Papua Selatan: Asmat / Mappi / Boven Digoel
Bewerking kaart van auteur:Hddty, CC BY-SA 4.0 via Wikimedia Commons
Asmat
De vroege exploratie van Zuid-Nederlands-Nieuw-Guinea
Aan het begin van de twintigste eeuw vormde het binnenland van Zuid-Nederlands-Nieuw-Guinea een van de laatste grote cartografische hiaten op de wereldkaart. Terwijl de Nederlandse aanwezigheid zich tot die tijd hoofdzakelijk had beperkt tot incidentele contacten langs de kustlijnen, dwong de toenemende geopolitieke activiteit van andere koloniale mogendheden het gouvernement in Batavia tot actie. Vanaf 1900 startte de koloniale overheid een reeks grootschalige, systematische expedities om het onbekende en dichte binnenland geografisch, militair en wetenschappelijk in kaart te brengen.
Deze vroege exploratiefase werd gekenmerkt door een tweeledige aanpak. Enerzijds vonden er tussen 1904 en 1913 puur wetenschappelijke expedities plaats—zoals de vroege Zuidwest Nieuw-Guinea Expeditie en de opeenvolgende Lorentz-expedities—die tot doel hadden de loop van de grote rivieren te ontrafelen en de centrale sneeuwbergen te bereiken. Anderzijds zette het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger (KNIL) vanaf 1907 grootschalige militaire exploratiedetachementen in, onder leiding van figuren als kapitein A.J. Gooszen. Deze detachementen verkenden vanuit strategische uitvalsbasissen zoals Merauke systematisch de rivierensystemen van het zuiden.
Hoewel deze tochten onder extreem zware logistieke en fysieke omstandigheden werden uitgevoerd, legden zij niet alleen de basis voor de latere koloniale infrastructuur en cartografie. De intensieve, vaak eerste contacten met de lokale Papoeavolkeren—zoals de Asmat, de Kamoro en de bewoners van het Mappi- en Marind-anim-gebied—leidden tot de verwerving van omvangrijke collecties materiële cultuur. De objecten die tijdens deze pioniersjaren werden verzameld en gedocumenteerd, vormden het startpunt voor de westerse kennismaking met en latere waardering van de hoogontwikkelde kunst- en cultuurtradities uit deze regio.
Van de Lorentz expedities is enig fotomateriaal overgebleven dat we hieronder kunnen publiceren. Daarom zullen we op het verloop van deze expedities wat nader ingaan:
H.A. Lorentz (1871-1944) leidde in 1907 en 1909-1910 twee expedities naar het zuiden van het toenmalige Nederlands Nieuw-Guinea om de onbekende binnenlanden, inclusief de eeuwige sneeuw, te verkennen; deze expedities brachten belangrijke cartografische en botanische kennis en leidden tot de naamgeving van de Lorentzrivier (nu Unir/Undir) en het Lorentz Nationaal Park.
Aan boord van het stoomschip Valk zette de eerste Zuid-Nieuw-Guinea expeditie vanuit de Javaanse havenplaats Soerabaja in april 1907 koers naar Nieuw-Guinea. Het afgedankte marinevaartuig Zwaluw, een schip zonder machines, werd op sleeptouw genomen om dienst te doen als bivakschip, dat wil zeggen volgestouwd op de heenreis met voedsel voor de expeditieleden en als bergplaats voor de aan te leggen wetenschappelijke verzamelingen op de terugreis. Via de monding van de zuidelijke Noordrivier, die ver in het bergachtige binnenland en dicht bij de met sneeuw bedekte Wilhelminatop zijn bron moest hebben, stoomde men stroomopwaarts tot Bivak-eiland in het midden van de brede rivier werd bereikt, waar de Zwaluw met een kleine bewaking werd achtergelaten. Vanaf daar ging het verder landinwaarts met kleinere boten en kano's. Op verschillende plaatsen langs de rivieroevers werden kleine bivaks gebouwd die eveneens bemand werden achtergelaten. Tussen het bivakschip en de tijdelijke nederzettingen langs de rivier vond daarna transport van voedsel en andere bevoorradingen plaats. In juli werd verder stroomopwaarts door Lorentz en Van Nouhuys Kamp Alkmaar opgebouwd en niet ver van daar konden de eerste, lagere bergketens van het centrale massief worden waargenomen. Door de onbevaarbaarheid van de rivier moest de expeditie nu te voet verder door de jungle. Lagere bergkammen werden verkend, maar niet eerder waargenomen hogere bergkammen kwamen in zicht die een mars naar de eeuwige sneeuw verhinderden. De tocht was langer en zwaarder dan men had vermoed. Uitputting en ziekte begonnen hun tol te eisen. Het merendeel van de dragers leed inmiddels aan beri-beri en er ontstond een tekort aan voedsel en vers drinkwater. Onvermijdelijk moest de terugweg worden aanvaard, de bivaks werden verlaten en rond midden oktober waren alle mannen weer terug op Bivak-eiland en de beide schepen. Op 22 oktober sleepte de Valk het oude bivakschip naar de kustplaats Merauke en op 1 december, na een rustperiode van ruim een maand, voer men vanuit Zuid Nieuw-Guinea terug naar Soerabaja.
Bron wiki
De Asmat
Papoea woningen aan de Lorentz rivier. Blad 5 Foto's van de Nieuw-Guinea-expeditie met het bivakschip 'Zwaluw' 1907 Utrechts Archief
Expedition to the snow mountains Lorentz 1909-1910 Papuan house near north (Lorentz river). Utrechts Archief
Asmat-gezinnen leefden in woningen lokaal bekend als de tsjém. Vanwege de getijdenstroom en de drassige bodem in de kustvlakte werden deze huizen gebouwd op houten palen, variërend van 80 tot 200 centimeter boven de grond. Het frame bestond uit zacht hout dat volledig met rotan aan elkaar werd gebonden; de daken en wanden werden bedekt met gevlochten sago- of nipapalmenbladeren. De vloer bestond uit dunne boomstammen of takken, afgedekt met palmbladeren en brede repen boombast. In elk huis bevonden zich meerdere haardplaatsen (amkotep), één voor elke bij een vuurplaats behorende gezinsgroep.
Hoewel de tsjém op palen stond, bouwden sommige Asmat-groepen in tijden van oorlog ook tijdelijke uitkijkposten in de bomen op 20 tot 45 meter hoogte om naderende vijanden te spotten en vrouwen te beschermen.
Papoea vestiging in de kreek beneden Bivak-eiland. Links een der prauwen der expeditie. Blad 6 foto 3, Foto's van de Lorentz-expeditie naar Nieuw-Guinea, 1909-1910. Utrechts Archief
Papoea's roeiend achter het schip. Blad 4 Foto's van de Nieuw-Guinea-expeditie met het bivakschip 'Zwaluw', 1907. Externe link Foto's van de Nieuw-Guinea-expeditie met het bivakschip 'Zwaluw', 1907. Utrechts Archief
Uit Zwarte Mensen - Witte Bergen H.A. Lorentz 1913 p.p. 37-41:
Even benoorden de Varen-Rivier -een linkerzijrivier van de Lorentz-Rivier- zagen wij voor een kreek een 18-tal prauwen liggen, bemand met een goede honderd man, die het schip op grooten afstand volgden. In tegenstelling met de Papoea's van de Noordkust, die op de boorden zitten en veelal uitleggers en zeilen hebben, roeien de Papoea's van de Zuidkust staande in hunne prauwen, die soms zoo smal zijn, dat zij de voeten voor elkaar moeten plaatsen. Zij gebruiken voor het roeien 3 tot 4 meter lange roeispanen, versierd met een bos kasuarisveeren of wel met een hoes van gevlochten touw, waaraan veelal witte kaketoeveeren zijn bevestigd. Hun overige uitrusting is zeer primitief, de mannen zijn geheel naakt en dragen als versiering om het middel een schelp of een schortje van kasuarisveeren, dat op de achterste deelen wordt gedragen.
Op de borst hebben zij versierselen van bamboe of varkenstanden, het septum van den neus is doorboord, waarin veelal een uitgesneden stuk varkensbeen is gestoken, somtijds steken zij door de twee neusvleugels lange pennen uit de vleugels van den Kasuaris, op het voorhoofd dragen zij stukjes koeskoeshuid.
Als wapen gebruiken zij pijl en boog en speren; om zich tegen het terugslaan van de pees van den boog te beschermen, dragen zij om den linkerpols breede banden van gevlochten lianen. Verder zijn zij in het bezit van schilden, kunstig met snijwerk, wit en rood versierd, vermoedelijk zijn dit echter dansschilden; als bescherming heb ik ze ten minste nimmer in de prauwen zien gebruiken. Tot zijn verdere uitrusting behoort een klein taschje van gevlochten plantenvezels, eveneens van veeren voorzien, waarin hij zijn kleine werktuigen als bamboemesje, beenen haakpen, naalden en andere voorwerpen bewaart.
Voor den ethnograaf zijn dit de meest belangrijke voorwerpen, maar men krijgt deze slechts bij uitzondering, want bij het ruilen van zoo'n tasch ontdoen zij deze gewoonlijk van den inhoud en het is niet mogelijk te midden van het tumult
uit te leggen, wat men verlangt. Als ruilartikel hunnerzijds worden steenen bijlen en trommen medegevoerd, die zij vrij goed op prijs weten te houden en gewoonlijk een bijl moeten opbrengen. (...)
(...) Ze waren niet te bewegen, om aan boord te komen en bij de minst ongewone gebeurtenis, als het te water laten
van een prauw of stoomsloep, sloegen zij op de vlucht. Ook van stilte schenen zij niet te houden, want, wanneer het oorverdoovend geraas voor een oogenblik verstomde, zag men terstond de prauwen zich van het schip verwijderen. Veel eensgezindheid heerscht er in zoo'n prauw niet, dikwijls ziet men de voormannen, begeerig om een voorwerp te ruilen hard vooruit roeien, terwijl de jongeren, meestal achterin gezeten, volle kracht achteruit roeien. Van hoofden of menschen, die meer invloed dan anderen hebben, is niets merkbaar. Zooals bekend, hebben zij de gewoonte bij ongewone gebeurtenissen, als bij aankomst van een schip, kalk te werpen uit groote bamboezen kokers, somtijds tegen het schip. Er zijn hier wel verklaringen voor uitgedacht, maar, zoolang men nog niet behoorlijk met hen kan praten, zal het wel beter zijn, hier geen diepzinnige beschouwingen over te geven. Hun hoofdvoedsel is sago en als dierlijk voedsel nuttigen zij visch en hetgeen hun de jacht oplevert als kasuarissen, varkens, kangoeroes, enz.
Zij leven niet aan de rivier, maar als veiligheidsmaatregel aan zijriviertjes en leiden naar alle waarschijnlijkheid een nomadenleven, van het eene sagocomplex naar het andere trekkende, waar zij dan gedurende den regentijd, die tegen April of Mei moet vallen, gevestigd blijven. Wij bezochten nimmer een nederzetting van Papoea's aan de monding van de rivier, wel aan de bovenrivier; de bezoeken geschiedden per stoomsloep van uit het bivakschip, toen dit tegenover Bivakeiland voor anker lag en golden dan een kleine nederzetting op korten afstand
benedenstrooms daarvan.
Het is een prachtig gezicht, zoo'n lange smalle prauw, somtijds bemand met wel twintig Papoea's, met gelijkmatigen slag het schip te zien bijhouden, telkens de rivier overstekende om de plaatsen op te zoeken, waar de minste stroom staat; liggen zij vlak onder den wal, dan zijn zij door hun donkere huidskleur bijna niet zichtbaar.
Prauwen met Asmat Papoea's op de Noord-rivier -later Lorentz-rivier en tegenwoordig de rivier Unir- 1907. TM-10009503 CC-BY-SA NMVW
Papoea's op bezoek bij het expeditiebivak 1908. CC-BY-SA TM-60001187 NMVW
Twee Asmat Papoea's met een schild en pijl en boog bij de Noord-rivier, later omgedoopt in Lorentz-rivier, tegenwoordig de rivier Unir. Jaar 1909, fotograaf Hendrikus Albertus Lorentz. CC-BY-SA TM-10006143 NMVW
-Papoea's op de Lorentz-rivier nabij de monding
-Papoea's bij het Bivakschip
-Papoea's uit de kreek beneden Bivakeiland
-Papoea's op de Lorentzrivier
-Het raadselachtige 'kalkwerpen' *)
Foto's van de Lorentz-expeditie naar Nieuw-Guinea, 1909-1910. Blad 63 Foto's van de Lorentz-expeditie naar Nieuw-Guinea, 1909-1910 Utrechts Archief
*) Het werpen van de kalk, waardoor een wolk ontstaat die lijkt op rook of damp, zou een bewuste intimiderend bedoelde nabootsing kunnen zijn van de van de kruitdampen die uit de wapens van de westerlingen kwamen
Papoeasche kleinhandel aan de Noordrivier: vijf voor een bijl. Lorentz expeditie 1907. Blad 6 Foto's van de Nieuw-Guinea-expeditie met het bivakschip 'Zwaluw', 1907 Utrechts Archief
Kaart bij de expedities naar Centraal Nieuw-Guinea -Papua Selatan- 1907 en 1909/1910 onder leiding van Dr. H.A. Lorentz. Utrechts Archief 74-527-1-15
Kaart bij de expedities van H.A. Lorentz in Nederlands Nieuw-Guinea 1907-1909. Utrechts Archief
Mannenhuis. Foto's van de Nieuw-Guinea-expeditie met het bivakschip 'Zwaluw', 1907. Utrechts Archief
Het mannenhuis van de Asmat (jeu) kent een langwerpige structuur met parallelle openingen aan de rivierzijde, direct gekoppeld aan de waterkant.
Mannenhuis. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20210
Mannenhuis. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027-20210
Gezicht in het mannenhuis van Amman stroomopwaarts kijkend, met rechts voorouderpalen bisjpalen voor de vuurplaatsen. De eerste paal staat voor de centrale vuurplaats (mboijir) van Jeu (Jö) Becembub. Foto Gerbrands 20 juli 1961. RV-10390-79 CC-BY-SA NMVW
Binnen de Asmat-bevolking bestaat een sterke innerlijke dynamiek. Hoewel de Asmatters taalkundig en cultureel veel met elkaar delen (zoals de centrale rol van het mannenhuis of de jeu en het befaamde houtsnijwerk), maakt Boelaars een scherp onderscheid tussen de verschillende groepen op basis van hun leefstijl/geografie en hun historische interactie met de kolonisator. [1, 2, 3]
1. Verschillen in Leefstijl en Geografie
Antropologisch en geografisch splitst de Asmat-bevolking zich op in twee hoofdgroepen, die elk hun eigen subgroepen (zoals de Bisman, Simai en Safan) kennen: [1]
-
De Kust-Asmatters (o.a. de Bisman-groep rond de Flamingobaai): Hun leefomgeving bestaat uit getijdenmoerassen en mangrovebossen dicht aan de Arafurazee. Hun mobiele leefstijl was traditioneel sterk gericht op het reizen per smalle prauwen over de grote rivieren en de zee. Zij leefden in grotere dorpsconcentraties (zoals Syuru en Ayam). [1, 2, 3, 4, 5]
-
De Binnenland-Asmatters (Hogerop de grote rivieren): Deze groepen leefden dieper in het binnenland waar het land geleidelijk stijgt. Hun leefstijl was meer semi-nomadisch. Door de dichte bossen en de dreiging van vijandelijke groepen bouwden zij hun huizen soms op extreem hoge palen of leefden ze in boomwoningen in de uitlopers van de bergen. [1, 2, 3]
-
De Kasuarinenkust & Gondu (Het Zuiden): Deze groepen vormden een aparte categorie in het zuidoosten. Hun leefomgeving was logistiek zo onherbergzaam en geïsoleerd dat zij zelfs binnen de Asmat-cultuur een heel eigen, afgezonderde dynamiek en dialect ontwikkelden. [1, 2]
2. Historische contacten met de Kolonisator (Bestuur en Missie)
De geschiedenis van de pacificatie en kolonisatie verliep voor de verschillende Asmat-groepen in een totaal ander tempo, wat leidde tot grote onderlinge spanningen:
-
De Kustgroepen (Eerste contacten): De dorpen rondom de Flamingobaai (zoals Syuru, Ewer en Ayam) kwamen als allereerste in structureel contact met buitenstaanders. Al in 1941 opende de katholieke missie hier drie scholen. Hoewel de Tweede Wereldoorlog dit abrupt onderbrak, trokken deze kust-Asmatters vanaf 1950 de missie en het Nederlandse bestuur naar zich toe. Zij ontdekten al snel de materiële voordelen (zoals stalen bijlen en tabak) van de kolonisator. De koloniale hoofdpost werd in hun gebied gevestigd (Agats). [1, 2, 3, 4]
-
De Binnenlanders ("Show of Power"): De groepen van de bovenloop van de rivieren kwamen pas veel later onder koloniale invloed. Dit zorgde voor scheve gezichten. De gekoloniseerde kustdorpen lieten de binnenlanders voelen dat zij de exclusieve toegang tot de westerse rijkdommen bezaten. Dit leidde historisch tot spectaculaire incidenten. In het najaar van 1953 kwamen de binnenlanders met meer dan honderd prauwen en duizenden mannen in oorlogsformatie naar Agats varen voor een massale "show of power". Ze wilden de kolonisator en de kuststammen dwingen om ook hun belangen niet langer over het hoofd te zien. [1, 2]
-
De Kasuarinenkust (Het 'Rauwe' Achterland): Terwijl de Flamingobaai rond 1955 onder leiding van pater G. Zegwaard al grotendeels gepacificeerd was, bleef de zuidelijke Kasuarinenkust nog lang een gewelddadig en onbestuurd gebied. Groepen die de controle van het koloniale bestuur wilden ontvluchten om bijvoorbeeld hun traditionele rituelen rondom het koppensnellen voort te zetten, weken uit naar deze onherbergzame kuststrook. Pas in de jaren '60 werd dit gebied onder extreem moeilijke omstandigheden (zoals cholera-epidemieën) door pater A. van de Wouw voor het eerst opengelegd. [1, 2, 3]
Een oorlogsdans uit de Kasuarinenkust die wordt uitgevoerd wanneer vreemdelingen op bezoek komen 1957. Nationaal Archief publiek domein.
De Kust-Asmatters fungeerden als de 'poortwachters' van de kolonisator en pasten zich als eerste aan, wat door de Binnenland-Asmatters en de bewoners van de Kasuarinenkust met veel wantrouwen en agressie werd bekeken. Dit zorgde ervoor dat oude stamvetes in de vroege koloniale tijd (jaren '50) vaak vermengd raakten met de strijd om westerse goederen. [1, 2, 3]
Asmat man met uitgestoken varkensbot (otsj) door het septum. Nationaal Archief publiek domein
Meer over de Asmat bevolking in de deelcollecties:
De Citak Mitak: De Asmat van de Bovenrivieren
Citak mannen 1951. CC-BY-SA TM-10008861 NMVW
Schilden aangetroffen door P van Dongen bij Tjitak (Citak Mitak) mensen in 1955. AR P027 20216 Serie BIV-2371
Waar de reguliere Asmat de lagere kustgebieden van de Eilandenrivier bewoont (rond Agats), controleerden de Citak Mitak de Boven-Eilandenrivier en de zijstromen die daarop uitkomen, zoals de Wildemanrivier en de Brazzarivier. Hun centrale ontmoetingsplaats Senggo ligt historisch gezien vlak bij het punt waar deze grote riviersystemen samenkomen.
De Rivier als Noordelijke en Westelijke Grens: De Eilandenrivier stroomt in feite in een boog om het kernland van de Korowai en Kombai heen. Voor de Citak Mitak vormde de rivier hun leefomgeving en 'snelweg'. Voor de Korowai en Kombai (die de rivier in hun eigen taal de Bafe noemen) was de Eilandenrivier juist de absolute noordelijke en westelijke grens van hun veilige territorium.
Zodra de Citak Mitak de Eilandenrivier stroomopwaarts verlieten en de kleinere zijrivieren in het oosten (zoals de Beckingrivier) invoeren, lieten ze hun eigen woongebied achter en betraden ze het vijandelijk gebied van de boomhutbewoners. De Eilandenrivier markeert dus exact de overgang waar de landinwaartse riviercultuur van de Citak Mitak overgaat in de diepe jungle-isolatie van de Kombai en Korowai.
De Citak Mitak zijn in alles de spirituele broeders van de Asmat. Zij verplaatsen zich staand in meterslange boomstamprauwen en delen met de Asmat een diep ontzag voor de voorouders, wat tot uiting komt in een strakkere, meer geometrische variant van de beroemde houtsnijkunst. Net als aan de kust vormt het ceremoniële mannenhuis (jeu) hier het kloppend hart van het dorp. Maar deze diepe verwantschap met de Asmat had ook een schaduwzijde voor de volkeren dieper in het binnenland: de Citak Mitak waren gevreesde rivierkrijgers. Hun prekoloniale expansiedrang en rituele koppensnelpartijen dwongen omliggende groepen tot een extreme vorm van architectonische defensie.
De Gondu
De Gondu-groep is vernoemd naar de Gondu-rivier. Dit is de inheemse naam voor de rivier die door de Nederlandse kolonisator op kaarten werd ingetekend als de Koningin Juliana-rivier. [1]
Etnische breuklijn: Hoewel het Gondu-gebied geografisch ingeklemd ligt tussen het Mappigebied (de Yahray) en het Asmat-binnenland (de Citak-Asmat), vormen zij een heel eigen groep. Taalkundigen (waaronder de vroege missionaris P. Drabbe) ontdekten destijds dat de taal van de Gondu-bewoners geen enkele verwantschap vertoonde met de omringende talen zoals het Kamoro, Asmat, Awyu of Yahray. Het werd beschreven als een taalkundig eiland (isolaat) binnen de regio. Antropologisch worden de groepen die daar dieper in het binnenland wonen vandaag de dag grotendeels gerekend tot de Assue-Gondu subgroep van de Awyu (de Awyu Darat of Land-Awyu). [1, 2, 3, 4, 5]
De Gondu-bevolking leefde van oorsprong semi-nomadisch in extreem hoge paalwoningen (soms wel 10 tot 15 meter boven de grond) of letterlijk in de bomen. Dit was een directe defensieve strategie: het bood bescherming tegen plotselinge overvallen van koppensnellers uit de buurregio's en hield hen droog tijdens de enorme overstromingen van de rivier in het moerasland. In deze hoge traditionele Gondu-huizen leefden de seksen strikt gescheiden. Er waren aparte huizen (of aparte vleugels op hoge palen) voor de mannen en voor de vrouwen en kinderen. De mannen sliepen en vergaderden apart om permanent paraat te zijn voor de oorlogvoering en rituelen. [1, 2, 3]
De Korowai en Kombai
Waar de mobiele watercultuur van de Citak Mitak-cultuur ophoudt begint het territorium van de geïsoleerde bosbewoners, de Kombai en Korowai. Waar de Citak Mitak de rivieren domineerden, vluchtten de Kombai letterlijk de bomen in om aan hun agressieve raids te ontsnappen. De wereldberoemde boomhutten van de Kombai – die soms wel tot veertig meter boven de junglebodem zweven – waren in de prekoloniale tijd geen excentrieke architectuur, maar pure noodzaak om te overleven. Terwijl de Citak Mitak in grote, gecentraliseerde dorpen langs de oevers hun ceremoniële feesten vierden, leefden de Kombai in angst en isolatie in de boomkronen, waar de wankele, ingekeepte boomstammen naar hun hutten fungeerden als het ultieme alarmsysteem tegen de naderende rivierkrijgers.
De midden- en bovenloop van de Becking vormt het historische kernland van zowel de Kombai als de Korowai.
Mappi - Boven Digoel
Het uitgestrekte laagland van moerassen en dichte tropische oerwouden, dat tegenwoordig de Indonesische regentschappen Mappi en Boven-Digoel beslaat, bleef door zijn geïsoleerde ligging eeuwenlang buiten het zicht van het Europese koloniale bestuur. Het structurele contact tussen de Nederlanders en de inheemse Papoeavolkeren in dit specifieke gebied kwam relatief laat op gang en verliep in drie belangrijke fasen:
1. De vroege expedities (Begin 20e eeuw)
Hoewel de Nederlandse kustverkenningen al ouder waren, drong het koloniale bestuur pas tijdens de militaire exploraties tussen 1907 en 1915 dieper door in de binnenlanden van Zuid-Nieuw-Guinea. Tijdens deze expedities werden de grote rivieren, waaronder de Digoel, in kaart gebracht. De Nederlanders kwamen hierbij vluchtig in contact met de lokale Papoeavolkeren, die in volledige isolatie leefden en waarvan sommige stammen – gedreven door een strijdbare cultuur en rituele tradities – bekendstonden om hun praktijken van koppensnellen.
2. De vestiging van Boven-Digoel (1926)
Het eerste permanente contact en een tastbare Nederlandse aanwezigheid in de regio ontstonden noodgedwongen in 1926. Na een communistische opstand op Java en Sumatra zocht de Nederlands-Indische regering naar een extreem geïsoleerde plek om politieke gevangenen te interneren. Dit leidde tot de stichting van het beruchte strafkamp Boven-Digoel bij Tanah merah, diep in het binnenland. Het dichte oerwoud en de aanwezigheid van de omringende, destijds als vijandig beschouwde Papoeastammen dienden als een natuurlijke barrière tegen ontsnappingen, wat leidde tot herhaaldelijke maar behoedzame interacties tussen het kamppersoneel en de lokale bevolking.
3. De pacificatie van de Mappi-regio (1936)
Het Mappi-gebied, ten westen van de Digoel-rivier, bleef nog langer onberoerd. Pas in 1936 kwamen de Jaqai (of Yaqhai), de oorspronkelijke bewoners van het Mappi-binnenland, voor het eerst structureel in aanraking met het Nederlandse bestuur en de katholieke missie. Om een einde te maken aan de onderlinge stammenoorlogen en het koppensnellen, vestigde het bestuur posten zoals Képi. Onder leiding van bestuurders en missionarissen werd de regio in de jaren daarna in hoog tempo gepacificeerd. De bevolking werd gestimuleerd zich in vaste dorpen te vestigen, en er werden scholen en landbouwcentra opgericht om hen kennis te laten maken met modernere samenlevingsvormen.
De Jaqai
Het land van de Yahray (Jaqai) stam ligt boven de monding van de Digulrivier duidelijk als een wig in het land van de Awyu stam. De dorpen liggen aan twee rivieren die in de Digul uitstromen, namelijk de Mappirivier met haar zijrivieren: de Nambeomon en de Oba met haar zijtak de Miwamon enerzijds en de Bapayrivier - parallel aan de Nambeomon - anderzijds. De uiterwaarden van die rivieren en de moerassen
daartussen vormen een laagland, en de waterscheidingen zijn de heuvelruggen waarop men woont.
Boelaars 1997 p. 103
Als we de historische kaart van het Jaqai-woongebied voor ons nemen, lezen we het landschap van binnen naar buiten, met de rivieren als de levensaders van hun expansieve cultuur:
Het Centrum (De Mappi-biotoop plus Kepi): In het absolute middelpunt van de kaart ligt de samenvloeiing van de Mappi-rivier en haar talloze zijbeken. Hier bevindt zich de nederzetting Kepi, het politieke en religieuze zwaartepunt van de Jaqai. Dit is geen open water, maar een reusachtig, labyrintisch netwerk van permanente moerassen, lagunes en brede rivierbochten. De Jaqai waren de onbetwiste meesters van deze specifieke biotoop; hun hele logistiek, van jacht tot transport, was afgestemd op het navigeren door deze dichte waterwereld.
De Noordgrens (De Miaro-linie): Trekken we op de kaart een lijn naar het noorden, dan stuiten we op de Miarorivier. Dit was de actieve bufferzone met de Nohon-Awyu (Noord-Awyu) en het dorp Aboge. De Jaqai gebruikten deze noordelijke waterwegen als uitvalsbasis voor hun beruchte koppensnelraids. Op de kaart markeert dit gebied de grens waar het open Jaqai-moeras overging in de drijvende grasvlakten van de Awyu.
De Oost- en Zuidoostgrens (De Oba-rivier): Aan de rechterkant van de kaart wordt het Jaqai-gebied begrensd door het stroomgebied van de Obarivier. Dit water vormde de scheidslijn met de oostelijke poot van het Awyu-hoefijzer (de Jair- en Yenimu-Awyu). De Jaqai-dorpen lagen hier strategisch verschanst op de weinige drogere verhogingen langs de oevers, van waaruit ze de controle hielden over de toegangswegen naar de grotere Digoel-rivier.
Doordat de Jaqai letterlijk in een natuurlijke vesting leefden, c.q. hun kernland zo ondoordringbaar moerassig was, kon niemand hen onbemerkt aanvallen. Zelf waren ze met hun grote, snelle oorlogsprauwen echter uiterst mobiel. Vanaf hun centrale positie in Kepi konden zij via de Mappi-rivier als de spaken van een wiel naar alle windstreken uitbreken om de omliggende Awyu-clans te bestoken, om zich vervolgens weer snel terug te trekken in de veiligheid van hun eigen onnavolgbare moerasland.
Dans van Jaqai-vrouwen in de kampong Katan in het Mappi-gebied november 1955. CC-BY-SA Nationaal Archief
De vrouwen vermaken zich met de 'eb'. Er worden dan liedjes gemaakt op allerlei nieuwe gebeurtenissen. AR-P027 20169
Jaqai krijgers. Repronegatief Jaap Zindler
De Awyu
Het relatief compacte leefgebied van de Jaqai in het moerassige stroomgebied van de Mappi-rivier met de nederzetting Kepi als het absolute middelpunt werd als een hoefijzer omgeven door het leefgebied van de Awyu. De westelijke kant van dit hoefijzer strekte zich uit richting de kustvlakte, terwijl de noordelijke boog over de moerassen van de Asuwe-rivier liep, met als historisch ijkpunt het dorp Aboge. De oostelijke poot van het hoefijzer liep helemaal door tot aan de westelijke oever van de machtige Digoel-rivier, waar de Awyu tevens de naaste buren vormden van de Mandobo en Muyu.
De Awyu leefden traditioneel in kleinere, mobielere familiegroepen verspreid over het woud, waardoor zij een gewillig doelwit vormden voor de agressieve koppensnelraids van de Jaqai uit het centrum. Pas met de komst van de eerste missieposten in de jaren '50, onder leiding van figuren als pater Jan Boelaars, transformeerde Kepi van een geopolitiek kruitvat in een centrale ontmoetingsplaats waar Awyu- en Jaqai-stammen definitief vrede met elkaar sloten.
Wie de pre-koloniale kaart van het Awyu-territorium voor zich neemt, ziet een landschap dat volledig wordt gedicteerd door water. De contouren van de wijde boog om en over de Jaqai enclave heen laten zich het beste lezen door de grote rivieren te volgen die als natuurlijke snelwegen én barrières door het dichte oerwoud snijden. In het absolute centrum van deze kaart ligt de Jaqai-enclave rondom Kepi, maar wie de blik naar buiten richt, reist door de vijf taalkundige windstreken van de Awyu:
Het Noordwesten (De Asuwé en Wildeman): Aan de linkerbovenkant van de kaart, waar de rivieren de Asue en de Wildeman stromen, ligt het domein van de Pisa-Awyu (West-Awyu). Dit is een dynamische overgangszone. Hier grenzen de Awyu-clans direct aan de Citak Mitak en de lagere Asmat. Op de kaart zie je hoe deze groep de invloeden en leenwoorden van de agressievere rivierkrijgers uit het westen heeft geabsorbeerd.
Het Noorden (de Pasuwé en Boven-Mappi): Als we de blik naar het midden-boven verschuiven, buigt de kaart mee met de loop van de Pasuwé-rivier. Dit is het thuisland van de Nohon-Awyu (Centraal-Awyu). Midden in dit waterrijke doolhof ligt het historische ijkpunt Aboge (Gej-Aboge). Op de kaart is dit het gebied van de drijvende grasmoerassen; een schier onbegaanbare buffer die de noordelijke grens vormde tegen de expansiedrang van de Jaqai uit het zuiden.
Het Oosten (de Digoel-oever): Trekken we de lijn op de kaart helemaal door naar de rechterkant, dan stuiten we op de machtige, brede stroom van de Digoel-rivier. De gehele westelijke oever van deze rivier – het gebied dat nu onder het regentschap Boven Digoel valt – was het territorium van de Yenimu-Awyu (Oost-Awyu). Op de kaart markeert de Digoel een harde culturele breuklijn: aan de overkant van het water begint direct het land van hun aartsvijanden, de Mandobo.
Het Zuidoosten (de Edera-Kia rivieren): Zakken we langs de Digoel-rivier naar beneden richting de rechteronderkant van de kaart, dan komen we in het stroomgebied van de Edera- en de Kia-rivier. Hier woonden de Jair-Awyu (Zuidoost-Awyu). Dit deel van de kaart vormt de geografische en culturele brug naar de uitgestrekte savannes van het zuidelijker gelegen Marind-anim-gebied, wat zich destijds vertaalde in levendige handelscontacten.
Het Zuiden (de Bamgi-Ia rivieren): De kaart sluit zich in de rechter onderhoek, rondom de kleinere stroompjes van de Bamgi en de Ia. Dit is het land van de Bamgi-Awyu (Zuid-Awyu), een kleinere dialectgroep die de uiterste zuidoostelijke poort van het hoefijzer bewaakte, waar het dichte moeraswoud langzaam begon te wijken voor het drogere Merauke-achterland.
De Digoelrivier werd reeds in 1905 voor het eerst bevaren, tot 650 km van zee uit tot waar nu Tanah-merah ligt, door het s.s. 'de Valk' en later in 1909 door het s.s. 'de Zwaluw'. De oude lui vertelden dat zij in de bomen klommen om ongezien te achterhalen wat zich daar op de rivier afspeelde. De Marind-anim van de Zuidkust ging op sneltocht naar het gebied Boven de Digoel (1900-1923) en wel als volgt: de Sosom-groep (Kumbe-Wendu-Buti) naar de Flyrivier, de Imo-groep (Okaba-Sangasé) naar de Ederah en de Mayo-groep (Wamal) naar de Mappi en de Bamgi-Ia.
Die Awyuërs hadden wel schrik voor die grote robuuste Marinds, die opgesierd en bewapend op hen af kwamen, maar, kleiner van stuk, pienter en moedig, verschansten zij zich in hun nederzettinkjes, omringd door een twee- soms drievoudige omheining. Vanuit de hoge huizen op palen zagen zij de vijand komen, zelf gereed om met bogen en bussels pijlen de aanval af te slaan. De Marind wist dat ook!
Maar die geregelde aanvallen hadden toch wel het trieste gevolg dat telkens dorpjes gedecimeerd werden en de resterende mensen opnieuw bij elkaar moesten kruipen. Soms verdreven zij zelf weer andere groepjes uit hun dorp. Zo verschoof de bevolking in de bossen.
Boelaars 1997 p. 158
Huis in de kampong Semenak aan de doorsteek tussen Soewa en Becking - febr 1959. AR-P027 20225 Serie OI-0284
Awyu huis. Opname Cees Meuwese AR-P027 M 85
20216 Serie BIV-2225-2226-2227 Opgesierde jongens op de trap van het mannenhuis te Jibin
Meer over de Awyu en Jaqai:
Kaart Nederlands Nieuw-Guinea 1935. Utrechts Archief
Gab gab = Muyu of Yonggom ; Djair = Jair Awyu of Aghu ; Goebia-anim = Muyu of Muyu-Kati [1, 2] ; Bajam-anim = Wambon of Wambon-Kao, een subgroep van de grotere Awyu-Dumut taalfamilie [1, 2]
J. W. Schoorl 1997 Suku Muyu - peta halaman 19
De Muyu en Mandobo: Het Oostelijke Binnenland
De Mandobo leefden direct ten oosten van de Digoel-rivier, pal tegenover de Awyu. De Digoel-rivier was de actieve grens en vaak het toneel van onderlinge conflicten tussen Awyu en Mandobo.
De Muyu leefden nog verder naar het oosten, in het heuvelachtige grensgebied met Papoea-Nieuw-Guinea, rondom de Kao-rivier en de Muyu-rivier (zijtakken van de Digoel). [1]
20154 Album Piet Hoeboer MSC -Tocht Muting-Ninati 1933 - Pater Hoeboer met groep Muyu Papoea's
Het standaard woonhuis van de Muyu en Mandobo was een rechthoekig paalhuis dat tussen de 3 en 15 meter boven de grond zweeft. Het werd vaak gebouwd rondom een grote, levende boom (zoals de banyan of matoa) waarvan de takken waren weggekapt, die fungeerde als de centrale steunpilaar. De woning was intern verdeeld door schotten van nibung-palmenbladeren. Er was een strikte scheiding tussen het mannen- en het vrouwencompartiment. Beide delen hadden hun eigen vuurplaatsen. Vrouwen mochten de vuurplaats van de man absoluut niet naderen.
Daarnaast kenden zij de bouw van de extreem hoge boomhut lokaal Ayomru genoemd, in het bahasa: Rumah Tinggi. Deze hutten werden gebouwd op hoogtes van 30 tot wel 50 meter. Ze dienden primair als veilige schuilplaats tegen vijandelijke overvallen, als verdedigingstoren, om vrouwen te verbergen bij rituele bruidskidnappings en om bescherming te bieden tegen muggen en boze geesten (laleo) uit de oerwoudbodem. Men bereikte deze huizen via een ingekeepte boomstam die gevaarlijk schudde bij het beklimmen, wat direct als alarmsysteem werkte.
Expeditieleden bij paalwoningen in de omgeving van het tweede Zwaluwbivak. Foto J. M. Dumas 1909. CC-BY-SA TM-60015343 NMWV
Papoea's* met een van de expeditieleden gekregen spiegel bij het tweede Zwaluwbivak 1909-1910. Foto J.M. Dumas. TM-60015325 CC-BY-SA NMVW
*Vermoedelijk Mandobo, het tweede Zwaluwbivak lag aan de Digoel.
Het Eerste Zwaluwbivak werd ingericht op de plek waar het bivakschip aanvankelijk niet verder kon. Dit is de plek waar later de militaire/bestuurspost Assike werd gevestigd (in het huidige Asmat/Mappi/Boven Digoel-grensgebied). [1]
Het Tweede Zwaluwbivak werd zo'n 130 kilometer noordelijker ingericht, stroomopwaarts op de Digoel. Hier werd het water definitief te ondiep (minder dan 3,5 meter) voor het stoomschip. [1]
20213 Serie Boelaars I-184/185. Mandobo jongelingen in feestkleding te Mindiptana juli 1951
Man uit Midden Digoel. Erfgoedcentrum Sint Agatha AR-P027 20210
Mandobo. Uit: Boelaars 1970 Mandobo's tussen de Digoel en de Kao p.67
Groepsportret Papoea's afkomstig uit de Boven Digoel ca 1930. CC-BY-SA TM-10008194 Collectie NMVW
Krijgers van de Boven Digoel. AR P027-10210 Doos 4. De in een knots uitlopende haardracht is vergelijkbaar met de kamil van de Papoea's uit het noordelijker Sibilgebied. Zie Jan Sneep
Hoornvormige haardracht uit het Muyu gebied aan de Kaorivier. Afdruk Pater P. Vertenten 1924-1932
Meer over de Muyu en Mandobo: Jan Boelaars
Voedselwinning
Voor nagenoeg alle laaglandvolkeren in Zuid-Papoea was sago (sagu) vroeger de absolute basis van het bestaan. Het werd niet voor niets de ‘boom des levens’ genoemd: het leverde niet alleen koolhydraten, maar de bladeren en stammen vormden ook de bouwmaterialen voor de huizen en paalwoningen. [1, 2, 3, 4]
Sago was het onbetwiste hoofdvoedsel voor de Asmat, de Citak Mitak, de Jaqai en de Auyu. Omdat zij in de uitgestrekte, modderige rivierdelta's en permanente veenmoerassen leefden, was reguliere landbouw daar onmogelijk. De natuurlijke sagobossen waren hun supermarkt. [1, 2, 3]
Voor de Kombai en Korowai (dieper in het binnenland) was sago eveneens het hoofdvoedsel, maar zij moesten er actiever naar zoeken omdat de sagopalm in hun heuvelachtigere moerasbossen minder dicht op elkaar groeide. De enige uitzondering in de regio waren de Muyu; hoewel zij sago aten, leefden zij in het drogere heuvelgebied en waren zij primair afhankelijk van vaste tuinbouw (knolgewassen zoals taro en yams). [1]
De vrouwen (Jaqai) kloppen de harde merg van de sagoboom tot pulp. Dit is zeer zwaar werk, het zweet loopt dan met stralen van heel hun lichaam. AR-P027 20168-Sagokloppen. Fotograaf onbekend
Een volwassen sagopalm (tussen de 8 en 15 jaar oud, net voor de bloei als het zetmeelgehalte op zijn hoogst is) wordt omgehakt. De harde buitenbast van de stam wordt over de lengte opengespouwen of weggehakt. Het zachte, vezelige binnenste (de merg) wordt met een speciale hamer losgeklopt tot een soort zaagsel. Dit zaagsel wordt in een goot met rivierwater gekneed en uitgeknepen. Het witte, melkachtige zetmeelwater stroomt door een filter (vaak gemaakt van de bladschede van de palm) en bezinkt in een opvangbak, waarna het pure sagomeel overblijft. [1, 2, 3, 4]
Asmat vrouwen bezig met sago kloppen. Kees van Kessel diapositief BD-216-214
Zware pakken sagobladeren moeten versjouwd worden voor de dakbedekking. AR-P027 20168. Fotograaf onbekend
Naast sago, dat de basis vormde voor de koolhydraten, was het prekoloniale dieet in Zuid-Papoea (Papua Selatan) volledig gericht op het verkrijgen van eiwitten, vetten en vitaminen rechtstreeks uit de natuur. Omdat er geen veeteelt of grootschalige akkerbouw bestond, was de bevolking afhankelijk van zeer specifieke jacht-, vis- en verzameltechnieken.
Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste voedselbronnen naast sago en de wijze waarop deze werden verkregen:
1. Vis en Rivierbuit (De basisproteïne)
Voor de rivier- en kustvolkeren (Asmat, Citak Mitak, Jaqai en Auyu) was vis de belangrijkste bron van eiwitten.
Visweren en vallen: In de rivieren en moerassen bouwden de mannen grote visweren van bamboe en rotan. Bij eb of dalend water raakten de vissen (zoals meervallen en barramundi) hierin gevangen.
Gevlochten netten: Vrouwen waadden vaak in groepen door de ondiepe moerassen en lagunes met grote, kegelvormige netten (skep) gevlochten van boomvezels, waarmee ze vis, garnalen en rivierkreeftjes opschepten.
Pijl en boog: Mannen schoten grotere vissen vanaf hun prauwen of de rivieroever met speciale, meerpuntige vispijlen.
2. De Jacht op Groot Wild
De jacht was het exclusieve domein van de mannen en leverde feestvoedsel en vet op.
Wilde varkens: Het wild zwijn was de hoofdprijs van de jacht. Mannen joegen met pijl en boog, vaak ondersteund door getemde jachthonden die het wild opjoegen. Ook werden er diepe valkuilen gecamoufleerd met bladeren waarin varkens werden gevangen.
Kasuarissen: Deze grote, loopvogels waren gevaarlijk maar leverden veel vlees en sterke botten voor gereedschap. Ze werden bejaagd met zware houten speren of bogen.
Kangoeroes (Wallaby's) en Koesoes: In de drogere savannes (richting het Marind-anim- en Merauke-gebied) werd op wallaby's gejaagd door grote stukken grasland gecontroleerd in brand te steken, waarna het vluchtende wild gemakkelijk kon worden geschoten.
3. Delicatessen: Insecten en Larven
Insecten vormden een cruciale en vette aanvulling op het dieet.
Sagorupsen (Koo): Zoals eerder genoemd, de absolute topdelicatesse. De vette, witte larven van de sagoborstelkever werden rauw gegeten of in bladeren boven het vuur geroosterd. Ze smaakten romig en nootachtig.
Sagomuggen en eieren: Ook de nesten van wilde bijen en wespen werden uit de bomen gehaald voor de honing en de proteïnerijke larven.
4. Bosvruchten en Verzamelde Vitaminen
Vrouwen en kinderen verzamelden dagelijks plantaardig voedsel tijdens het verplaatsen door het woud.
Vruchten en zaden: Er werd gezocht naar wilde vruchten zoals de matoa (Papoease lychee), wilde bananen, mango's en de felrode vruchten van de pandanusboom (rode vrucht / buah merah), waar een dikke, vitaminerijke rode saus van werd gekookt.
Varenspruiten en jonge scheuten: De jonge, opgerolde bladeren van specifieke bosvarens en de malse groeikernen van bepaalde palmen (palmhart) werden rauw gegeten of gestoomd als groente.
5. De Uitzondering: Vaste Tuinbouw (Muyu)
Zoals eerder besproken week de Muyu-bevolking in het heuvelachtige binnenland af van de rest. Zij verkregen hun hoofdvoedsel niet door verzamelen, maar door het aanleggen van vaste tuinen via de slash-and-burn methode (platbranden van stukjes bos). Hierin verbouwden zij intensief taro (keladi) en yams (ubi), wat hen een veel stabielere en minder nomadische voedselvoorziening gaf dan de sago-afhankelijke groepen.
Awyu mensen keren met een Kasuaris als jachtbuit huiswaarts. Henny van de Kerkhof diapositief Abogé d2s1 - 027
De receptie en verzamelgeschiedenis van kunst uit Zuid-Papoea
Etnografica plaat X uit Zuidwest Nieuw-Guinea Expeditie 1904-1905. Asmat schild en Mimika (Kamoro) dansschild en prauwversieringen.
Vroeg verzamelde Asmat etnografica. 10210 Doos 3 - Wapens bijlen blaashoorn en een voorstevenversiering van de Oetoemboewee-rivier 1906
10210 Doos 3 - Roeiriemen van de streek van de Oetoemboewe-rivier ca 1900
De introductie van de materiële cultuur uit Zuid-Papoea in de westerse wereld leidde dadelijk tot veel waardering voor haar stilistische eigenschappen wat diverse westerse actoren gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw tot het aanleggen van omvangrijke collecties bewoog.
Tijdens de Zuidwest Nieuw-Guinea Expeditie (1904–1905), de eerste grootschalige verkenning van de regio werd een indrukwekkende verzameling artefacten uit de Asmat en Mimika aangelegd. Hiervan verscheen een bloemlezing uitgebracht in fraai plaatwerk in de publicatie De Zuidwest Nieuw-Guinea-Expeditie 1904/5 (uitgeverij Brill, 1908) hetgeen de materiële cultuur van Zuid Papoea voor het eerst bij een breed intellectueel publiek in Europa onder de aandacht bracht.
Kort daarna werd deze documentatie uitgebreid door de expedities van Hendrikus Albertus Lorentz tussen 1907 en 1909. Zie opnames hierboven. Lorentz was bijzonder geboeid door de stilistische kwaliteiten van de voorwerpen die hij bij de Asmat bevolking aantrof. Hij verwierf veel representatieve objecten die overgebracht werden naar Nederlandse musea.
Als leider van de militaire exploratiedetachementen (vanaf 1907) speelde kapitein A.J. Gooszen ook een grote rol in de introductie en uitbreidingen in de museale collecties van de bijzondere etnografica uit Zuid Papoea. Hoewel de missie militair en cartografisch was, verzamelde zijn team op grote schaal artefacten. Op last van het Departement van Oorlog moesten deze voorwerpen officieel naar Batavia (nu Jakarta) gebracht worden, maar grote hoeveelheden werden ook naar Nederlandse musea verscheept. De expedities onder Gooszen hebben de collecties van ten minste drie grote Nederlandse volkenkundige musea met zo'n 8.850 voorwerpen verrijkt.
In 1912 trok pater Joseph Viegen met een militaire expeditie onder leiding van Le Cocq d’Armandville de Noordwest rivier op nog door de westerling onbetreden gebieden tegemoet. Hevig gefascineerd door de schilden, pagaaien en voorouderbeelden die tegen westerse ruilmiddelen als tabak en ijzer konden worden verkregen wist hij een sublieme verzameling aan te leggen. Zie Re-Collecting Father Viegen's Asmat Objects van Karel Weener.
In de decennia na de Tweede Wereldoorlog veranderde de dynamiek toen het Nederlandse bestuur zich permanent vestigde in Agats en het traditionele koppensnellen verbood. Omdat het lokale houtsnijwerk onlosmakelijk verbonden was met deze rituelen, ontstond onder bestuurders en missionarissen de zorg dat deze kunstuitingen zouden verdwijnen. Dit leidde tot gerichte initiatieven om de cultuur vast te leggen. Binnen dit proces speelde pater Gerard Zegwaard een belangrijke rol. Hij verdiepte zich in de inheemse tradities en werkte eind jaren vijftig samen met het American Museum of Natural History in New York. Hierdoor werden omvangrijke zendingen schilden en houtsnijwerk naar de Verenigde Staten getransporteerd, wat zorgde voor een internationale spreiding van de collecties.
Binnen deze traditie van vroege cultuurstudie en waardering was ook pater en antropoloog Jan Boelaars van wezenlijk belang, met name voor de etnografica uit het meer oostelijk gelegen Mappi-gebied. Boelaars, die de regio intensief onderzocht, oversteeg de louter incidentele verzameldrift door de formele kenmerken van de materiële cultuur analytisch in kaart te brengen. Zijn wetenschappelijke verdienste ligt onder meer in het opstellen van een gedetailleerde typologie van de schilden die hij in deze contreien aantrof.
De internationale bekendheid van de regio nam sterk toe in 1961 door de verzamelreizen van Michael Rockefeller, die objecten zocht voor het Museum of Primitive Art (later werd ondergebracht in het Metropolitan Museum of Art). Zijn vermissing aan de kust bracht de regio wereldwijd in de aandacht, maar het was de expositie van de door hem verzamelde Bisj-palen die de status van deze objecten veranderde. Binnen de kunstgeschiedenis werden ze voortaan niet meer uitsluitend gecategoriseerd als etnografica, maar gewaardeerd als universele kunstuitingen. Deze ontwikkeling kende haar oorsprong in de vroege documentatie en systematisering door Nederlandse ontdekkingsreizigers, missionarissen en onderzoekers zoals Boelaars, die de basis legden voor de hedendaagse museale presentatie van de kunst van de Asmat, de Kamoro en de volkeren van Mappi.
Expeditielid Dr. Brandenhorst bekijkt een schild van Asmat Papoea's uit een dorp langs de Noord-rivier - Unir 1908. TM-60015119 CC-BY-SA NMVW
De in 1907 aangevangen militaire expedities onder leiding van kapitein A.J. Gooszen hebben de collecties van ten minste drie grote Nederlandse volkenkundige musea met zo'n 8.850 voorwerpen verrijkt. Dr. B. Branderhorst was de legerarts die naast zijn medische taken het etnologische en botanische onderzoek leidde.
Portret van Dr H.A. Lorentz staande naast een Asmat-schild aan boord van het expeditieschip tijdens de Tweede Zuid-Nieuw-Guinea-expeditie 1909-1910 TM-10010339 CC-BY-SA NMVW
Hoewel hij de expedities primair met een wetenschappelijk doel leidde, sprak Hendrikus Albertus Lorentz in zijn reisverslagen en lezingen al vroeg zijn diepe bewondering uit voor de vormgeving van de materiële cultuur die hij in de Asmat aantrof. Hij keek verder dan louter de functionele of antropologische waarde van de schilden en snijwerken; hij prees de verfijnde symmetrie, het expressieve kleurgebruik en de composities van de motieven. Zijn vroege publicaties hielpen om de perceptie in Nederland te verschuiven van 'curiosa' naar 'kunst'.
AR-P027 10210 Doos 3 - Asmat schilden en andere artefacten van de zuidkust verzameld door pater Joseph Viegen 1
AR-P027 10210 Doos 3 - Asmat schilden en andere artefacten van de zuidkust verzameld door pater Joseph Viegen 2
AR-P027 10210 Doos 3 - Asmat schilden en andere artefacten van de zuidkust verzameld door pater Joseph Viegen 3
Drie fotoafdrukken van Asmat schilden en andere artefacten verzameld door pater Viegen MSC tijdens diens deelname aan een militaire exploratie in het Asmat gebied 1912. Zie ook de reconstructie die Karel Weener maakte van de provenance van een aantal stukken uit deze zeer vroege en bijzondere collectie: Re-Collecting Father Viegen's Asmat Objects
Pater Gerard Zegwaard die als eerste westerling een hechte band ontwikkelde met de Asmatters en diepgaand studie maakte van hun cultuur en gebruiken hier met feestelingen in Sjoeroe (Sjuru/Syuru) Asmat ca 1955. De voorste vrouw draagt aan haar halsketting een bamboe teken van gesnelde koppen (owam-nas). Afdruk collectie Jacques Hoogerbrugge.
Noordwest Asmat 1984. Man met schild voor de entree van zijn woning. Jos Donkers A8-f750-000
Pater-etnoloog Jan Boelaars legde een zeer uitgebreid archief aan van schilden en hun motieven (soms door de lokale bevolking in het zand getekend) uit zowel het Mappi als Asmat gebied. Hierboven een opname van twee Auyu mannen met hun schilden. (AR-P027 20216 Serie BIV-2205)
Jan Boelaars initieerde en bevorderde sterk het gebruik van de eigen plaatselijke stijlvormen ter opluistering van kerkaltaars, erebogen, en kapellen in de Mappi. Hierboven het altaar te Mur (Mappi regentschap). AR P027 20162-25
Opening van het openluchtaltaar met een stralenkrans van Yahray (Jaqai/Yaqai) schilden en speren. Kepi (Mappi regentschap) Juli 1951. Jan Boelaars AR-P027 20213 Serie BI-268.
Feestpoort te Kepi (Mappi regentschap) vormfeest 1954. Jan Boelaars AR-P027 20217 serie BV-2688
Bloemenrivier 1936. Ook schedels vormden een felbegeerd verzamelobject. Foto Lady Vera Delves Broughton © The Trustees of the British Museum CC BY-NC-SA 4
Top met de 'vlag' (tsjemen of cemen) van een bisjpaal te Sjuru (Syuru). AR-P027 20216 Serie BIV-2138 / 20167-32
Twee Jaqày-speren, type genaamd: Koqòm. AR-P027 20217 Serie BV-2944
Benen dolk Asmat. AR-P027 20215 Serie BIII-1719
Man met snelhoorn (fu) en kunstig doorstoken neusbot (otsj),1957. Nationaal Archief publiek domein
Los prauwfront en bijna gereedgekomen trom (tifa). Henny van de Kerkhof - B3s1 Asmat - 010
Zielenprauw op het erf van de missie, 1955. Diapositief Anthony van Kampen D1-028
Literatuur
Zwarte Menschen - Witte Bergen
DEN TOCHT NAAR HET SNEEUWGEBERGTE VAN
NIEUW-GUINEA
DOOR Mr. H. A. LORENTZ
LEIDEN 1913
De expedities vonden plaats tussen 1907 en 1915 op order van gouverneur-generaal Johannes van Heutsz. Uitgave 1920
NIEUW GUINEA UW NAAM IS WILDERNIS - J. VERSCHUEREN M.S.C. en C. MEUWESE M.S.C. 1950
PAPOEA'S AAN DE MAPPI
Drs. BOELAARS M. S. C. Etnoloog 1957
Kebudayaan dan Perubahan
Suku Muyu
dalam Arus Modernisasi Irian Jaya
Culture and change among the Muyu. J.W. Schoorl 1993
Mandobo's tussen de Digoel en de Kao
DR. J. BOELAARS M.S.C. 1970
An Asmat Sketch Book No. 1 & 2
A Series On The Asmat People Edited By Frank A. Trenkenschuh, O.S.C.
A Publication Of The Asmat Museum Of Culture and Progress
Digital Collection St. Thomas - Asmat Sketch Books. CC BY-NC 4.0 University of St. Thomas
An Asmat Sketch Book No. 3 & 4
A Series On The Asmat People Edited By Frank A. Trenkenschuh, O.S.C.
A Publication Of The Asmat Museum Of Culture and Progress
Digital Collection St. Thomas - Asmat Sketch Books. CC BY-NC 4.0 University of St. Thomas
An Asmat Sketch Book No. 5 A
PERSPECTIVES ON DEVELOPMENT IN ASMAT
by Peter W. Van Arsdale
A Series On The Asmat People Edited By Frank A. Trenkenschuh, O.S.C. 1978
A Publication Of The Asmat Museum Of Culture and Progress
Digital Collection St. Thomas - Asmat Sketch Books. CC BY-NC 4.0 University of St. Thomas
An Asmat Sketch Book No. 5 B
PERSPECTIVES ON DEVELOPMENT IN ASMAT
by Peter W. Van Arsdale
A Series On The Asmat People Edited By Frank A. Trenkenschuh, O.S.C. 1978
A Publication Of The Asmat Museum Of Culture and Progress
Digital Collection St. Thomas - Asmat Sketch Books. CC BY-NC 4.0 University of St. Thomas
An Asmat Sketch Book No. 6
A Series on the Asmat People Edited by Frank A. Trenkenschuh, O.S.C. 1978
A Publication of the Asmat Museum of Culture and Progress
Digital Collection St. Thomas - Asmat Sketch Books. CC BY-NC 4.0 University of St. Thomas
An Asmat Sketch Book No. 7
A Series On The Asmat People Edited By Frank A. Trenkenschuh, O.S.C.
A Publication Of The Asmat Museum Of Culture and Progress
Digital Collection St. Thomas - Asmat Sketch Books. CC BY-NC 4.0 University of St. Thomas
An Asmat Sketch Book No. 8
A Series On The Asmat People
A Publication Of The Asmat Museum Of Culture and Progress
Digital Collection St. Thomas - Asmat Sketch Books. CC BY-NC 4.0 University of St. Thomas
Beeldcollecties Papua Selatan:
ASMAT:
ASMAT / MAPPI: