken (zoals de bekende Amungme-koffie), waardoor de stam zelfvoorzienend werd in een moderne economie.
Zijn vooruitziende blik bleek cruciaal: slechts enkele jaren na de tocht in 1957 (in 1960) fungeerde Moses Kilangin als gids voor de Amerikaanse geologische expeditie van Forbes Wilson naar de Ertsberg. Omdat hij dankzij de missie een gerespecteerd leider en mediator was geworden, kon hij later namens de Amungme de onderhandelingen voeren toen de gigantische Freeport-mijn hun leefgebied drastisch begon te veranderen.
De latere rol van Moses Kilangin tijdens de ontdekking en exploitatie van de Ertsberg- en Grasbergmijn is een van de meest fascinerende én tragische verhalen uit de moderne geschiedenis van Papoea. Dankzij de opleiding en het netwerk dat hij via de katholieke missie (met Peters, Coenen en Jorna) had opgebouwd, veranderde zijn positie van een lokale dorpsleraar in die van de belangrijkste diplomaat, gids en belangenbehartiger van de Amungme-stam.
Zijn rol is op te delen in drie cruciale fasen:
1. De gids van de Freeport-expeditie (1960)
Toen de Amerikaanse geoloog Forbes Wilson in 1960 namens mijnbouwbedrijf Freeport Sulphur een expeditie op touw zette om de mysterieuze 'Ertsberg' (in 1936 ontdekt door de Nederlander Jean Jacques Dozy) terug te vinden, stuitte hij op een gigantisch logistiek probleem: het ondoordringbare en destijds onbekende berglandschap.
Wilson had gidsen en dragers nodig die het vertrouwen van de lokale bevolking genoten. De missie wees hem op Moses Kilangin. Moses sprak Maleis en Nederlands, kende de bergpassen en had het gezag als dorpsleraar. Moses leidde Wilson en zijn team veilig door de Tsingga-vallei naar de Ertsberg. Zonder Moses en de Amungme-dragers die hij mobiliseerde, had Freeport de berg (die later de grootste goud- en koperreserve ter wereld bleek te zijn) destijds nooit kunnen bereiken.
2. De "January Agreement" (1974): Onderhandelen voor zijn volk
Na de machtsovername door Indonesië tekende president Soeharto in 1967 het allereerste contract met Freeport. Er werd de Amungme niks gevraagd; de berg werd simpelweg onteigend. De heilige bergen van de Amungme werden afgegraven, en er ontstonden enorme spanningen door de plotselinge instroom van duizenden westerse en Indonesische arbeiders.
Toen de situatie onhoudbaar werd, trad Moses Kilangin naar voren als de officiële vertegenwoordiger van de Amungme. Dit leidde in januari 1974 tot de historische "January Agreement" (het januari-akkoord) tussen de Amungme-stam, PT Freeport Indonesia en de Indonesische overheid:
Moses eiste dat zijn volk niet louter als indringers op eigen grondgebied werd gezien.
Hij dwong af dat Freeport klinieken, scholen en moderne huizen moest bouwen voor de Amungme in nieuwe dorpen zoals Kwamki Lama.
Hij probeerde te regelen dat Amungme-kinderen fatsoenlijk onderwijs kregen zodat ze later zelf in de mijn konden werken.
3. De tragische keerzijde en zijn nalatenschap
Hoewel Moses Kilangin met de beste bedoelingen vocht voor de modernisering en emancipatie van zijn stam (waarom hij in 1957 de paters franciscanen uitnodigde zijn thuisoord te bezoeken), pakte de werkelijkheid bitter uit. De cultuurschok was te groot. De beloofde voorzieningen kwamen traag op gang, de Amungme raakten ontheemd uit hun heilige valleien, en de regio raakte zwaar gemilitariseerd door het Indonesische leger om de mijn te beschermen.
Moses raakte persoonlijk verscheurd. Aan de ene kant werd hij door de Indonesische autoriteiten en Freeport gezien als de man die de rust moest bewaren. Aan de andere kant zag hij hoe de 'moederberg' van zijn stam letterlijk werd weggevaagd. Desondanks bleef hij tot zijn dood vechten voor de rechten en het behoud van de Amungme-cultuur binnen deze industriële storm.
Vandaag de dag is hij een legende in de regio Timika. De grote internationale luchthaven van Timika (de poort naar het Freeport-gebied) is officieel naar hem vernoemd: Moses Kilangin Airport.
Rapport tournee Amungme door Victorien Herman Peters 6 Juni 1957 - p1 (0012 Lemari Mimika Timur 1957-1962)
Kokonao, 6 Juni 1957.
Monseigneur,
In de nacht van 1 op 2 Juni om twee uur keerden Jorna en ik ik terug van de tournee door de bergen te Kokonao. We wilden perse 's Zondags thuis zijn weer tussen de medebroeders.
Deze tournee is voor mij erg zwaar geweest. Maar ik heb er geen spijt van al zo spoedig op zo'n degelijke wijze kennis gemaakt te hebben met het bergland. In het rapport van onze tournee, dat ik met Jan meegeef, kunt U onze bevindingen lezen. Ik heb het verslag maar wat uitvoerig gemaakt zodat U zo goed mogelijk kunt kennis nemen van de huidige situatie aldaar.
In het rapport heb ik beknopt aangegeven hoe moeilijk het is om langs de tot nu toe gevolgde weg in de Nuemba te komen. Het is werkelijk niet te doen om regelmatig van deze "weg" gebruik te maken. Daarom zijn Dokter Hanegraaf en pater Jorna Dinsdag 4 Juni met de motorprauw van de dokter op tournee gegaan (hoogstens tien dagen) om te zoeken naar de mogelijkheid om van de kust uit rechtstreeks de Nuemba te bereiken. Volgens de kaart moet dit kunnen. Waarschijnlijk langs de Tjemara-rivier omhoog zover mogelijk en vandaar uit lopen. Als dit goed mogelijk blijkt, zou dit in de toekomst een grote tijds- en energiebesparing voor ons betekenen. Ook voor de dokter, die onlangs bericht ontving dat ook in ons gebied de framboesia-actie begonnen moet worden.
-Dokter en Jorna gisteravond teruggekeerd wegens gebrek aan benzine- 7 juni-
Jorna en ik hopen tegen eind Juni weer naar boven te gaan tot October. We zouden graag, voordat we weer vertrekken, van U horen of wij in de Nuemba kunnen beginnen, d.w.z. in dit geval penolongs kunnen plaatsen, die klaar staan, wanneer we weer boven komen. Dit vragen we U nog eens uitdrukkelijk, nadat we tot de ontdekking zijn gekomen, dat deze vallei nog verder in het M.S.C.-gebied ligt dan U dacht tijdens Uw bezoek aan Kokonao. Er is veel voor dat Wij het doen. Die drie valleien vormen één geheel met één taal. Verder naar het Oosten spreekt men de zog. Tau-taal, en in de Ila, die drie dagen lopen in noordelijke richting van de Nuemba ligt, is het volk der Amungre vermengd met de Dani en waarschijnlijk eveneens hun taal. Zouden wij de Tsingga gaan bewerken en de M.S.C. de Nuemba, dan zou dit een soort scheiding in dit geheel brengen, en dan moeten èn zij én wij de taal en adat van deze bevolkingsgroep eerst onderzoeken. Hoe dan ook, wij menen dat daar begonnen moet worden. Zo niet, dan is het gevaar niet denkbeeldig dat de Amer. zending vanuit de Ila hier begint. Voelhorens zijn reeds uitgestoken. We zijn niet doorgelopen naar de ila, wat aanvankelijk in de bedoeling lag. Er zijn in de Ila volgens Moses inderdaad nog vrij veel mensen die op een pastoor wachten. Maar we maren bang dat, wanneer wij de Ila met een bliksembezoek van een paar dagen zouden vereren en dan weer weg zouden gaan zonder iets definitiefs te kunnen beloven, ons bezoek de mensen onvoldaan zou achterlaten en eventueel de activiteit van de Zending onder deze mensen zou kunnen doen toenemen. Een andere reden was dat ik zelf mag een tamelijk verdachte wond had opgelopen aan mijn been or een plaats waar ik vroeger al twee maal geopereerd ben. Achteraf bekeken is alles toch goed afgelopen. Bovendien was deze tocht naar de Ila een gunst van U aan de grote Coenen toegestaan, en geen opdracht aan ons.
Mgr. ik stuur tevens een verslag mee voor de Serafijnse Tifa. Het is mij best bevallen daarboven. De taal is moeilijk en dit een handicap tot nu toe. Maar straks gaan we energiek aan de studie en dan zal het toch wel lukken, denk ik.
Mgr. ik wens U een paar prettige dagen in gezelschap van onze Deken.
Heel veel groeten van Jorna en van mij.
Victorien Peters
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 8
Een groep mannen en jongens van de Amungme kwamen de drie paters op hun tocht een eind tegemoet. Hier een kamp aan de voet van de bergen boven Omawga 1957
De opnames gemaakt tijdens de Wollaston expeditie (1912-1913) en de opnames overgebleven van de tocht van de paters Coenen, Jorna en Peters (1957) naar de Tsinga-vallei tonen exact dezelfde gemeenschap in dezelfde vallei, maar met een tussenpoos van 45 jaar. Wollaston fotografeerde hen in hun allereerste, pure contact met Europeanen. Toen Coenen in 1957 kwam, trof hij de generatie aan die de verhalen over de legendarische en ingrijpende komst van Wollaston nog van hun (groot)ouders had gehoord.
0013 Lemari Mimika Timur 1957-1962. Rapport tournee Amungme door Victorien Herman Peters 6 Juni 1957
Aan: Mgr Dr I. Staverman 0.F.M.
Apostolisch Vicaris van Hollandia
Rapport over de tournee naar de Amungme door de paters Jorna en Peters.
Van 7 Maart tot 2 Juni maakten we onze eerste tournee naar het gebied van de Amungmè. In het kort zal ik hier onze bevindingen weer trachten te geven.
Naam. Het lijkt me goed eerst iets te zeggen over de naam "Amungmé", die tot nu toe niet gebruikelijk was om deze bevolkingsgroep aan te duiden. Zowel van bestuurszijde als van de kant van de missie was het tot nu toe gebruikelijk deze bevolkingsgroep, waaronder wij nu mogen gaan werken, aan te duiden met de term "Ugunduni" of "Uhunduni". Toen we in de bergen waren hoorden we ook de term "Damai" en de term "Amungmè". Ik heb toen via Moses aan de mensen gevraagd, wat de beste naam was voor hunzelf. Op een vergadering, waarop zowel mensen uit de Tsingga, Wea, als Nuemba aanwezig waren, werd het volgende gezegd:
"Ugunduni" is de term waarmee de Moni deze bevolkingsgroep aanduiden. Zelf gebruiken ze deze naam zelden of nooit en ze horen zich ook niet graag zo noemen. Ze voelen zich niet senang wanneer ze op deze wijze aangesproken worden. Het lijkt dus beter deze naam niet langer te gebruiken.
"Damal": deze term is goed, maar wordt lang niet zoveel gebruikt als "Amungmè": Dit is de naam die ze zelf het meest gebruiken om zichzelf aan te duiden, en ze horen deze naam ook het liefst door anderen gebruiken. De betekenis van deze term is niet helemaal duidelijk. De gewone mensen piekeren niet over de betekenis van de term. Maar Moses gaf een gedeeltelijke verklaring. "Mé" betekent "mensen";" Amung" betekent volgens hem "jang pertama dapat". Meer wist hij ook niet. Op mijn vraag of "jang pertama ada" ook mogelijk was, antwoordde hij dat dit eventueel ook wel kon. Dit zou dan nog niet zo vreemd zijn, aangezien meerdere primitieve bevolkingsgroepen zichzelf aan duiden met een term die eenvoudig betekent "dé mensen" of "de eerste mensen". Het lijkt ons dus beter deze mensen aan te duiden met de term "Amungme", die ze zelf het meest gebruiken en het liefst horen.
'n Stukje "historie" Om een goed begrip te krijgen van de huidige situatie en ook van eventuele toekomstige gebeurtenissen in het woongebied van de Amungme, moeten we het verloop van de gebeurtenissen in de laatste drie, vier jaar nagaan.
In 1954 keert Moses als gediplomeerd guru via de Wisselmeren van Fakfak terug naar zijn eigen volk. Hij wil onderwijzer zijn onder zijn eigen mensen. De mensen in Tsingga, Wea en Nuemba woonden toentertijd nog overal in de valleien verspreid in kleine tuinkampongetjes. Wilde het school geven voor de guru enigszins doenlijk zijn en regelmatig plaats hebben, dan was het nodig dat de verspreid wonende mensen zich in grotere concentraties verenigden. Op aandringen van Moses erge hulp van enige ijverige mensen, die wel wat voor deze vooruitgang voelden, zijn de mensen in grotere kampongs gaan samenwonen. Ook verschillende oorlogen waren oorzaak dat de mensen van de plaats van oorlog wegtrokken en zich in grotere kampongs vestigden. Resultaat was dat in de Tsingga en de Nuemba verschillende grote kampongs ontstonden. De Wea daarentegen liep nagenoeg leeg. De mensen verhuisden ofwel naar de Tsingga ofwel naar de Nuemba. Daarover later meer. In deze grote kampongs van de Tsingga (want daar vestigde Moses zich) werden schoolkerkjes en een guruhuis gebouwd. Zo werd daar met het onder-wijs begonnen. Door bemiddeling van pater Coenen werden uit de Mimika penolongs aangeworven voor de andere kampongs, terwijl Moses in de grootste kampong, Amkaiagama, bleef. Zo is het onderwijs. in de Tsingga al een paar jaar aan de gang, en mét het onderwijs een zekere vorming in de richting van het christendom.
In de Nuemba is het nog zo ver niet. Daar zijn wel grote kampongs gevormd, en in de drie grootste kampongs is zelfs reeds een guru-huis gebouwd, maar een guru of penolong is er nog niet. Dit zal mede liggen aan de lange, en moeilijke verbindingsweg naar de Nuemba vanuit de Tsingga. Liefst zeven dagen lopen door zeer moeilijk bergterrein.
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 10
Onverwachts werden de paters midden in het oerwoud opgewacht door een groep Amungmè. Het werd een feestelijke ontmoeting
0014 Lemari Mimika Timur 1957-1962 Rapport tournee Amungme door Victorien Herman Peters 6 Juni 1957
'n Bescheiden blik in de toekomst.
Was deze concentratie van mensen in grotere kampongs voor het onderwijs min of meer noodzakelijk, de nadelen van deze concentratie doen zich nu al, voelen, en wellicht in de toekomst nog meer. Toen de mensen vroeger in kleine tuinkampongs woonden in kleine groepjes, was het niet zo moeilijk om voldoende tuingrond, brandhout en boomschors voor dakbedekking te vinden in de nabije omgeving van de kampongs. Maar nu er vaak honderden mensen op één plaats moeten leven, wordt dit moeilijker. Steeds verder van de kampong vandaan moet er zocht worden naar tuingrond, brandhout en boomschors. Reeds nu moet men Van verschillende kampongs uren, soms een dag lopen om de tuinen te bereiken.
Ligging v. h. gebied.
De Tsingga, de vallei, waar de Tsinggorong doorheen stroomt (deze rivier heet verder kustwaarts Setakwa), ligt op de kaart precies ten Zuiden van het Carstenz-gebergée, dus aan de Zuidzijde van de Centrale bergrug.
Loopt men van hieruit in oostelijke richting het bergland door, dan komt men de vierde dag in de Wea. Van de Wea is het nog drie dagen lopen naar de Nuemba, eveneens in oostelijke richting.
Bereikbaarheid v. h. gebied
Van Kokonao gaat men per prauw in twee dagen naar Omawka. Vandaar in het 2 of drie dagen per prauw tot Prauwbivak. De laatste dag moet de prauw gesleept worden. Van Prauwbivak bereikt men in drie dagen lopen door bergland de eerste kampong in de Tsingga, Kelangin. De kampongs in de Tsingga liggen vrij dicht bij elkaar. De grootste afstand tussen twee kampongs is een dag lopen. Het terrein is hier behoorlijk zwaar.
Van de Tsingga komt men in 7 dagen lopen naar de Nuemba. Het terrein is zeer zwaar bergterrein. Soms gaat tot een hoogte van ongeveer 4000 m. Voor regelmatige tournees en zeker voor de opvoer van goederen naar de Nuemba is dit pad (soms kan men niet eens van een pad spreken) ondoenlijk. Bovendien levert de voedselvoorziening van de koelies hier grote bezwaren op. Men vertrekt van de Tsingga en men moet voorde dragers voor drie dagen eten meenemen. Op de vierde dag pas ontmoet men weer mensen, n.l.in de Wea. Maar hier is nogal eens eten te weinig voor de Wea-mensen zelf. Zou men eten kunnen krijgen, dan moet men weer voor vier dagen inslaan, want van de Wea tot de Nuemba wonen ook geen mensen. Dit is op onze tournee al een grote handicap gebleken. Langs de hier beschreven weg is de Nuemba dus zeer moeilijk te bereiken. In de bergen hebben we geïnformeerd naar de mogelijkheid om de Nuemba rechtstreeks te bereiken vanaf de Zuidkust via een van de rivieren, dus niet via de Tsingga. Volgens de mensen en ook volgens de kaarten moet de mogelijkheid bestaan. Dokter Hanegraaf en pater Jorna zijn op het ogenblik dat ik dit neerschrijf deze mogelijkheid aan het onderzoeken. Het moet vanaf de kust in ongeveer drie prauwen en twee of drie dagen lopen te doen zijn. Het hier boven beschrevene wordt hier beneden aan de hand van een eenvoudig schetsje verduidelijkt. )
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 011
Ontvangst in de Tsingga-vallei in het eerste dorp (Kelangin) door dansende dorpsbewoners. Chel Coenen werd na drie weken ziek en ging terug naar Kokonao. Radboud Jorna en Herman Peters gingen toen vanuit de Tsingga naar de Noëma-vallei. Jorna keerde later naar de Tsingga terug en bleef daar tot begin 1959 . Herman Peters bleef in Noëma tot 1 juni 1959.
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 022
Kampong in de Tsingga-vallei. Op de achtergrond de toppen van het Carstensz-gebergte
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 024
Nadat Chel Coenen naar Kokonao was teruggekeerd gingen Herman Peters en Radboud Jorna met dragers op weg naar de Noëma-vallei, oostelijk van de Tsingga. Na zes dagen lopen bereikte men de Noëma-vallei. Hier een gezicht op de kampong Buludjalauki waar voor Herman Peters een huis was gebouwd (het eerste huisje links).
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 025
Een dichtbij opname van hetzelfde dorp. Dorpsplein en het huis van de pater (geheel links) zijn duidelijk zichtbaar.
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 026
Gezeten op een draagstoel werden Radboud Jona (links) en Herman Peters de kampong binnengedragen. (door een ongelukkige val was de bril van Herman Peters kapot gevallen. Hij moest het drie maanden met een zonnebril doen).
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 027
In overvloed werd er eten aangevoerd voor de twee paters: batatas, groenten en varkens (!)
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 029
Als teken van welkom werd een varken aangeboden
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 028
Radboud Jorna en Mozes bekijken vanuit de draagstoel de overvloed aan voedsel. De paters waren erg welkom
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 033
Radboud Jorna en stamhoofd Paulus Sailing voor het huis van Herman Peters. Ze kregen ieder een varken dat ze zelf moesten vasthouden als teken van overdracht.
Verblijf bij de Amungme 1957 afdrukken 037
Paulus heeft de schoolkinderen (met volwassenen) van zijn kampong bijeen geroepen.
Akimuga - Agimuga 1977. Diapositief Jos Donkers - Papoea - 718
Akimuga 1977. Diapositief Jos Donkers 713
Akimuga 1980. Diapositief Jos Donkers 728
Akimuga Agimugah 1977. Diapositief Jos Donkers - Papoea - Akimuga 703
Akimuga 1980. Diapositief Jos Donkers 797
Schooltje Akimuga. Jos Donkers negatieven a5-f496-013
Schooltje Akimuga. Jos Donkers negatieven a5-f496-021
Schooltje Akimuga. Jos Donkers negatieven a5-f497-033
Kort na de opening van de Freeport-mijn besloot de Indonesische overheid, in samenwerking met het mijnbouwbedrijf, grote groepen Amungme te herhuisvesten in het laagland. Akimuga (vaak gespeld als Agimuga) werd het belangrijkste hervestigingskamp. Men wilde de bergbevolking weghalen uit de directe mijnomgeving en hen 'moderniseren' via grootschalige landbouwprojecten. Voor de Amungme, die millennia-lang in de koele en gezonde berglucht hadden geleefd, pakte de gedwongen verhuizing naar het tropische, moerassige laagland rampzalig uit. Zij hadden geen enkele immuniteit tegen laaglandziekten. Al snel braken er hevige epidemieën uit van malaria, tuberculose en dysenterie, waaraan honderden Amungme – vooral kinderen – overleden. Daarnaast stuitte de stam op een immense cultuurschok: hun traditionele dieet, sociale structuren en spirituele band met de bergen vielen in Akimuga volledig weg. De beloofde infrastructuur, zoals medische zorg en fatsoenlijke huisvesting, bleek in de jaren 70 en 80 zwaar ontoereikend. De diepe onvrede over deze leefomstandigheden en het verlies van hun moedergrond leidde in 1977 tot een grote, gewelddadige opstand van de Amungme in Akimuga, die door het Indonesische leger bloedig werd neergeslagen.
NAAR DE ACHTERHOEK DER AARDE - DE MIMIKA-EXPEDITIE NAAR NEDERLANDSCH NIEUW GUINEE 1935-1936
DOOR Dr. H. J. T. BIJLMER
Enkele aspecten van de Mimika-cultuur, Nederlands Zuidwest Nieuw Guinea.
Jan Pouwer 1955
Met Papoea's samen op weg II
Dr. BOELAARS M.S.C. Etnoloog 1995
HET MIMIKA- EN ASMATGEBIED VOOR EN NA DE OPENLEGGING
H.A. van der Schoot 1969