Papua Tengah: Intan Jaya / Puncak / Puncak Jaya

Overzichtskaart westelijk deel Nederlandsch Centraal Nieuw-Guinea- Terrein der Expeditie 1939 Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap onder leiding van C.C.F.M. le Roux 

Kaart Papua Tengah, Centraal Nederlands Nieuw-Guinea. Utrechts archief

Stammen Berggebied Nederlands Nieuw-Guinea. Figuur 12  De Bergpapoea's van Nieuw-Guinea en hun woongebied II C.C.F.M. Le Roux 1950 

In de districten Intan Jaya, Puncak en Puncak Jaya wonen verschillende inheemse volkeren waarvan de Moni (Migani), Damal, Dani en Lani de grootste en meest prominente groepen vormen. 

Overzicht van de belangrijkste volkeren, hun specifieke kenmerken en de onderlinge verschillen: 

1. De Belangrijkste Volkeren per Regio

  • Intan Jaya: Dit is het kerngebied van de Moni (ook wel Migani genoemd). Daarnaast wonen hier kleinere groepen zoals de Wolani.

  • Puncak: Dit district wordt gedomineerd door de Dani (ongeveer 66%) en de Damal (ongeveer 20%), een kleine zeer geïsoleerde groep is de Dem.

  • Puncak Jaya: Dit bergachtige gebied is voornamelijk het thuisland van de Lani (vaak gezien als verwant aan de Westelijke Dani), de Wano, de Nduga en groepen Damal.

2. Culturele Eigenaardigheden per Volk

De Moni (Migani) – Intan Jaya

  • Identiteit: Zij noemen zichzelf Migani. Ze wonen in de steile valleien en op de berghellingen van Intan Jaya.

  • Eigenaardigheid: De Moni staan bekend om hun diepe spirituele band met de natuur en hun unieke zangkunst (nyanyian tradisional). Zij zingen specifieke melodieën voor de jacht, de landbouw, de oorlogsvoering én om partners aan te trekken.

  • Economie: Traditioneel zeer bedreven in de landbouw (zoete aardappelen) en het houden van varkens. 

De Wolani (ook bekend als Wodani, Walani of Woda)  leven zij zij aan zij met grotere buurstammen zoals de Moni en de Damal. Hun leefgebied strekt zich van oudsher uit langs de rivieren Kemandoga en Mbiyandogo, ten noordoosten van het Paniai-merengebied. 

  • De Wolani spreken de gelijknamige Wolani-taal. Deze taal behoort tot de West-Trans-Nieuw-Guineese taalfamilie en vertoont sterke linguïstische gelijkenissen met de talen van de naburige Mee (Ekari) en Moni-stammen.

  • Landbouwcultuur: Van oudsher zijn de Wolani landbouwers (horticulturisten). Zij overleven in de bergachtige omgeving door middel van zwerflandbouw (slash-and-burn), waarbij de zoete aardappel (petatas) het absolute hoofdvoedsel vormt.

  • Sociale structuur en het 'Tonowi'-systeem: Net als bij de Mee-stam wordt de sociale status en het informeel leiderschap binnen de Wolani-samenleving bepaald door het Tonowi-systeem (Big Man-systeem). Een leider (Tonowi) verwerft zijn status niet door erfopvolging, maar door persoonlijke verdiensten: het bezitten van veel varkens, welsprekendheid, vrijgevigheid en het succesvol bemiddelen bij conflicten.

  • Kaurischelpen (Traditionele valuta): De Wolani staan antropologisch bekend om hun langdurige gebruik van kaurischelpen (mege) als traditioneel betaalmiddel. Deze schelpen, die via eeuwenoude handelsroutes vanuit de kust de hooglanden bereikten, worden gebruikt voor de bruidsschat (mas kawin), het compenseren van misdaden en het kopen van varkens. Hun unieke relatie hiermee werd in 2005 vastgelegd in de National Geographic-documentaire Tribal Odyssey: The Wolani Shells

De Wano (Wono) bewonen de noordelijke, extreem steile hellingen van Puncak Jaya richting het lager gelegen Mamberamo-rivierbekken. Door hun geografische isolatie hebben zij hun prehistorische cultuur tot diep in de 20e eeuw nagenoeg onveranderd behouden. [1]

  • Het Adom Wone-systeem: Het maatschappelijk leven van de Wano wordt geleid door het Adom Wone. Dit is een ongeschreven, streng religieus en moreel rechtssysteem. Het bepaalt alles: van de omgang met de natuur tot aan de complexe regels rondom het huwelijk (Aptawe-Kwarawe). Overtreding van de Adom Wone leidt volgens hun geloof tot directe vloeken, zoals mislukte oogsten of ziekte.

  • De Stenen Bijl-Cultuur: Terwijl omliggende stammen al vroeg via ruishandel ijzeren gereedschap verkregen, bleven de Wano tot ver in de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw afhankelijk van de ambachtelijke productie van stenen bijlen. Het slijpen en verhandelen van deze bijlen had een diepe spirituele en ceremoniële waarde.

  • Traditionele Kleding: Wano-mannen dragen een specifieke, vaak kortere en bredere variant van de koteka (peniskoker) vergeleken met de Dani. Vrouwen dragen de sali, een traditionele rok gemaakt van gevlochten boomschors en plantenvezels.

  • Woningen: Zij bouwen net als de Dani ronde hutten (Honai), maar de Wano-varianten staan dikwijls op palen of steile hellingen om vocht uit het regenwoud tegen te gaan. 

    De Dem (ook Lem) vormen een van de kleinste en meest raadselachtige stammen van de centrale hooglanden (geschat op slechts enkele duizenden koppen). Ze wonen voornamelijk in de Bina-vallei, ingeklemd tussen de districten Sinak en Beoga (Puncak).

    • Een Taalkundig Mysterie: Het meest unieke kenmerk van de Dem is hun taal. Waar vrijwel alle stammen in de hooglanden talen spreken die familie van elkaar zijn, is de Dem-taal een "isolaat". Dit betekent dat de taal geen aantoonbare verwantschap heeft met de talen van hun buren (zoals de Dani of de Damal). Ze vormen letterlijk een taalkundig eiland.

    • De Rol als Buffer- en Handelsvolk: Omdat de Dem historisch gezien precies tussen de territoria van de machtige Dani en de Damal in woonden, ontwikkelden zij zich tot een diplomatiek buffer-volk. Ze stonden bekend als meertalige mediators die conflicten tussen grotere stammen hielpen sussen en handelsroutes (voor zeeschelpen en zout) controleerden.

    • Fysieke cultuur: Door hun kleine populatie hebben de Dem in de loop der jaren veel uiterlijke cultuurkenmerken (zoals kleding en de traditionele Bakar Batu-kookmethode) overgenomen van hun Damal-buren, maar ze behouden strikt hun eigen clanstructuur en huwelijkstradities om opgaan in de grotere stammen te voorkomen

    De Damal (voorheen Oehoendoeni) – Puncak & Puncak Jaya

    • Geschiedenis: De Damal worden door antropologen beschouwd als een van de oudste stammen in de centrale hooglanden. Zij geloven dat hun voorouders rechtstreeks uit de bergen rond de Cartensz-piramide (Puncak Jaya) zijn voortgekomen.

    • Eigenaardigheid: Zij hebben een zeer complexe mythologie over het ontstaan van de mensheid. Ze zijn nauw verwant aan de Amungme-stam (die aan de zuidkant van de bergen leeft). Ze staan bekend als vreedzame handelaars die vroeger zeeschelpen (als munteenheid) ruilden met kustvolkeren. 

    De Dani en Lani – Puncak & Puncak Jaya

    • Identiteit: Hoewel de Dani vooral bekend zijn uit de Baliem-vallei, strekt hun invloedssfeer (en die van de nauw verwante Lani) zich uit tot diep in Puncak en Puncak Jaya.

    • Eigenaardigheid: Hun samenleving is sterk patriarchaal en hiërarchisch, geleid door een Big Man (Tonowi of Ondoafi) wiens status wordt bepaald door het aantal varkens en vrouwen dat hij bezit, en zijn retorische talent.

    • Tradities: Zij zijn wereldberoemd om de Bakar Batu (het steenfeest). Dit is een ritueel waarbij eten (varkensvlees en zoete aardappelen) wordt gekookt in een kuil met door vuur verhitte stenen. Dit feest dient om allianties te vieren, huwelijken te bezegelen of vrede te sluiten.

    De Nduga (voorheen Pesechem, ook gespeld als Pesegem, Peseghem of Pesecham)

    De brug tussen hoogland en laagland: De Nduga zijn uniek omdat ze zowel de extreem steile bergen rond Puncak Jaya en het Nduga-district bewonen, als de lagere zuidelijke hellingen richting de Moerasvlakten. Hierdoor fungeerden zij historisch als de ultieme handelslink tussen de laaglandstammen (zoals de Asmat) en de hooglandstammen (zoals de Dani).

    • Het Jagen met de 'Kandara': De Nduga stonden historisch bekend om hun uitzonderlijke jachttechnieken in de dichte bergbossen. Waar veel hooglandstammen zich primair op landbouw richtten, bleef de jacht op boomkangoeroes, koesoes en wilde zwijnen een centrale pijler in de Nduga-identiteit. Hun bogen en pijlen behoren tot de langste en krachtigste van de centrale hooglanden.

    • De 'Ngalik' Taalfamilie: Hun taal (het Nduga) behoort tot de grotere Ngalik-subfamilie binnen de Dani-talen. Hoewel ze cultureel verwant zijn aan de Dani, is hun taal voor een Dani-spreker uit de Baliem-vallei niet direct te verstaan. Het dialect verschilt bovendien sterk tussen de 'Berg-Nduga' en de 'Vallei-Nduga'.

    • De Heilige Varkensruil (Wam Kula): Net als bij de Dani spelen varkens een hoofdrol in de economie en cultuur. Echter, bij de Nduga kent de Wam Kula (het betalen van de bruidsprijs of schadevergoedingen na conflicten) een nog striktere hiërarchie van clanspecificaties. Het onjuist verdelen van de varkensdelen kan decennialange vetten veroorzaken. 

    • Conflict en Ontheemding: Sinds eind 2018 is het leefgebied van de Nduga het epicentrum van een hevig gewapend conflict tussen het Indonesische leger en de separatistische Vrije Papoea Beweging (OPM). Dit heeft geleid tot een enorme humanitaire crisis waarbij tienduizenden Nduga-Papoea's hun dorpen in de bergen hebben moeten ontvluchten. Velen leven nu als ontheemden in omliggende districten zoals Jayawijaya en Mimika. Hun traditionele cultuur staat hierdoor onder enorme druk.

    Enige afbeeldingen met beschrijvingen uit Drukproef van een platenatlas door C.C.F.M. le Roux: Mamberamo, een studie van land en volk van het stroomgebied der Mamberamo-rivier in Nederlandsch-Centraal- en Noord-Nieuw-Guinea. De opnames werden gemaakt  tijdens de Nederlands-Amerikaanse expeditie (ook wel bekend als de Stirling expeditie naar de leider Matthew Stirling, etnoloog van het U.S. National Museum (Smithsonian) naar Nieuw-Guinea in 1926. De drukproef stamt uit ca. 1935 en is integraal (156 pagina's) in te zien op: 74-170 Utrechts Archief 

    Gezicht in Damoenaroe, nederzetting van den Dèmstam 1200 m. boven zee, en op het omringende landschap. De daken der woningen zijn schilderachtig begroeid met de laboeplant.  (Labu plant=waterkalebas). 

    Rondzicht in de kampong Tombé. Van rechts naar links eerst het mannenhuis, daarna het afdak waaronder de smoorkuilen voor bereiding van het eten, vervolgens gezinswoning, waarnaast toestellen ter bewaring van placenta, etc., geheel links een tweede gezinswoning omheind. Op den voorgrond tabaksplaneten en kladi.

    Woning van de menschen van den Dèmstam ( Ngo Dèm ) uit het stroomgebied der Nògòlò. De dikke boomstammen zijn op meer dan manshoogte boven den grond afgekapt. Rechts op de foto een stam met inkepingen aan beide zijden.

    Het mannenhuis ( Tané ) in de kampong Tombé nabij het Explorateursbivak. Vierkant binnenvertrek en half open voorgalerijtje met venster.

    Hieronder enkele eveneens zeer vroege opnames uit: Foto's van expedities naar Nieuw-Guinea, waaraan C.C.F.M. le Roux deelnam, de Nederlands-Amerikaanse expeditie in 1926 en vermoedelijk de expeditie Nieuw-Guinea II in 1939. Bron: 74-169 Utrechts Archief (485 pagina's, ca 240 afbeeldingen).

    Gewapende Papoeamannen bij hun woning. Utrechts Archief 74-169-33 

    Groep Papoea's berggebied 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-15 

    Twee Papoeamannen 1926-1939 Utrechts Archief 74-169-17

    Papoea met dansmolentje, berggebied 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-272 

    Papoea met velerlei versierselen, berggebied 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-332 

    Vijf mannen uit de Swartvallei 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-49 

    Familie bij hun woning 1926-1939. Utrechts Archief 74-169-177 

    Overige collecties

    Oehoedoeni-meisje uit de buurt van Carstenszgebergte. PKN negatief DSC_7830

    Oehoendoeni-man uit het Carstenszgebergte. PKN negatief DSC_7831b

    Bilorai 1963 touwbrug. IrianJaya1-18-023 

    Bilorai, Intan Jaya 1969. Donkers negatieven a1-f70-f000

    Bilorai 1969. Het binden van de dakbedekking. Donkers negatieven a1-f70-f002 

    Lani-man met lichaamsbescherming, een borstkuras van rotan en orchideevezel. Diapositief NG-D4-066 

    Diapositief Adatfeesten Bilorai-18-011 Bilorai Intan Jaya, oktober 1958 

    Diapositief Adatfeesten Bilorai-18-009 Bilorai Intan Jaya, oktober 1958

    Twee gebolsterde Moni's en een groep kinderen Bilorai, Intan Jaya 1963. Negatieven IrianJaya1-19-012 

    Het borstpantser op de foto's hierboven wordt komen we bij veel Papoeavolkeren in het berggebied tegen.

    Het onderste deel dat het bovenlichaam tegen pijlen moest beschermen bestaat uit dikke, stijve banen van horizontaal gevlochten rotan of riet. De borstkas en de schouderbanden worden gemaakt van zachtere, maar extreem dicht geknoopte boom- of bastvezels. Hierdoor behoudt de krijger de volledige bewegingsvrijheid om zijn wapens te gebruiken.

    De Moni en Lani gebruiken ter decoratie de gedroogde en gespleten stengels van wilde orchideeën. Deze goudkleurige vezels worden door het pantserstramien heen gevlochten om met contrasterende donkerbruine vezels opvallende horizontale of verticale banen te vormen.

    Varkensfeest te Bilorai, Intan Jaya 1963. Negatieven IrianJaya1-66-007

    Varkensfeest bij de Moni te Bilorai, Intan Jaya 1968. Negatief Donkers a1-f69-f018 

    Varkensfeest bij de Moni te Bilorai, Intan Jaya 1968. Negatief Donkers a1-f69-f019 

    Varkensfeest bij de Moni te Bilorai 1968. Negatief Donkers a1-f69-f016 

    Varkensfeest bij de Moni te Bilorai 1968. Negatieven Donkers  a1-f69-f029 

    Donkers negatieven album3film251-016 Varkensfeest Bilorai 1973

    H. van de Kerkhof - Diapositief Bilogai Bilai d1s2 -010 ca 1975

    H. van de Kerkhof - Diapositief Bilorai Bilai d1s2 -011 ca 1975

    Henny van de Kerkhof diapositief Bilorai Bilai d1s1 -034. Jonge knapen met beschilderd gelaat in Bilorai Bilai, Intan Jaya ca 1975

    H. van de Kerkhof - Diapositief Ilaga d1s2 -016 woning in Ilaga ca 1975

    H. van de Kerkhof - Diapositief Ilaga d2- 014 woning met rood-wit gevlekt varken ca 1975

    H. van de Kerkhof - Diapositief B1s3 Ilaga -010 Varkensfeest in Ilaga ca 1975

    De Ilaga-vallei, gelegen op een hoogte van ongeveer 2100 meter in het hoogland van wat nu Centraal-Papoea is, werd aanvankelijk bewoond door het Damal-volk. Zij stichtten nederzettingen in paren van clansegmenten, gericht op de intensieve teelt van taro als een prestigieus gewas dat door mannen werd verbouwd. Er wordt beweerd dat de voorouders van Damal ongeveer vijf generaties vóór de komst van andere groepen naar het gebied zijn geëmigreerd vanuit regio's ten zuiden van het belangrijkste berggebied of de lagere Yamo-vallei, en dat zij een economie in stand hielden die gebaseerd was op taro, zoete aardappelen, varkenshouderij en de handel in schelpgeld. Hun sociale organisatie kenmerkte zich door groepen met strikte exogamieregels en patriciërsclans die verbonden waren door voorkeurshuwelijken, naast periodieke Tel-rituelen in de hele vallei waarbij voorouders werden aangeroepen voor overvloed en revitaliseringsbewegingen als reactie op droogtes of hongersnoden, die teruggaan tot de 19e eeuw. Lani-groepen, vaak geclassificeerd als Westelijke Dani, begonnen zich kort voor 1910 permanent in de Ilaga-vallei te vestigen. Ze migreerden voornamelijk vanuit de Noord-Baliem-vallei en de bovenste Sinak-regio's om de aanhoudende oorlogvoering en landconflicten te ontvluchten, hoewel de conflicten ook na aankomst bleven voortduren. Deze instroom leidde tot de gedeeltelijke verdringing van Damal-populaties naar het westen, naar gebieden zoals Beoga of ten zuiden van het gebergte. Het aantal Lani werd in 1910 geschat op 650, vergeleken met 1350 Damal. Tegen het einde van de 20e eeuw werd de Lani-populatie dominant door bevolkingsgroei en de uitbreiding van de landbouw met behulp van de teelt van zoete aardappelen op verhoogde bedden. De interacties tussen Lani en Damal omvatten culturele uitwisselingen, zoals de overname door Lani van Damal Tel-rituelen en de incorporatie door Damal van Lani-rondhuisarchitectuur en elementen van de dubbele organisatie, naast de handel in varkens, kauri's en zout. Grokipedia-Ilaga-Central_Papua

    H. van de Kerkhof - Diapositief B1s3 Ilaga -001

    De dracht van de Lani-mannen (lokaal ook wel kobeba of kobewak genoemd) is direct herkenbaar op foto's en verschilt fundamenteel van die van hun oostelijke buren, de Dani en de Yali. 

    Het meest opvallende kenmerk van de Lani-koteka is de omvang. De koker is relatief kort, maar extreem breed en dik. Ze worden vaak omschreven als een soort 'kanonsloop' of brede beker. Terwijl de Dani een lange, slanke kalebassoort kweken, gebruiken de Lani een specifieke, dikke variant van de fleskalebas (Lagenaria siceraria). Tijdens de groei binden ze gewichten aan de kalebas om deze in de breedte uit te laten zetten. 

    Omdat de koker zo breed is en aan de bovenkant wijd openstaat, gebruiken de Lani-mannen hun koteka als een handige opbergplek. De ruimte tussen het lichaam en de binnenzijde van de kalebas fungeert als een jaszak of tas. Mannen bewaren hier van alles in: Tabak en vloeitjes, kleine gebruiksvoorwerpen of gereedschappen, wat ze maar bij de hand willen hebben. De koker wordt met plantaardige vezels of reepjes textiel om het middel en de balzak bevestigd. 

      Lani vrouwen en meisjes met wambak. Bob Schijns Baliem-17-006 

      Het meisje links draagt een sali een gelijkaardig en gelijknamig rokje van neerhangende koorden als het kledingstuk van de ongetrouwde Dani-vrouw. Pas op de dag van haar huwelijk, tijdens de grote ceremonies van de Wam Mawe (Varkensfeest), wordt de sali ritueel uitgetrokken. Het meisje krijgt dan van haar nieuwe schoonfamilie haar allereerste, meerkleurige wambak (de rok van horizontale koorden) om haar heupen gewikkeld. Vanaf dat moment is zij officieel een getrouwde vrouw. De wambak van de Lani maakt daarentegen gebruik van verschillende kleuren vezels. De vrouwen weven patronen met natuurlijke lichte vezels, donkergekleurde vezels vaak tezamen met felgele of oranje-rode stengels van specifieke bosorchideeën. De wambak van de getrouwde Lani-vrouwen (westerse Dani) is in wezen exact hetzelfde kledingstuk als de yokal van de getrouwde Dani-vrouwen uit de centrale Baliemvallei. 

        Lani bij de zoutbron bij Jiwika. 

        H. van de Kerkhof - Diapositief Ilaga d1s2 -028 Portret van een man in Ilaga ca 1975

        Ceremoniële draag- en schouderbanden (vaak aangeduid als noken asmat, tok of aliat).

        De Papoea's in het berggebied maken gebruik van een eeuwenoude techniek van knotless netting (knopen zonder knopen, vergelijkbaar met haken of haken met de hand). Aan de geometrische patronen, kleuren en versieringen kan men direct zien uit welke vallei of van welk volk de drager komt.

        Felgele, goudkleurige of dieporanje geometrische patronen, zijn vrijwel zeker het werk van de Lani die daartoe de glanzende, gele binnenzijde van de stengels van specifieke bosorchideeën gebruiken. De Lani splitsen deze stengels in flinterdunne reepjes en vlechten of knopen deze door de donkere boombastvezels heen. Dit resulteert in strakke, glanzende geometrische patronen zoals diamanten (wieberpatronen), zigzaglijnen en ruiten.

        H. van de Kerkhof - B3s10 Div - 042

        Lani-krijger of clanleider in volle ceremoniële dans-ornaat: de lange dans-koker, zijn beste met orchideeëngoud gevlochten schouderband met het dans-molentje, en de ceremoniële kasuarisveren in een fijnmazig geknoopt haarnet (suak)  gestoken om een indrukwekkende, donkere kroon te vormen.

        Ofschoon Lani bekend staan om hun korte, dikke kokers ruilen zij tijdens grote ceremoniële feesten, rituele alliantiedansen en oorlogsdemonstraties deze vaak in voor een extreem lange, rechte en spitse kalebas (de kobewak). Deze koker reikt dikwijls tot aan de borst of zelfs tot de neus en wijst kaarsrecht omhoog. Tijdens het springen tijdens de dans slaan de mannen met hun hand of met hun onderbuik ritmisch tegen de koker aan, zodat deze een hard, klakkend geluid maakt tegen de borst. Dit diende om het ritme aan te geven en indruk te maken op de toeschouwers.

        Het, uit bot gesneden en draaiende ornament dat aan de schouderband is bevestigd wordt in de taal van de Lani (het Westelijk Dani) een wamala-o of toli genoemd. Waar wamala de algemene term is voor het draaiende concept, duidt de toevoeging of de term toli specifiek op de harde, glanzende varianten gemaakt van dierlijk materiaal zoals kasuarisbot.

        De wamala-o of toli, soms gecombineerd met de wam-nyake (varkensslagtanden) op de schouderband. kent een heel specifiek verspreidingsgebied op de as van de Centrale Hooglanden: De Ilaga-vallei vormt het epicentrum van dit attribuut. De Lani-mannen uit Ilaga stonden erom bekend dat zij jagers waren die diep de bergbossen introkken om op kasuarissen te jagen. De stugge, massieve pootbeenderen van de kasuaris leenden zich perfect om flinterdunne, aerodynamische wieken uit te snijden.

        Ook in aangrenzende Lani-regio's als de Bokondini- en Karubaga-valleien droegen de belangrijkste big men (clanleiders) dit attribuut en raakte het als import eveneens bij de Dani in de Baliemvallei in zwang: Wanneer Lani-mannen naar de lagere Baliemvallei trokken voor grote feesten, waren deze botten molentjes het absolute middelpunt van de belangstelling en ruilden rijke Dani-krijgers ruilden vaak meerdere varkens om zo'n kant-en-klaar Lani-molentje over te nemen om er zelf mee te pronken tijdens hun Wam Mawe (varkensfeest).

          H. van de Kerkhof - Diapositief Ilaga d1s1 -015 

          Een veelgebruikte neusversiering : de snavel van de zwarte sikkelsnavel (Epimachus fastosus), de grootste paradijsvogel (Paradisaeidae) uit de orde zangvogels en de superfamilie Corvoidea. Diapositief Henny van de Kerkhof Ilaga d2- 020 en -023 

          DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED I DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1948

          DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED II DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1950

          DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED III DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1950

          Overige beeldcollecties Papua Tengah: