Papua Tengah: Intan Jaya / Puncak / Puncak Jaya

Map Central New-Guinea. Cannibal Valley, page 277. Arthur T. Hitt 1962. 

Overzichtskaart westelijk deel Nederlandsch Centraal Nieuw-Guinea- Terrein der Expeditie 1939 Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap onder leiding van C.C.F.M. le Roux 

Kaart Papua Tengah, Centraal Nederlands Nieuw-Guinea. Utrechts archief

Stammen Berggebied Nederlands Nieuw-Guinea. Figuur 12  De Bergpapoea's van Nieuw-Guinea en hun woongebied II C.C.F.M. Le Roux 1950 

In de districten Intan Jaya, Puncak en Puncak Jaya wonen verschillende inheemse volkeren waarvan de Moni (Migani), Damal (voorheen Oehoendoeni), Dani en Lani de grootste en meest prominente groepen vormen. 

Overzicht van de belangrijkste volkeren, hun specifieke kenmerken en de onderlinge verschillen: 

1. De Belangrijkste Volkeren per Regio

  • Intan Jaya: Dit is het kerngebied van de Moni (ook wel Migani genoemd). Daarnaast wonen hier kleinere groepen zoals de Wolani.

  • Puncak: Dit district wordt gedomineerd door de Dani (ongeveer 66%) en de Damal (ongeveer 20%), een kleine zeer geïsoleerde groep is de Dem.

  • Puncak Jaya: Dit bergachtige gebied is voornamelijk het thuisland van de Lani (vaak gezien als verwant aan de Westelijke Dani), de Wano, de Nduga (vroeger: Oehoendoeni) en groepen Damal.

2. Culturele Eigenaardigheden per Volk

De Moni (Migani) – Intan Jaya

  • Identiteit: Zij noemen zichzelf Migani. Ze wonen in de steile valleien en op de berghellingen van Intan Jaya.

  • Eigenaardigheid: De Moni staan bekend om hun diepe spirituele band met de natuur en hun unieke zangkunst (nyanyian tradisional). Zij zingen specifieke melodieën voor de jacht, de landbouw, de oorlogsvoering én om partners aan te trekken.

  • Economie: Traditioneel zeer bedreven in de landbouw (zoete aardappelen) en het houden van varkens. 

De Wolani (ook bekend als Wodani, Walani of Woda)  leven zij zij aan zij met grotere buurstammen zoals de Moni en de Damal. Hun leefgebied strekt zich van oudsher uit langs de rivieren Kemandoga en Mbiyandogo, ten noordoosten van het Paniai-merengebied. 

  • De Wolani spreken de gelijknamige Wolani-taal. Deze taal behoort tot de West-Trans-Nieuw-Guineese taalfamilie en vertoont sterke linguïstische gelijkenissen met de talen van de naburige Mee (Ekari) en Moni-stammen.

  • Landbouwcultuur: Van oudsher zijn de Wolani landbouwers (horticulturisten). Zij overleven in de bergachtige omgeving door middel van zwerflandbouw (slash-and-burn), waarbij de zoete aardappel (petatas) het absolute hoofdvoedsel vormt.

  • Sociale structuur en het 'Tonowi'-systeem: Net als bij de Mee-stam wordt de sociale status en het informeel leiderschap binnen de Wolani-samenleving bepaald door het Tonowi-systeem (Big Man-systeem). Een leider (Tonowi) verwerft zijn status niet door erfopvolging, maar door persoonlijke verdiensten: het bezitten van veel varkens, welsprekendheid, vrijgevigheid en het succesvol bemiddelen bij conflicten.

  • Kaurischelpen (Traditionele valuta): De Wolani staan antropologisch bekend om hun langdurige gebruik van kaurischelpen (mege) als traditioneel betaalmiddel. Deze schelpen, die via eeuwenoude handelsroutes vanuit de kust de hooglanden bereikten, worden gebruikt voor de bruidsschat (mas kawin), het compenseren van misdaden en het kopen van varkens. Hun unieke relatie hiermee werd in 2005 vastgelegd in de National Geographic-documentaire Tribal Odyssey: The Wolani Shells

De Wano (Wono) bewonen de noordelijke, extreem steile hellingen van Puncak Jaya richting het lager gelegen Mamberamo-rivierbekken. Door hun geografische isolatie hebben zij hun prehistorische cultuur tot diep in de 20e eeuw nagenoeg onveranderd behouden. 

  • Het Adom Wone-systeem: Het maatschappelijk leven van de Wano wordt geleid door het Adom Wone. Dit is een ongeschreven, streng religieus en moreel rechtssysteem. Het bepaalt alles: van de omgang met de natuur tot aan de complexe regels rondom het huwelijk (Aptawe-Kwarawe). Overtreding van de Adom Wone leidt volgens hun geloof tot directe vloeken, zoals mislukte oogsten of ziekte.

  • De Stenen Bijl-Cultuur: Terwijl omliggende stammen al vroeg via ruishandel ijzeren gereedschap verkregen, bleven de Wano tot ver in de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw afhankelijk van de ambachtelijke productie van stenen bijlen. Het slijpen en verhandelen van deze bijlen had een diepe spirituele en ceremoniële waarde.

  • Traditionele Kleding: Wano-mannen dragen een specifieke, vaak kortere en bredere variant van de koteka (peniskoker) vergeleken met de Dani. Vrouwen dragen de sali, een traditionele rok gemaakt van gevlochten boomschors en plantenvezels.

  • Woningen: Zij bouwen net als de Dani ronde hutten (Honai), maar de Wano-varianten staan dikwijls op palen of steile hellingen om vocht uit het regenwoud tegen te gaan. 

    De Dem (ook Lem) vormen een van de kleinste en meest raadselachtige stammen van de centrale hooglanden (geschat op slechts enkele duizenden koppen). Ze wonen voornamelijk in de Bina-vallei, ingeklemd tussen de districten Sinak en Beoga (Puncak).

    • Een Taalkundig Mysterie: Het meest unieke kenmerk van de Dem is hun taal. Waar vrijwel alle stammen in de hooglanden talen spreken die familie van elkaar zijn, is de Dem-taal een "isolaat". Dit betekent dat de taal geen aantoonbare verwantschap heeft met de talen van hun buren (zoals de Dani of de Damal). Ze vormen letterlijk een taalkundig eiland.

    • De Rol als Buffer- en Handelsvolk: Omdat de Dem historisch gezien precies tussen de territoria van de machtige Dani en de Damal in woonden, ontwikkelden zij zich tot een diplomatiek buffer-volk. Ze stonden bekend als meertalige mediators die conflicten tussen grotere stammen hielpen sussen en handelsroutes (voor zeeschelpen en zout) controleerden.

    • Fysieke cultuur: Door hun kleine populatie hebben de Dem in de loop der jaren veel uiterlijke cultuurkenmerken (zoals kleding en de traditionele Bakar Batu-kookmethode) overgenomen van hun Damal-buren, maar ze behouden strikt hun eigen clanstructuur en huwelijkstradities om opgaan in de grotere stammen te voorkomen

    De Damal (voorheen Oehoendoeni) – Puncak & Puncak Jaya

    • Geschiedenis: De Damal worden door antropologen beschouwd als een van de oudste stammen in de centrale hooglanden. Zij geloven dat hun voorouders rechtstreeks uit de bergen rond de Cartensz-piramide (Puncak Jaya) zijn voortgekomen.

    • Eigenaardigheid: Zij hebben een zeer complexe mythologie over het ontstaan van de mensheid. Ze zijn nauw verwant aan de Amungme-stam (die aan de zuidkant van de bergen leeft). Ze staan bekend als vreedzame handelaars die vroeger zeeschelpen (als munteenheid) ruilden met kustvolkeren. 

    De Dani en Lani – Puncak & Puncak Jaya

    • Identiteit: Hoewel de Dani vooral bekend zijn uit de Baliem-vallei, strekt hun invloedssfeer (en die van de nauw verwante Lani) zich uit tot diep in Puncak en Puncak Jaya.

    • Eigenaardigheid: Hun samenleving is sterk patriarchaal en hiërarchisch, geleid door een Big Man (Tonowi of Ondoafi) wiens status wordt bepaald door het aantal varkens en vrouwen dat hij bezit, en zijn retorische talent.

    • Tradities: Zij zijn wereldberoemd om de Bakar Batu (het steenfeest). Dit is een ritueel waarbij eten (varkensvlees en zoete aardappelen) wordt gekookt in een kuil met door vuur verhitte stenen. Dit feest dient om allianties te vieren, huwelijken te bezegelen of vrede te sluiten.

    De Nduga (voorheen Pesechem, ook gespeld als Pesegem, Peseghem of Pesecham)

    De brug tussen hoogland en laagland: De Nduga zijn uniek omdat ze zowel de extreem steile bergen rond Puncak Jaya en het Nduga-district bewonen, als de lagere zuidelijke hellingen richting de Moerasvlakten. Hierdoor fungeerden zij historisch als de ultieme handelslink tussen de laaglandstammen (zoals de Asmat) en de hooglandstammen (zoals de Dani).

    • Het Jagen met de 'Kandara': De Nduga stonden historisch bekend om hun uitzonderlijke jachttechnieken in de dichte bergbossen. Waar veel hooglandstammen zich primair op landbouw richtten, bleef de jacht op boomkangoeroes, koesoes en wilde zwijnen een centrale pijler in de Nduga-identiteit. Hun bogen en pijlen behoren tot de langste en krachtigste van de centrale hooglanden.

    • De 'Ngalik' Taalfamilie: Hun taal (het Nduga) behoort tot de grotere Ngalik-subfamilie binnen de Dani-talen. Hoewel ze cultureel verwant zijn aan de Dani, is hun taal voor een Dani-spreker uit de Baliem-vallei niet direct te verstaan. Het dialect verschilt bovendien sterk tussen de 'Berg-Nduga' en de 'Vallei-Nduga'.

    • De Heilige Varkensruil (Wam Kula): Net als bij de Dani spelen varkens een hoofdrol in de economie en cultuur. Echter, bij de Nduga kent de Wam Kula (het betalen van de bruidsprijs of schadevergoedingen na conflicten) een nog striktere hiërarchie van clanspecificaties. Het onjuist verdelen van de varkensdelen kan decennialange vetten veroorzaken. 

    • Conflict en Ontheemding: Sinds eind 2018 is het leefgebied van de Nduga het epicentrum van een hevig gewapend conflict tussen het Indonesische leger en de separatistische Vrije Papoea Beweging (OPM). Dit heeft geleid tot een enorme humanitaire crisis waarbij tienduizenden Nduga-Papoea's hun dorpen in de bergen hebben moeten ontvluchten. Velen leven nu als ontheemden in omliggende districten zoals Jayawijaya en Mimika. Hun traditionele cultuur staat hierdoor onder enorme druk.

    Deze pagina toont beeldmateriaal uit het archief van de Minderbroeders Franciscanen (O.F.M., Ordo Fratrum Minorum) en bijgewerkte afbeeldingen uit de collecties van Le Roux in het Utrechts Archief. 

    Afbeeldingen met beschrijvingen uit Drukproef van een platenatlas door C.C.F.M. le Roux: Mamberamo, een studie van land en volk van het stroomgebied der Mamberamo-rivier in Nederlandsch-Centraal- en Noord-Nieuw-Guinea. De opnames werden gemaakt  tijdens de Nederlands-Amerikaanse expeditie (ook wel bekend als de Stirling expeditie naar de leider Matthew Stirling, etnoloog van het U.S. National Museum (Smithsonian) naar Westelijk Nieuw-Guinea in 1926. De drukproef stamt uit ca. 1935 en is integraal (omvang 156 pagina's) in te zien op: 74-170 Utrechts Archief 

    Gezicht in Damoenaroe (zuidelijk Mamberamo Raya), nederzetting van den Dèmstam 1200 m. boven zee, en op het omringende landschap. De daken der woningen zijn schilderachtig begroeid met de laboeplant.  (Labu plant=waterkalebas). Utrechts Archief 74-170-44

    Rondzicht in de kampong Tombé (zuidelijk Mamberamo Raya). Van rechts naar links eerst het mannenhuis, daarna het afdak waaronder de smoorkuilen voor bereiding van het eten, vervolgens gezinswoning, waarnaast toestellen ter bewaring van placenta, etc., geheel links een tweede gezinswoning omheind. Op den voorgrond tabaksplaneten en kladi. Utrechts Archief 74-170-44

    Het mannenhuis ( Tané ) in de kampong Tombé nabij het Explorateursbivak. Vierkant binnenvertrek en half open voorgalerijtje met venster. Utrechts Archief 74-170-43

    Man uit de kampong Tombè slijpt zijn stenen mes. Utrechts Archief 74-170-49 foto 1

    Igoen, familiehoofd in de nederzetting Tombè, slijpt zijn stenen bijlkling terwijl het jongetje telkens een weinig water uit de bamboe op de zachte slijpsteen giet. Utrechts Archief 74-170-48 foto 2 

    Vrouw van Igoen, hoofd van de nederzetting Tombè, met zuigeling en zoontje. Utrechts Archief 74-170-57

    Dezelfde vrouw met dochtertje terugkerend van de tuinen. Dracht van nettassen aan het voorhoofd. In de bovenste veldvruchten, in de onderste de baby. Utrechts Archief 74-170-57

    Man van de Dèmstam uit kampong Aimêma. Utrechts Archief 74-170-55

    Drie mannen van Tawase, dal der Nògòlò. Dèmstam. Op het hoofd mutsen en pluim van vogelveren in gebruik bij de dans. Utrechts Archief 74-170-51

    Hieronder enkele eveneens zeer vroege opnames uit: Foto's van expedities naar Nieuw-Guinea, waaraan C.C.F.M. le Roux deelnam: de Nederlands-Amerikaanse expeditie in 1926 en de expeditie Nieuw-Guinea II in 1939. Bron: 74-169 Utrechts Archief (485 pagina's, ca 240 afbeeldingen) en 74-191 Utrechts Archief (ca 960 afbeeldingen)

    Gewapende Papoeamannen bij hun woning. Utrechts Archief 74-169-33 

    Groep Papoea's berggebied 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-15 

    Twee Papoeamannen 1926-1939 Utrechts Archief 74-169-17

    Papoea met dansmolentje, berggebied 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-272 

    Papoea met velerlei versierselen, berggebied 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-332 

    Vijf mannen uit de Swartvallei 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-49 

    Familie bij hun woning 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-177 

    Moni vrouwen 1939. Utrechts Archief 74-191-675  

    Over de linkerschouder een siertas met 'molenwiek' (ronddraaiend bij het op en neer veren tijdens de dans) en paren varkensslagtanden. Op het hoofd een haarkrans van honden(?)tanden. Utrechts Archief 74-191-711

    Overige collecties:

    Oehoedoeni-meisje (Damal) uit de buurt van Carstenszgebergte. PKN negatief DSC_7830

    Oehoendoeni-man (Damal) uit het Carstenszgebergte. PKN negatief DSC_7831b

    Bilorai 1963 touwbrug. IrianJaya1-18-023 

    Bilorai. het historische hart van het Moni-gebied

    Bilorai ligt in de bergachtige regio Intan Jaya (in het huidige Centraal-Papua). Dit is van oudsher het kernleefgebied van de Moni-stam. 

    Paters OFM Henk Smits en Gem Keizer bij de oversteek van een rivier nabij Bilorai ca 1960. IrianJaya1-40-010 

    Rond 1950 en 1960 stichtten de Nederlandse paters Franciscanen (O.F.M.) hun centrale missieposten in deze regio. Bilorai werd (samen met de nabijgelegen post Bilai) de belangrijkste uitvalsbasis van de paters in het Moni-gebied. Paters Franciscanen als Huub Zwartjes, Henk Smits en Jos Donkers hebben destijds veel foto- en filmmateriaal gemaakt van de lokale Moni-bevolking rondom deze specifieke missiepost. 

    Bilorai, Intan Jaya 1969. Donkers negatieven a1-f70-f000

    Bilorai 1969. Het binden van de dakbedekking. Donkers negatieven a1-f70-f002 

    Bilorai ca 1960. IrianJaya1-40-031 

    IrianJaya-5-420-003 Moni kampong 

    Moni dorp met kinderen. IrianJaya1-91 -016 

    Moni kinderen 1960-1962. IrianJaya1-91-009 

    Initiatie- of pre-huwelijksceremonie. De opname legt exact het visuele omslagpunt vast waarop een Moni-meisje transformeert van een onbezorgd kind (onversierd) naar een volwassen, huwbare vrouw die de rijkdom van haar clan vertegenwoordigt (rijk versierd). De nauwsluitende band met slechts één enkel, verticaal langwerpig stuk melo-schelp was het exclusieve overgangsteken voor meisjes die de puberteit hadden bereikt en klaar waren voor het huwelijk. De felle, gepolijste witte glans van de schelp vlak onder het gezicht moest haar jeugdige schoonheid, vruchtbaarheid en rituele reinheid accentueren voor haar toekomstige echtgenoot en zijn familie.

    De rokjes bestaand uit uniforme stroken die in lagen over elkaar vallen, verschillen fundamenteel van de rafelige, gras- of touwachtige sali uit de centrale Baliemvallei, maar tonen wel enige overeenkomst met de bedekking van Yali en Ngalum vrouwen.  Ze werden gemaakt van de binnenschors van specifieke bomen (vaak de gnetum- of moerbeiboom) of van de stengels van een specifieke orchideeën- of varensoort. De vrouwen sloegen de schors plat, schraapten deze kaal en sneden de vezels in kaarsrechte, gelijke stroken. Deze stroken werden vervolgens heel precies geweven aan een strakke heupband. Omdat de stroken stijf waren en recht naar beneden hingen, werden ze in dichte lagen over elkaar heen gedragen. Dit zorgde ervoor dat het rokje, ondanks dat het heel kort was, bij beweging niet direct openwaaide en stevig bleef zitten.

      Het feit dat op de opname hierboven de stroken zo perfect gelijk gesneden zijn als "bankbiljetten", toont aan dat deze rokjes met uiterste precisie en rituele zorg zijn gemaakt. Ze waren kostbaar: een perfect gelaagd rokje kostte weken handwerk en was, net als de schelpenkettingen, een waardevol bezit dat de status van het meisje (en haar familie) direct weerspiegelde tijdens de ceremonie. 

      Moni man 1960-1962. IrianJaya1-91 -011 

      De moni man op bovenstaande foto draagt een dik haarnet, een ritueel hoofddeksel (vaak gemaakt van met varkensvet en roet ingesmeerde boomschorsvezels of orchideeënstengels). Het geeft het hoofd extra volume, wat in de cultuur geassocieerd wordt met spirituele kracht (mana of levensenergie). De slagtand op het haarnet fungeert als een talisman of 'kroon'. Het beschermt de drager tegen boze geesten en vijandelijke toovenarij die via het hoofd (het meest heilige deel van het lichaam) zou kunnen binnendringen.

        In zijn neus draagt hij de snavel van een Black Sicklebill (Nederlands: Bruine Paradijsvogel of Epimachus fastosus). Het doorboren van het neustussenschot (septum) is een belangrijk onderdeel van de mannelijke initiatie. Waar gewone mannen of jonge krijgers vaak runder- of varkensbotjes dragen, is de lange, gitzwarte en vlijmscherpe snavel van de Black Sicklebill voorbehouden aan jagers van uitzonderlijke klasse of spirituele leiders. Het symboliseert de connectie met de vogelwereld (die binnen de Papoeacultuur vaak geassocieerd wordt met de geesten van de voorouders) en straalt gevaar en scherpte uit.

        Moni met lichaamsbescherming, een borstkuras van rotan en orchideevezel. Diapositief NG-D4-066 

        Diapositief Adatfeesten Bilorai-18-011 Bilorai Intan Jaya, oktober 1958 

        Diapositief Adatfeesten Bilorai-18-009 Bilorai Intan Jaya, oktober 1958

        Twee gebolsterde Moni's en een groep kinderen Bilorai, Intan Jaya 1963. Negatieven IrianJaya1-19-012 

        Het borstpantser op de foto's hierboven wordt komen we bij veel Papoeavolkeren in het berggebied tegen.

        Het onderste deel dat het bovenlichaam tegen pijlen moest beschermen bestaat uit dikke, stijve banen van horizontaal gevlochten rotan of riet. De borstkas en de schouderbanden worden gemaakt van zachtere, maar extreem dicht geknoopte boom- of bastvezels. Hierdoor behoudt de krijger de volledige bewegingsvrijheid om zijn wapens te gebruiken.

        De Moni gebruiken ter decoratie de gedroogde en gespleten stengels van wilde orchideeën. Deze goudkleurige vezels worden door het pantserstramien heen gevlochten om met contrasterende donkerbruine vezels opvallende horizontale of verticale banen te vormen.

        Varkensfeest te Bilorai, Intan Jaya 1963. Negatieven IrianJaya1-66-007

        Varkensfeest bij de Moni te Bilorai, Intan Jaya 1968. Negatief Donkers a1-f69-f018 

        Varkensfeest bij de Moni te Bilorai, Intan Jaya 1968. Negatief Donkers a1-f69-f019 

        Varkensfeest bij de Moni te Bilorai 1968. Negatief Donkers a1-f69-f016 

        Varkensfeest bij de Moni te Bilorai 1968. Jos Donkers negatieven a1-f69-f029 

        Varkensfeest Bilorai 1973. Jos Donkers negatieven a3-f251-016 

        Bilorai 1973. Jos Donkers negatieven a3-f251-035

        H. van de Kerkhof - Diapositief Bilogai Bilai d1s2 -010 ca 1975

        H. van de Kerkhof - Diapositief Bilorai Bilai d1s2 -011 ca 1975

        Henny van de Kerkhof diapositief Bilorai Bilai d1s1 -034. Jonge knapen met beschilderd gelaat in Bilorai Bilai, Intan Jaya ca 1975

        H. van de Kerkhof - Diapositief Ilaga d1s2 -016 woning in Ilaga ca 1975

        H. van de Kerkhof - Diapositief Ilaga d2- 014 woning met rood-wit gevlekt varken ca 1975

        H. van de Kerkhof - Diapositief B1s3 Ilaga -010 Varkensfeest in Ilaga ca 1975

        H. van de Kerkhof - Diapositief B1s3 Ilaga -001

        H. van de Kerkhof - Diapositief Ilaga d1s2 -028 Portret van een man in Ilaga ca 1975

        Ceremoniële draag- en schouderbanden (vaak aangeduid als noken asmat, tok of aliat).

        De Papoea's in het berggebied maken gebruik van een eeuwenoude techniek van knotless netting (knopen zonder knopen, vergelijkbaar met haken of haken met de hand). Aan de geometrische patronen, kleuren en versieringen kan men direct zien uit welke vallei of van welk volk de drager komt.

        Felgele, goudkleurige of dieporanje geometrische patronen, zijn vrijwel zeker het werk van de Lani die daartoe de glanzende, gele binnenzijde van de stengels van specifieke bosorchideeën gebruiken. De Lani splitsen deze stengels in flinterdunne reepjes en vlechten of knopen deze door de donkere boombastvezels heen. Dit resulteert in strakke, glanzende geometrische patronen zoals diamanten (wieberpatronen), zigzaglijnen en ruiten.

        H. van de Kerkhof - B3s10 Div - 042

        Lani-krijger of clanleider in volle ceremoniële dans-ornaat: de lange dans-koker, zijn beste met orchideeëngoud gevlochten schouderband met het dans-molentje, en de ceremoniële kasuarisveren in een fijnmazig geknoopt haarnet (suak)  gestoken om een indrukwekkende, donkere kroon te vormen.

        Ofschoon Lani bekend staan om hun korte, dikke kokers ruilen zij tijdens grote ceremoniële feesten, rituele alliantiedansen en oorlogsdemonstraties deze vaak in voor een extreem lange, rechte en spitse kalebas (de kobewak). Deze koker reikt dikwijls tot aan de borst of zelfs tot de neus en wijst kaarsrecht omhoog. Tijdens het springen tijdens de dans slaan de mannen met hun hand of met hun onderbuik ritmisch tegen de koker aan, zodat deze een hard, klakkend geluid maakt tegen de borst. Dit diende om het ritme aan te geven en indruk te maken op de toeschouwers.

        Het, uit bot gesneden en draaiende ornament dat aan de schouderband is bevestigd wordt in de taal van de Lani (het Westelijk Dani) een wamala-o of toli genoemd. Waar wamala de algemene term is voor het draaiende concept, duidt de toevoeging of de term toli specifiek op de harde, glanzende varianten gemaakt van dierlijk materiaal zoals kasuarisbot.

        De wamala-o of toli, soms gecombineerd met de wam-nyake (varkensslagtanden) op de schouderband. kent een heel specifiek verspreidingsgebied op de as van de Centrale Hooglanden: De Ilaga-vallei vormt het epicentrum van dit attribuut. De Lani-mannen uit Ilaga stonden erom bekend dat zij jagers waren die diep de bergbossen introkken om op kasuarissen te jagen. De stugge, massieve pootbeenderen van de kasuaris leenden zich perfect om flinterdunne, aerodynamische wieken uit te snijden.

        Ook in aangrenzende Lani-regio's als de Bokondini- en Karubaga-valleien droegen de belangrijkste big men (clanleiders) dit attribuut en raakte het als import eveneens bij de Dani in de Baliemvallei in zwang: Wanneer Lani-mannen naar de lagere Baliemvallei trokken voor grote feesten, waren deze botten molentjes het absolute middelpunt van de belangstelling en ruilden rijke Dani-krijgers ruilden vaak meerdere varkens om zo'n kant-en-klaar Lani-molentje over te nemen om er zelf mee te pronken tijdens hun Wam Mawe (varkensfeest).

          H. van de Kerkhof - Diapositief Ilaga d1s1 -015 

          Een veelgebruikte neusversiering : de snavel van de zwarte sikkelsnavel (Epimachus fastosus), de grootste paradijsvogel (Paradisaeidae) uit de orde zangvogels en de superfamilie Corvoidea. Diapositief Henny van de Kerkhof Ilaga d2- 020 en -023 

          De Bergpapoea's van Nieuw-Guinea en hun woongebied - C.C.F.M. Le Roux

          De vermaarde Nederlandse antropoloog en museumdirecteur Charles Constant François Marie (C.C.F.M.) Le Roux (1885–1947) nam deel aan twee grote, historische expedities naar het centrale bergland van West-Papua. Het unieke etnografische en topografische materiaal dat hij tijdens deze twee tochten verzamelde, vormde de basis voor zijn monumentale, driedelige meesterwerk:
          "De Bergpapoea's van Nieuw-Guinea en hun woongebied" (uitgegeven tussen 1948 en 1950 door E.J. Brill in Leiden). 

          De twee expedities waaraan hij deelnam zijn:

          1. De Stirling-expeditie (1926)

          Officiële naam: De Amerikaans-Nederlandse Centraal-Nieuw-Guinea-expeditie.

          Zijn rol: Le Roux nam hieraan deel in de dubbelfunctie van etnoloog (antropoloog) en topograaf.

          Het verloop: Deze expeditie, die onder algemene leiding stond van de Amerikaan Matthew Stirling, drong vanaf de noordkust (via de Mamberamo- en Rouffaerrivier) diep door tot de hellingen van het centrale Nassaugebergte. Hier maakte Le Roux langdurig en intensief contact met de Dem en de Mulia-Dani (Lani). Hij verzamelde destijds een schat aan gedetailleerde veldaantekeningen, maten van objecten, vocabulaire en unieke foto's van deze nog volledig in het stenen tijdperk levende bergbewoners. 

            2. De Le Roux-expeditie (1939)

            Officiële naam: De Expeditie van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) naar het Wisselmerengebied en het Nassau-gebergte. 

            Zijn rol: Naar aanleiding van zijn eerdere succes in 1926 kreeg Le Roux in 1939 de absolute algehele leiding over deze groots opgezette, multidisciplinaire wetenschappelijke onderneming. 

            Het verloop: Het doel was om de net ontdekte Wisselmeren (Paniai) en het omliggende westelijk-centrale bergland antropologisch, biologisch en geologisch volledig in kaart te brengen. Le Roux deed hier diepgaand onderzoek naar de Mee (Kapauku) en de Moni. Vanwege de acute dreiging van de Tweede Wereldoorlog moest deze expeditie in het najaar van 1939 helaas voortijdig worden afgebroken. 

              Totstandkoming van het drieluik

              Na zijn terugkeer in Leiden werkte Le Roux (die van 1943 tot 1946 directeur was van het Rijksmuseum voor Volkenkunde) tijdens de zware oorlogsjaren onafgebroken aan het samenvoegen van zijn wetenschappelijke data uit zowel 1926 als 1939. 

              Hoewel hij vlak voor de publicatie in 1947 overleed, verscheen zijn magnum opus postuum in drie monumentale delen: 

              Deel 1 (1948): Behandelt de geografie, de ontdekkingsgeschiedenis, de materiële cultuur (huizenbouw, kleding, landbouw) en de antropometrische gegevens (lichaamsmetingen) van de bergbewoners.

              Deel 2 (1950): Richt zich diepgaand op de talen, de sociale structuur, religie, familiestructuren en de kunst/muziek van de Bergpapoea's. 

              Deel 3 (1950): De beroemde, bijbehorende platenatlas vol met zijn uiterst gedetailleerde panoramafotografie, kaarten en exacte tekeningen van inheemse gebruiksvoorwerpen en sieraden. 

              DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED I DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1948

              DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED II DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1950

              DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED III DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1950

              Overige beeldcollecties Papua Tengah: