Pegunungan Tengah: Jayawijaya / Yalimo / Yahukimo / Nduga
Bewerking kaart van auteur: Hddty, CC BY-SA 4.0 via Wikimedia Commons
Map Central New-Guinea. Cannibal Valley, page 277. Arthur T. Hitt 1962.
De zeven regentschappen (kabupaten)Tolikare, Mamberamo Tengah, Yalimo, Lanny Jaya, Jayawijaya, Nduga en Yahukimo in de Centrale Hooglanden van Papoea zijn cultureel en etnologisch wezenlijk van elkaar te onderscheiden. Hoewel de buitenwereld de bewoners van deze berggebieden historisch vaak op één hoop veegde als "bergpapoea's", vallen de regentschappen uiteen in verschillende grote, trotse taalgroepen en stammen. Hun onderlinge verschillen komen tot uiting in taal, sociale structuur en traditionele kleding.
Overzichtskaartje van stammen en talen der bergpapoea's van West Centraal Nieuw-Guinea. Figuur 12 Le_Roux_1950_II_Bergpapoeas - Stammen Berggebied Nederlands Nieuw-Guinea
Etnologische verdeling per regentschap
De zeven regentschappen laten zich indelen naar de dominante inheemse bevolkingsgroepen die er wonen:
-
Jayawijaya: Dit is het hartland van de Dani (of Hubula). Zij bewonen de brede, vruchtbare Baliemvallei en behoren tot de meest talrijke en bekende groepen van de hooglanden.
-
Lanny Jaya en Tolikara: Deze gebieden worden gedomineerd door de Lani (historisch door westerse missionarissen ook wel de 'Westelijke Dani' genoemd). Hoewel verwant aan de Dani, vormen zij een taalkundig en cultureel aparte groep.
-
Yalimo: Dit is het thuisland van de Yali. Zij wonen in de ruigere bergen ten oosten van de Baliemvallei en verschillen fysiek en cultureel sterk van hun westerburen.
-
Mamberamo Tengah: Dit overgangsgebied vormt de grens tussen de hooglanden en het laagland. Hier wonen onder andere de Walak-bevolking en groepen die verwant zijn aan de Lani.
-
Yahukimo: Dit is een enorm, etnisch zeer divers regentschap. De naam is een acroniem van de vier grootste stammen die er wonen: de Yali, Hubla (Dani), Kime, en Moni. Het zuidelijke deel strekt zich uit tot in het laagland, waar compleet andere culturen (zoals de Momuna) leven.
-
Nduga: Dit geïsoleerde, bergachtige regentschap is het leefgebied van de Nduga-stam voorheen Pesechem of Pesegem genoemd. Zij zijn cultureel verwant aan de Lani en Dani, maar hebben een volledig eigen identiteit, taal en geschiedenis van strikte onafhankelijkheid. Het grondgebied van de Nduga grenst aan de Dani en Lani in het noorden, de Asmat in het zuiden, de Damal in het westen en de Ngalik in het oosten.
Deze pagina toont vooral veel beeldmateriaal en documentatie van de Dani bevolking (in hoofdzaak afkomstig uit het OFM archief). Van de overige hierboven genoemde stammen is helaas weinig historisch beeldmateriaal bewaard gebleven.
Lorentz expeditie naar Nieuw-Guinea 1909-1910:
Verslag Militaire Expeditie Nederlandsch Nieuw-Guinee 1907-1915. Kaart pag.109.
Kennismaking met de Nduga
Expeditie naar de Wilhelminatop 1909-1910 Lorentz.
Bivak Alkmaar was geen permanente nederzetting of dorp, maar een strategisch basiskamp. Het werd in 1907 opgeslagen tijdens de Eerste Zuid-Nieuw-Guinea-expeditie. Het kamp lag diep in het binnenland aan de Noordrivier (die na 1910 werd omgedoopt tot de Lorentzrivier, tegenwoordig de Unir genoemd).
Het kamp lag precies op het punt waar de rivier ophield bevaarbaar te zijn voor grotere stoomschepen en waar de steile uitlopers van het Centraal Hoogland (het Hellwig- en Jayawijayagebergte) begonnen. De Nederlandse cartografen noemden deze post naar de Nederlandse stad Alkmaar. Vanaf deze plek moesten de expeditieleden te voet verder de bergen in om hun ultieme doel te bereiken: de eeuwige sneeuw van de Wilhelminatop (de huidige Puncak Trikora).
Tegenwoordig vind je de naam Alkmaar op geen enkele moderne kaart meer terug; de jungle heeft deze plek allang weer opgeslokt.
Bergpapoea's (Pesegem) op Alkmaar. Foto's van de Lorentz-expeditie naar Nieuw-Guinea, 1909-1910. Utrechts Archief 74-534-30
Bergpapoea's (Pesegem) op Alkmaar - Bereiden van eten in 'stoofkuilen'. Foto's van de Lorentz-expeditie naar Nieuw-Guinea, 1909-1910. Utrechts Archief 74-534-37
Bergpapoea's (Pesegem tegenwoordig Nduga) op Alkmaar.
Afbeeldingen afkomstig uit Foto's van de Lorentz-expeditie naar Nieuw-Guinea, 1909-1910. Utrechts Archief 74-39
Tijdens de Tweede Zuid Nieuw-Guinea Expeditie onder leiding van Hendrikus Albertus Lorentz werd op 29 oktober 1909 ten zuiden van de Wilhelminatop (Puncak Trikora) contact gelegd met de Pesechem.
De ontmoetingen tussen Nederlandse expeditieleden en de Pesechem (of Pesegem) vormen een fascinerend, maar ook tragisch hoofdstuk in de vroege exploratie van het binnenland bij de expedities geleid door Hendrikus Albertus Lorentz. Bivak Alkmaar was daarbij hun cruciale uitvalsbasis. De expeditieleden gebruikten de naam Pesechem omdat de bergbewoners zichzelf zo noemden ("Am Pesechem" betekent "Ik ben een Pesechem"). Tegenwoordig weten we dat deze mensen behoorden tot de Nduga-bevolkingsgroep, die we nu kennen uit het gelijknamige regentschap.
Omdat de mannen gemiddeld zo'n 1,52 meter lang waren, dachten de Nederlandse antropologen dat ze een legendarisch ras van "dwergpapoea's" of pygmeeën hadden ontdekt. De Pesechem droegen louter een kalebas als peniskoker en hadden dikke bundels rotanringen om hun middel geslingerd. Dit uiterlijk week volkomen af van de Asmat- en Marind-anim-volkeren die de Nederlanders aan de kust en lage rivierlopen gewend waren.
De kortere lichaamsbouw (gemiddeld rond de 1,50 tot 1,55 meter) is echter geen kenmerk van een apart ras, maar een puur biologische aanpassing aan de leefomgeving (fenotypische plasticiteit): In koude, extreem steile en dichte bergregenwouden heeft een compacter lichaam grote voordelen. Het behoudt warmte beter en het kost minder energie om te klimmen en te manoeuvreren door het ruige terrein dan met een groot, zwaar lichaam. De Pesechem en andere bergbewoners bleken genetisch exact tot dezelfde populatie te behoren als de veel grotere Papoea's aan de kust. Hun lengte was simpelweg het resultaat van eeuwenlange natuurlijke selectie in de hooglanden.
Lorentz en zijn tijdgenoten ontdekten al snel dat deze mensen volmaakt waren aangepast aan hun omgeving. Hun landbouwtechnieken (zoals irrigatieterrassen op steile hellingen) en hun sociale structuren waren uiterst complex en deden absoluut niet onder voor die van grotere volkeren.
Nduga mannen ca 1960. Anthony van Kampen neg6x6-010
De Westeliijke Dani (Lani) en de Dem
Tijdens de Centraal Nieuw-Guinea-Expeditie 1920-1922 ontmoetten ontdekkingsreizigers de Westelijke Dani (Lani) en het naburige Dem-volk in de Swartvallei (Toli-vallei).
Papoea afkomstig uit de Swart-vallei met een gevlochten rotan kuras. J. Jongejans 1920-1921. Glasnegatief. CC-BY-SA TM-10008123 NMVW
Het eerste contact met de dichtbevolkte Westelijke Dani ( Lani ) werd gemaakt in oktober 1920 tijdens de Centraal-Nieuw-Guinea-expeditie , waarin een groep ontdekkingsreizigers zes maanden bij hen verbleef op hun boerderijen in de bovenste Swart River Valley (nu Toli Valley, Tolikara Regency ). De Grand Valley werd pas op 23 juni 1938 waargenomen vanuit een PBY Catalina door Richard Archbold , die toevallig op de vallei stuitte tijdens het bestuderen van de vegetatie op grote hoogte in het Jayawijaya-gebergte. ( wiki )
Nederlands Nieuw-Guinea - Uitgave van de Stichting het Nationaal Comité - November 1960 pagina 003
Het eerste contact vond plaats in de Grote Vallei, of langs de Zuid-Baliem. Later kwamen meer Zendingsposten via de verbindingslijn over het Archboldmeer; Bokondini werd geopend en weldra volgden de posten langs de Noord-Baliem en in het gebied van de Swart-rivier. Vanuit het gebied van de Wisselmeren had reeds een langzame penetratie plaats gevonden in de richting van de Ilaga en thans strekt zich een lange keten van posten uit vanaf de Wisselmeren tot aan het gebied bij het Sterrengebergte.
Men was zeer benieuwd naar de ervaringen op het gebied van de talen in deze gebieden. Nu, na enkele jaren werken, hebben de linguisten van de verschillende zendingscorporaties die in deze gebieden werken, dat zijn de Christian & Missonary Alliance, de Unevangelized Fields Mission, de Australia Baptist Mission Society en de Regions Beyond Mission Union, reeds enkele keren een samenkomst gehad om over de bereikte resultaten op het gebied van de taalstudie te overleggen en ervaringen uit te wisselen. Eén van de belangrijkste conclusies die men trekken kon was dat de volkeren vanaf de Ilaga-vallei, waar de grens loopt met het gebied van de Uhunduni's, tot aan het einde van de ons bekende Grote vallei of Zuid-Baliem met als laatste zendingspost Selma, er een taal gesproken wordt die wel tot dezelfde familie zal behoren. Men gebruikte vroeger als regel de naam Dani of Ndani om deze volkeren aan te duiden en deze naam zal als verzamelnaam nog wel lang in gebruik blijven. De mensen in de Noord-Baliem spreken over hun groep en over hun taal als de Lani.
De taal is niet geheel dezelfde, de grens loopt ongeveer bij het begin van de Grote Vallei, in de omgeving van de CAMA-post Pyramide Berg. Er zullen waarschijnlijk 2 grote gebieden te onderscheiden zijn en het totale aantal van de sprekers van deze 2 groepen zal zeker 80.000 zijn. Sommigen gaan nog hoger in hun schattingen en komen alleen voor het gebied van de Grote Vallei en de Zuid-Baliem al tot meer dan 50.000 personen. Wat we kunnen aannemen is, dat zeker 40.000 personen dezelfde taal spreken. In de loop van het jaar 1960 bleek nog duidelijk dat er verwantschapsbanden bestaan tussen de stammen vanaf de Ilaga in het westen tot aan het begin van de Grote Vallei rondom de Post Pyramide Berg. Bij de wassende invloed van de zending was men nl. rondom. het Ilaga-gebied overgegaan tot het verbranden van fetischen en wapens; verwanten nabij en ver weg zouden dit-zelfde moeten doen, wilde deze symbolische hande-ling enige kracht behouden. Daarna verspreidde deze beweging zich naar het oosten, dus over het gebied van de Swart-rivier, Bokondini, Tiom en Maki en de verst verwijderde manifestatie vond plaats bij de zendingspost Pyramide Berg. Deze beweging wordt hier alleen maar zeer summier vermeld om het verband aan te tonen v.z.v. het verwantschap en het spreken van een taal betreft tussen de volkeren die leven tussen de Ilaga in het westen en het begin van de Grote Vallei naar het oosten, een afstand van ongeveer 7 dagen lopen.
De Dani
Schetskaart Baliemvallei rond 1960
Baliem 1956. Diapositief Piet ter Laag 209-1-114
Luchtfoto Baliem ca 1967 Jos Donkers A7 602-024
De inwoners van de Baliemvallei en de omliggende gebieden worden vaak allen Dani genoemd en daarmee soms verward met andere hooglandstammen zoals Nduga en Yali in het zuiden en oosten.
Nieuw Guinea Kroniek no 7: De Baliem, geheimzinnig hart van Nieuw Guinea.
Baliemvallei (Lembah Baliem) Nederlands Nieuw-Guinea 1957.
Netherland Government (archive.org) Public Domain Mark 1.0
Luchtopname dorp Baliemvallei NEFIS 7 april 1944. NEFIS staat voor Netherlands Forces Intelligence Service, een Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdienst die tijdens en na de Tweede Wereldoorlog opereerde in Australië, Nederlands-Indië en later Nederlands-Nieuw-Guinea.
Luchtopname boven Baliemdorp 1948 - Anthony van Kampen lichtbeeld-008
De dorpen in de Baliem bestaan uit een meestal kleine verzameling ronde en rechthoekige riethutten door een omheining van stenen omgeven.1958-02. Nationaal Archief
Bob Schijns diapositieven Kampongs-75-005
Baliemvallei 1956. Diapositief Piet ter Laag
Krösschell J.M. Nieuw-Guinea I 012. Wamena 1958.
De vallei is al heel lang in gebruik voor de verbouw van landbouwproducten. Onderzoek heeft uitgewezen dat de landbouw hier al teruggaat tot in de zevende eeuw. Het voornaamste landbouwproduct is zoete aardappel. Ook worden tarot, komkommer, boontjes, kalebassen, rietsuiker en aardnoten verbouwd. wiki
Baliemvallei 1970. Jos Donkers diapositieven a2-f-130A-f015
Jos Donkers a2-f130i-024
Een foto waarop een Dani-man voor een honai staat en diens kapsel tegen het koepelvormige dak op de achtergrond een prachtig, harmonieus visueel ritme vormt dat Jos Donkers bewust heeft willen vastleggen. De traditionele haarstijl van veel Dani-mannen (en met name de krijgers en stamoudsten) weerspiegelt die exacte bolvorm. Het haar wordt vaak lang gedragen, ingesmeerd met een mengsel van roet en varkensvet, en vervolgens heel compact in elkaar gedraaid, gevlochten of opgebonden tot een dikke, ronde en helmachtige structuur. Wanneer ze daarnaast een traditionele haarnet dragen, wordt de ronde, strakke vorm nog extra geaccentueerd.
Interieur van een Ndani verblijf. Baliemvallei 1956. Diapositief Piet ter Laag.
Donkers a2-f132-017
Binnenin de Honai
Een Dani in lotushouding rookt een traditionele Dani-tabakspijp. De steel is gemaakt van een lange, holle riet- of bamboesoort. De extreme lengte geeft de scherpe, lokaal gekweekte tabaksrook de tijd om af te koelen voordat deze de mond bereikt.
Suikerriet wordt boven het vuur bewaard om het te drogen of te beschermen tegen ongedierte. Voorts hangt een hoeveelheid tabak of een specifieke vezelsoort (zoals de binnenbast van een boom) boven het vuur te drogen.
Pikhe 1970 huizenbouw. Jos Donkers a2-f130E-f014/015
Huizenbouw Pikhe 1970. Jos Donkers a2-f130E-f016
Heppuba (Hepuba) Baliemvallei 1970. Jos Donkers a2-f130C-f020
De traditionele huizenbouw van de Dani (Ndani) in de Baliemvallei is perfect aangepast aan het bergklimaat. Omdat het in de vallei ’s nachts flink kan afkoelen (soms richting het vriespunt), zijn de huizen compact, uitstekend geïsoleerd en ontworpen om warmte vast te houden.
De Dani bouwen hun huizen niet los, maar in een omheind complex genaamd een silimo. Binnen zo'n erf heeft elk type gebouw een specifieke functie en vorm.
1. De Honai (Mannenhuis)
De honai is het meest iconische, ronde huis en vormt het centrum van de gemeenschap. Het is een cirkelvormig gebouw met een diameter van zo'n 4 tot 5 meter. Het heeft een opvallend, koepelvormig dak van dik riet en stro dat bijna tot de grond reikt. Dit zorgt ervoor dat regenwater snel wegloopt.
De wanden zijn gemaakt van dubbele rijen verticale houten planken (papan), waartussen isolatiemateriaal (zoals bladeren of gras) is gestopt.
Binnen is het huis opgedeeld in twee verdiepingen, bereikbaar met een ruwe ladder. De benedenverdieping heeft een lemen vloer met in het midden een open vuurplaats (hearth). Hier praten en eten de mannen. De bovenverdieping is een slaapplatform bedekt met zacht droog gras.
Een honai heeft bewust geen ramen en slechts één zeer lage toegangsdeur. Dit houdt de warmte van het vuur binnen en de koude nachtwind buiten. De rook van het vuur ontsnapt langzaam door het rieten dak, wat tevens insecten en ongedierte verdrijft.
2. De Ebeai (Vrouwenhuis)
De ebeai is het domein van de vrouwen, jonge kinderen en de biggen (die als zeer kostbaar worden beschouwd).
In tegenstelling tot de ronde honai is de ebeai vaak iets kleiner en langwerpiger (ovaal of rechthoekig) van vorm. Hier slapen de vrouwen en groeien de kinderen op. Ook de ebeai heeft een vuurplaats en een slaapzolder. Mannen mogen de ebeai overdag bezoeken, maar slapen er traditioneel niet.
3. De Hunila (De Keuken)
Hoewel er in de slaaphuizen kleine vuurtjes branden voor de warmte, wordt het dagelijkse eten meestal bereid in de hunila. Dit is een lange, gemeenschappelijke kookloods op het erf waar de vrouwen samen koken, praten en de maaltijden (zoals zoete aardappelen) klaarmaken.
4. De Wamai (Varkensstal)
De Dani hebben een diepe culturele band met hun varkens (wam). Voor grotere groepen varkens worden speciale, langwerpige stallen gebouwd binnen de silimo, zodat de dieren veilig zijn voor diefstal en roofdieren.
De Silimo (Het Erf)
Een complete Dani-nederzetting bestaat uit een rij honai's en ebeai's die tegenover elkaar staan, met de hunila aan het hoofdeinde. Het hele complex is omgeven door een stevige, hoge houten omheining met een smalle sluispoort. Dit diende vroeger als verdedigingslinie tijdens stammenoorlogen en houdt vandaag de dag het vee binnenboord.
Bob Schijns Baliem-22-013 Schets van dorp Anelakak
Ndani met stenen bijl (dissel) Baliem 1970. Jos Donkers diapositieven a2-f130D-f004
Baliem 1956. Piet ter Laag-209 diapositieven 1-107
Bob Schijns Baliem-17-012
In de materiële cultuur van de Dani in de Baliemvallei is het onderscheid tussen de gewone bijl en de dissel (dwarsbijl) van fundamenteel en dagelijks belang. Hoewel beide gereedschappen een geslepen stenen blad hebben, verschillen ze volledig in de stand van het blad, hun functie en hun traditionele benaming.
De dissel (dwarsbijl): Bij de dissel staat de snijkant van het stenen blad haaks (dwars) op de houten steel, net als bij een schoffel of een hak. De dissel was hét ultieme gereedschap voor fijn houtsnijwerk en precisie-bewerking. Omdat je met een dissel een schrapende of schavende beweging naar jezelf toe maakt, werd deze vooral gebruikt voor het uithollen en gladschaven van planken voor de omheining van het dorp en de wanden van de honais. Ook werd de dissel intensief gebruikt voor het fijne snijwerk van houten peddels, landbouwwerktuigen, de delicate vormen van de karaf-kalebassen (tali), en voor het uithakken van de holtes in houten voorwerpen.
Met stenen bijlen wordt een boom geveld. Baliemvallei 1956. Piet ter Laag diapositieven 209-1-040
Baliem 1956. Piet ter Laag diapositieven 209-1-041
Bij de stenen bijl staat de snijkant van het stenen blad parallel (in de lengterichting) aan de houten steel. Dit gereedschap werd door de mannen primair gebruikt voor het zware, grove werk. Denkt u hierbij aan het kappen van bomen bij het ontginnen van bossen, het splijten van grote boomstammen voor brandhout, het doorhakken van dikke varkensbotten bij een bakar batu, en het grove voorwerk bij het maken van de meterslange houten speren (wano).
De grote, zware houten graafstok (su of wen-su).
De bodem van de kanalen en sloten rond de groentebedden bestaat uit een metersdikke laag vloeibare, zware moerasmodder. De su is een lange, slanke stok (vaak tussen de twee en drie meter lang) die aan het uiteinde is uitgesneden in de vorm van een smal, puntig blad of een peddel. De steel is zo lang omdat de mannen zo vanaf de droge oever, of diep staand in de geul, een enorme hefboomwerking kunnen creëren zonder ver in de modder te hoeven bukken.
De mannen steken de su diep in de vloeibare modder op de bodem van de sloot. Ze scheppen de modder niet omhoog zoals wij dat doen, maar ze maken een wip- en zwaaibeweging. Met een vloeiende, geoefende zwaai slingeren ze de natte modder vanuit de diepte metershoog de lucht in, tot over de oever, bovenop het naastgelegen aardappelbed (omao).
Het graven en onderhouden van deze kanalen met de su's diende twee cruciale, gelijktijdige landbouwdoelen:
Waterbeheersing: De kanalen voeren het overtollige grondwater af, zodat de wortels van de zoete aardappelen op de verhoogde akkers niet wegrotten in de moerasbodem.
Natuurlijke bemesting: De modder die zich op de bodem van de sloten verzamelt, zit boordevol organisch materiaal (vergane plantenresten en vruchtbare slib). Door deze modder met de su's periodiek op de akkers te werpen, voorzien de Dani hun gewassen constant van een rijke, verse laag vruchtbare compost. Dit is de reden waarom ze deze akkers eeuwenlang intensief konden blijven gebruiken zonder dat de grond uitgeput raakte.
Baliem 1956-1958. Diapositief Piet ter Laag 209-1-148
Jos Donkers diapositieven a2-f130D-010
Landbouw Baliem 1970. Jos Donkers diapositieven a2-f130C-016
Nadat de mannen de grove schollen aarde hebben omgekeerd komen de vrouwen in actie. Zij gebruiken kortere, lichtere graafstokken en houten peddels. De vrouwen breken de grote kluiten aarde minutieus in fijne, rulle grond, wieden het resterende onkruid en vormen de aarde tot perfecte bedden of heuveltjes. Vervolgens poten zij de stekken van de zoete aardappel, de ubi (Indonesisch) of hipere (Dani-taal)*. Voor de Dani is hipere het absolute synoniem voor voedsel en leven, aangezien circa 90% van hun dagelijkse dieet hieruit bestaat. De Dani kennen wel meer dan 70 verschillende sub-namen voor specifieke soorten hipere (afhankelijk van de kleur, vorm en smaak).
*Toen Nederlandse expeditieleden, zendelingen en later het Indonesische bestuur de hooglanden introkken, gebruikten zij vaak de Maleise/Indonesische term ubi om in hun verslagen, boeken en documenten aan het thuisfront uit te leggen over welk gewas zij schreven. De term is dus een buitenlandse leenvertaling voor de inheemse hipere
Ndani vrouw graaft zoete aardappels (ubies) uit. Baliemvallei 1956. Diapositief Piet ter Laag.
Moeder met dochters. Op haar hoofd draagt zij een net aardappelen. Piet ter Laag diapositieven 209-1-129
Voordat de aardappelen het dorp in mochten om gekookt te worden, liepen de vrouwen naar de rivier. Ze vulden de noken met aardappelen en pakten de knollen rondom dik in met bossen scherp riviergras of varenbladeren.
Ze dompelden het hele pakket herhaaldelijk onder in het stromende water van de rivier en schudden het pakket heen en weer. Het stugge gras werkte als een ingebouwde schuurspons. Door de wrijving tussen het gras, de aardappelen en het stromende water spoelde alle modder en klei weg, waardoor de oogst blinkend schoon werd zonder dat de kwetsbare schil van de aardappelen beschadigd raakte.
Zoete aardappel en tarowortel op de smoorkuil. Piet ter Laag diapositieven 209-1-099
Het dagelijkse poffen van zoete aardappelen in de hete as (ubie bakar).
In en rondom de honais (woonhuizen) brandde het vuur continu. Voor een snelle lunch of de dagelijkse avondmaaltijd werden er simpelweg flinke bossen droog gras en takken aangestoken. Zodra de vlammen verdwenen en er een dikke laag gloeiende, smeulende as en grasresten overbleef, was de 'oven' klaar.
De rauwe zoete aardappelen (ubie) werden rechtstreeks tussen en onder het smeulende gras en de hete as geschoven. Het smeulende gras zorgde voor een heel gelijkmatige, milde hitte. Hierdoor brandde de buitenkant niet direct zwart aan, maar kreeg de aardappel de tijd om van binnen zacht, zoet en romig te worden.
De as sloot de zuurstof een beetje af, waardoor het gras bleef gloeien (smeulen) in plaats van hard te branden.
Wanneer de aardappelen gaar waren, werden ze met een houten stokje uit het smeulende gras gepeuterd. De as werd er simpelweg met de hand vanaf geklopt of geblazen, waarna men de schil eraf pelde en de aardappel direct opat. Dit poffen gaf de aardappel een heel specifieke, heerlijke rokerige smaak.
Jos Donkers diapositieven a2-f130i-007
Het lange olifants- of cypergras (ook als dakbedekking gebruikt) en de bladeren beschermen het voedsel (varkensvlees, groenten en zoete aardappelen) tegen direct contact met de as, en zorgen er in combinatie met het vocht voor dat de ingrediënten onder hoge temperatuur gaar stomen.
Bananenaanplant. Baliem 1970. Jos Donkers diapositieven a2-f130i-003
De Dani plantten van oudsher al bananenbomen aan. Sterker nog, botanisch en archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat het eiland Nieuw-Guinea de absolute bakerwacht is van de bananencultivatie; de banaan werd hier duizenden jaren geleden als een van de allereerste gewassen ter wereld gecultiveerd.
Hoewel de zoete aardappel (hipere) het absolute hoofdvoedsel is, spelen bananenbomen binnen een Dani-nederzetting (silimo) een heel specifieke en eeuwenoude rol.
Op oude foto's staan de bananenbomen vrijwel altijd dicht op de honais en varkensstallen geplant en niet op de grote open landbouwvelden in de vlakte. Bananenbomen hebben een enorme behoefte aan stikstofrijke en organische grond. De grond rondom de silimo (het omheinde woonerf) is daar uitermate geschikt voor. De mest van de varkens, de as uit de haardvuren van de honais en de dagelijkse organische afvalresten van het gezin werden rond de stammen van de bananenbomen gegooid. Hierdoor groeiden de bomen vlak naast de huizen uit tot een dicht, weelderig woud. Èn de banaan (in de Dani-taal haki of hake genoemd) diende als een direct beschikbaar tussendoortje, met name voor de kinderen en de varkens.
Het multifunctionele blad: Voor de Dani was de bananenboom (haki ai) minstens zo belangrijk om zijn bladeren als om zijn vruchten: De 'keukenfolie' van de Bakar Batu: Tijdens het grote varkensfeest of de dagelijkse bereidingen werden de gigantische, soepele bladeren van de bananenboom gebruikt om de hete stenen en de zoete aardappelen in de smoorkuil af te dekken. Bananenbladeren kunnen goed tegen hitte, scheuren niet snel en hielden de stoom perfect binnenin de kuil.
Dienbladen: Nadat het varkensvlees uit de kuil kwam, werd het vaak op grote, schone bananenbladeren gelegd die op het horizontale vleesrek (leke) of op het gras waren uitgespreid.
Tenslotte vormde een dichte ring van bananenbomen een uitstekende bescherming tegen de wind: Een silimo (nederzetting) in de Baliemvallei kan 's nachts flink afkoelen door de gure bergwinden. Door een dichte ring van bananenbomen pal rondom de huizen aan te planten, creëerden de Dani een natuurlijke windbreker. De brede, dichte bladeren braken de koude windstromen op, waardoor de temperatuur binnen het ommuurde erf net een paar graden aangenamer bleef.
Aldus toont bovenstaande opname van Jos Donkers de authentieke, pre-koloniale en traditionele inrichting van het Dani-erf. Het woud van bananenbomen was een levende symbiose tussen voedselvoorziening, afvalverwerking, keukengerei en klimaatbeheersing.
Met volle draagnetten (noken) keren de Dani vrouwen van hun tuinen terug. Baliemvallei 1970. Jos Donkers diapositieven a2-f130D-f020
Negatieven IrianJaya2 - 152 -011
Bob Schijns Veeteelt 112-005
De taro (Colocasia esculenta), in de Dani-taal hom of mabi genoemd, speelt een heel specifieke religieuze, ceremoniële en culinaire rol die sterk verschilt van de alledaagse zoete aardappel (hipere).
Voordat de zoete aardappel een paar honderd jaar geleden via handelsroutes de hooglanden van Papoea bereikte, was de taro (samen met de banaan en bepaalde yams-soorten) het absolute hoofdvoedsel van de Dani. Hoewel de zoete aardappel de taro in kwantiteit heeft ingehaald, heeft de taro zijn prestigieuze, historische status behouden.
Taro wordt door de Dani beschouwd als een 'heilig' of 'aristocratisch' gewas. Vanwege de eeuwenoude geschiedenis van de plant, wordt taro direct geassocieerd met de geesten van de voorouders (aygwa). Tijdens grote, ceremoniële varkensfeesten (Wam Mawe) of verzoeningsrituelen worden de taroknollen op een heel specifieke, centrale plek in de smoorkuil gelegd. Waar de zoete aardappel het alledaagse volksvoedsel is, is het gezamenlijk eten van de taro gereserveerd voor de alliantieleiders (ap kain) en de oudere, geïnitieerde mannen in de pilamo (het mannenhuis) om allianties en spirituele eden te bezegelen.
Taro-planten hebben, in tegenstelling op de drogere zoete aardappel, extreem veel water en modder nodig om te groeien en zullen derhalve vaak pal langs de randen van de diepe afwateringskanalen en sloten staan. De vrouwen planten ze exact daar waar de modder het meest vochtig en stikstofrijk is.
Jos Donkers diapositieven Papua- Div- 792
Ndani kinderen keren terug van de tuin. Baliem 1970. Jos Donkers diapositieven a2-f130D-f021
Zoutwinning in Jiwika 1970
Zoutwinning Jiwika 1970. Jos Donkers diapositieven a2-f130H-f007
Het traditionele proces van zoutwinning door de Dani (of Ndani) in de Baliemvallei is een ingenieuze en arbeidsintensieve methode. Omdat de vallei volledig is afgesloten van de zee, zijn de Dani voor hun zouttoevoer afhankelijk van specifieke, heilige zoutwaterbronnen in de bergen, zoals bij het dorp Jiwika.
Aangezien zij geen aardewerk of metalen pannen hebben om water in te koken, worden stroken van de bananenstam als een natuurlijke spons gebruikt om het zoute water op te nemen. Ook de fijne, peterselie-achtige bladeren van de Oenanthe of varkensvarens zijn vanwege hun enorme capillaire werking daartoe geschikt. Zo in een netzak (bilum) gestopt zou al het zoute water verloren gaan dus worden de verzadigde bladeren strak in een gevlochten pakket van bananenbast ingepakt om zo huiswaarts vervoerd te worden.
Pater Jos Donkers ofm (minderbroeder-franciscaan) heeft dit proces op een unieke wijze gedocumenteerd zoals hieronder te zien is. Hierna volgen de fasen voor de zoutwinning en zouthandel waar echter geen foto's voorhanden zijn: Het drogen en verbranden (As-fase) waarbij de bladrepen en bladeren in de zon worden gelegd en eenmaal kurkdroog op een grote brandstapel volledig worden verbrand. Omdat zout een zeer hoog smeltpunt heeft, verbrandt het niet. De bananenvezels verassen, waardoor er een grijze, zoutrijke as overblijft. Daarna volgen nog het persen en bewaren: De overgebleven as wordt verzameld en vermengd met een heel klein beetje water, zodat er een dikke zoutpasta ontstaat. Deze substantie wordt in bladeren (vaak weer bananenbladeren) gewikkeld en stevig samengeperst tot harde, compacte zoutkoeken of zoutblokken.
Deze harde zoutblokken kunnen maandenlang worden bewaard. Tijdens het koken (vaak via de traditionele bakar batu of steenoventjes) schrapen de Dani simpelweg wat van het zoute asblok over het eten. Daarnaast was dit zout extreem kostbaar; het diende in de Baliemvallei eeuwenlang als een belangrijk ruil- en betaalmiddel, bijvoorbeeld bij het verhandelen van varkens of het sluiten van huwelijken.
Donkers a2-f130H-012
De lichtgekleurde, zeewierachtige strengen die de Dani-vrouw op de kleurenopname tegen haar mond drukt zijn zoutminnende algen of waterplanten (soms ook wel zoetwaterwieren genoemd) die rechtstreeks uit de zoutbron van Jiwika worden geoogst. Deze specifieke waterplanten zuigen zich in de bron vol met het meest pure, vloeibare pekelwater. De vrouwen reinigen de bladeren oppervlakkig en kauwen of zuigen er ter plekke op. Dit doen ze niet alleen om hun dorst te lessen met de mineralen, maar het fungeert ook als een traditionele smaaksensatie en oppepper tijdens het zware werk.
Zoutwinning Jiwika 1970. Jos Donkers diapositieven a2-f130i-017
Jos Donkers a2-f130i-016
De lange, taaie baststroken van de bananenboom (bili) worden gebruikt om een stevig, compact pakket (gusa) te vlechten. Bananenbast is van nature aan de buitenkant redelijk waterafstotend. Dit zorgde ervoor dat het kostbare, zoute water tijdens de loodzware tocht naar beneden niet direct wegvloeide of verdampte door de hete zon.
Textiel- en touwbereiding uit boombast
Textiel- en touwbereiding uit boombast. Donkers a2-f130A-010
Textiel- en touwbereiding uit boombast. Donkers a2-f130A-011
De vrouwen op bovenstaande foto's zijn bezig met het vervaardigen van de absolute basismaterialen voor de Dani-vrouwenkleding: de vezels die gebruikt worden voor het knopen van de noken (draagnetten), de sali (meisjesrok) of de yokal (vrouwenrok).
Van de vers geoogste takken of stammetjes van de moerbeiboom of specifieke inheemse ficussoorten (zoals de ficus wam) schrapen de Dani vrouwen eerst de ruwe buitenbast af. Wat overblijft is de zachte, vezelrijke binnenbast (het cambium), die zich in lange, riet-achtige stroken van de houten kern laat lostrekken.
Net als bij de vlas- en hennepverwerking in Europa, moeten de plantensappen en kleverige textielgommen uit de bast gespoeld worden. Door de stengels constant in het stromende rivierwater te weken en met de vingers uiteen te rafelen, lossen de zachte plantendelen op en komen de pure, sterke, witte cellulose-vezels bloot te liggen.
De handeling waarbij de vrouw de natte streng op een grote platte steen legt en er met een handsteen op klopt, is de cruciale afwerking: Door het kloppen (beuken) breken de resterende harde houtvezels op, waardoor de draad soepel en zacht wordt en het overtollige rivierwater en de laatste gommen uit de streng geslagen wordt. Na dit kloppen worden de strengen in de zon te drogen gehangen.
Daarna volgt het twijnen (tot touw draaien). De Dani-vrouwen rollen de losse vezels met de palm van hun hand in een ritmische beweging over de blote huid van hun bovenbeen. Door deze wrijving draaien de losse pluisjes zich in elkaar tot een uiterst sterke, doorlopende draad of streng, klaar om door de vrouwen te worden geknoopt tot een noken of te worden verwerkt tot de koorden van een yokal of sali.
Varkensfeest - Wam Mawe / Bakar Batu
Varken in de tuin aan het wroeten - Heppuba (Hepuba) Baliem 1970. Donkers a2-f130B-010
Wam Mawe: Dit zijn pure woorden uit het Hubula (de taal van de Dani). Wam betekent varken en Mawe betekent ceremonie of ritueel. Het betekent dus letterlijk "Varkensceremonie".
Een andere aanduiding voor dit evenement is de Indonesische term Bakar Batu die letterlijk "het branden van de stenen" betekent. Het is een overkoepelende term die door buitenstaanders, toeristen en de Indonesische overheid wordt gebruikt voor deze kookmethode op het hele eiland. Bakar Batu is de techniek: Je kunt een bakar batu organiseren voor een klein familiebezoek, het vieren van een goede oogst, of een kleinschalige verzoening. Er hoeft niet eens altijd varkensvlees in; soms gaan er alleen zoete aardappelen en groenten in de kuil.
Wam Mawe is het instituut: Dit is niet zomaar een maaltijd, maar een gigantisch sociaal-cultureel mega-evenement. Een échte Wam Mawe vond traditioneel slechts eens in de 5 tot 6 jaar plaats per regio of alliantie. In de jaren voorafgaand aan dit feest gold er een streng taboe op het tussentijds slachten van varkens, zodat de populatie enorm kon groeien.
Tijdens een Wam Mawe gebeuren er allerlei cruciale maatschappelijke zaken tegelijkertijd die de Bakar Batu overstijgen:
Tientallen jonge stellen trouwen tijdens dit feest; jonge jongens treden officieel toe tot de wereld van de volwassen mannen (initiatie) en openstaande schulden tussen clans (bruidsschatten, oorlogscompensaties) worden met de vele geslachte varkens ceremonieel ingelost.
Een grootschalige Wam Mawe (alliantiefeest) brengt duizenden mensen op de been uit tientallen geallieerde dorpen.
Op de volgende opnames is een veel kleinschaliger, lokaal varkensfeest aldus een Bakar Batu te zien dat binnen de beslotenheid van één enkele woongemeenschap (sima) plaatsvond, mogelijk ter verwelkoming van de pater die bij hen op bezoek kwam en verantwoordelijk zal zijn geweest voor deze fotoreportage (paters OFM Cris Jan Severins, Arie Blokdijk, of Jules Camps). De periode zal eind jaren '60 begin jaren '70 zijn. De dia's werden verzameld en onder het thema 'Baliem' bijeengebracht door Bob Schijns, evenals eerder genoemden een pater behorende tot de Franciscanen Minderbroeders, de Ordo Fratrum Minorum.
Bob Schijns diapositief Baliem 13-002.
Bob Schijns diapositieven Baliem-13-009
Bob Schijns diapositieven Baliem-13-013
Bob Schijns diapositieven Baliem-13-014
Een al wat oudere man – herkenbaar aan zijn gerespecteerde status als dorpsoudste of clanleider – zit gehurkt bij het achtereind van de zojuist gedode varkens. In zijn hand houdt hij een bos bladeren.
Binnen de Dani-cultuur heeft dit bosje bladeren een gelaagde betekenis. Enerzijds dient het een spiritueel doel: het sussen van de levenskracht (edai-egen) van het varken en het afschermen van de plek tegen ongunstige geesten. Anderzijds is het puur praktisch en hygiënisch. De bladeren fungeren als een natuurlijke spons om het eerste, heilige bloed op te vangen en geven de oudere man extra grip op de stugge, gladde varkenshuid.
Naast hem zien we een Dani die klaar zit met een mes van gespleten bamboe (pika), door de natuurlijke siliconen zo scherp als een scalpel, waarmee de eerste ceremoniële snede toegebracht gaat worden.
Bob Schijns diapositieven Baliem-13-015
Dan wordt met diepe, cirkelvormige bewegingen de staart (wam ikit) met de aanhangende vet- en spierlaag losgesneden, waardoor er een karakteristieke, kegelvormige holte in het achterwerk achterblijft. Dit specifieke stuk vlees met de staart geldt als de ultieme delicatesse van de 'afsluiting' en wordt als teken van respect direct aan de belangrijkste personen zoals de eigenaar van het varken, de belangrijkste medicijnman of een gerespecteerde dorpsoudste overhandigd.
Bob Schijns diapositieven Baliem-13-016
Het schroeien van de haren. Bob Schijns Baliem-13-017H
Idem. Bob Schijns Baliem-14-001
De verschroeide haarresten worden verwijderd. Bob Schijns Baliem-13-021
Bij westerse slachtmethoden wordt het varken vaak in heet water gebroeid en machinaal kaalgeschraapt om een schone, blanke zwoerd over te houden. De Dani doen dit bewust anders. Door het varken rauw boven een laaiend open vuur van takken en bladeren te rollen, verbranden de stugge varkensharen volledig tot as.
Dit schroeiproces laat een diepzwarte, geblakerde roetlaag achter op het karkas. Dit is geen 'vervuiling', maar essentieel voor de smaak: deze koolstof- en roetlaag trekt direct in de speklaag en geeft het vlees naderhand zijn kenmerkende, diepe rooksmaak in de smoorkuil.
Zodra de huid rondom gelijkmatig is geschroeid en zwartgeblakerd, wordt het dier van het vuur gehaald en op een bed van verse bladeren gelegd. Vervolgens pakken de mannen hun bamboemessen (pika) of scherpe stenen werktuigen waarmee de wam-oat — het grote, aaneengesloten stuk rugspek inclusief de poten en kaak — los gesneden wordt. Deze wordt door de vrouwen aan de kaak vastgehouden en gedrapeerd over de rug vol trots rondgedragen.
Varkensfeest 1966 Jules Camps negatieven IrianJaya2 - 125 -014
Pronken met de wam-oat. Zodra de wam-oat succesvol is losgesneden, nemen de vrouwen de zware, glanzende varkenshuiden over. Zij draperen deze over hun hoofd en rug en lopen er plechtig mee rond. Dit is het moment van maximale trots: de volledige rijkdom en status van de clan ligt letterlijk bloot voor iedereen om te aanschouwen.
Vrouw met wam-oat - varkenshuid. Huub Zwartjes afdrukken Album3-10-012
Bob Schijns Baliem-15-006
Op bedden van gras worden de varkenshuiden daarna uitgespreid om even later als een deksel bovenop de smoorkuilen het dieper in de kuilen liggende vlees te helpen garen.
Het malse spiervlees, de ribben en de organen gaat in stukken gesneden direct onderin de kuil (of halverwege, afhankelijk van de grootte), dicht bij de gloeiend hete stenen die met tangen in de kuil worden gelegd. Het vlees wordt stevig ingepakt in grote graspluimen en bananen- of varenbladeren om het te beschermen tegen direct aanbranden. Samen met de zoete aardappelen (bataten) ligt dit vlees enige uren te stoven in de diepte van de kuil.
Bob Schijns Baliem-14-003
Het aanbrengen van de hete stenen met de kani.
Bob Schijns Baliem-14-004
Op deze opnamen is de opbouw te zien van de traditionele smoorkuilen, het culinaire en rituele hoogtepunt van een Dani-varkensfeest. Mannen verplaatsen met grote behendigheid gloeiend hete stenen uit het hoofdvuur naar de kuilen. Hiervoor gebruiken zij de kani, een vernuftige, zelfgemaakte tang van een aan het uiteinde gespleten boomtak of bamboestam.
De kuilen worden laagsgewijs opgebouwd als een natuurlijke stoomoven. Het lange olifants- of cypergras (ook als dakbedekking gebruikt) en de bladeren beschermen het voedsel (varkensvlees, groenten en zoete aardappelen) tegen direct contact met de as, en zorgen er in combinatie met het vocht voor dat de ingrediënten onder hoge temperatuur gaar stomen. De aanwezigheid van meerdere smoorkuilen op de foto benadrukt de grote schaal van dit gemeenschappelijke feest, waarbij de status en de gastvrijheid van de clan centraal staan.
Rechts op de achtergrond en op de opname hieronder is het langwerpige, traditionele mannenhuis (Heima of Pilamo) zichtbaar, met daarvoor een houten vleesrek (Leke of Hakasin). Hierop hangen de vers gesneden delen van het varkensvlees overzichtelijk gerangschikt, klaar om in de gereedgemaakte stoomkuilen te worden geplaatst. Dit rek garandeert niet alleen dat het vlees schoon blijft, maar dient ook om de rijkdom en vrijgevigheid van de organiserende clan aan alle gasten te tonen.
Huub Zwartjes Baliem kleurenafdrukken Album3-20-009
Bob Schijns Baliem-13-007
Bob Schijns Baliem-15-016
Waika of Wam-Waika - verticaal opgericht ceremonieel vleesrek. Bob Schijns Baliem-16-011
Waika of Wam-Waika - verticaal opgericht ceremonieel vleesrek. Huub Zwartjes Baliem kleurenafdrukken 100-028/030
De verticale, spitsvormige constructie die tegen het varkensverblijf (wam ai) staat opgesteld, is het ceremoniële vleesrek dat in de Dani-taal een waika of wam-waika genoemd wordt.
In de Dani-samenleving draait alles om varkensvlees als sociaal en politiek bindmiddel. Tijdens een groot feest worden tientallen varkens geslacht. Het vlees wordt niet zomaar op de grond gelegd; de belangrijkste stukken (met name de vetrijke zijden en rugstukken) worden strak met lianen of touw aan de dwars op de staande stammen bevestigde suikerriet-stammen vastgesnoerd. Dat de constructie zo hoog en spitsvormig is, dient om de immense hoeveelheid vlees voor de hele menigte zichtbaar te maken. Hoe hoger het rek en hoe voller het hangt met vlees, des te groter is het prestige en de status van de organiserende alliantieleider (ap kain) en zijn clan.
Het suikerriet (Saccharum officinarum), in de Dani-taal el genoemd, betreft hier een van de inheemse suikerrietvariëteiten die van zichzelf een diepe, bordeauxrode of paarsrode schil hebben. Wanneer de buitenste, droge bladeren van de stengel worden gepeld, glanst de felle rode kleur in de zon. Het gele en groene gedeelte is het respectievelijk rijpe en nog onrijpe gedeelte van het suikerriet. Het suikerriet blijft achter op het feestterrein nadat het vlees eraf is gehaald. Omdat het niet is mee gestoofd, blijft het koud, sappig en knapperig. Tijdens het urenlange wachten op het garen van de smoorkuil, of direct na het eten van het varkensvlees, hakken de mannen en kinderen de suikerrietstengels in stukken. Ze kauwen op de rauwe, vezelige stukken om het zoete sap eruit te zuigen. Dit dient als een heerlijk, verfrissend 'toetje' en een bron van hydratatie en snelle energie na een dag van zware fysieke rituelen.
Bob Schijns diapositieven Baliem-13-003
Een varkenshuid met stevige speklaag als deksel. Bob Schijns Baliem-14-008
Nadat al het vlees, de groenten en de stenen goed zijn ingepakt en er een dichte, isolerende bovenlaag van bladeren en gras overheen is gelegd, wordt bovenop het gebladerte de volledige, uitgesneden huid met de speklaag daar weer bovenop gedrapeerd.
Het vlees onderin heeft directe, intense hitte van de stenen nodig om mals te stoven. De speklaag bovenop heeft juist baat bij de zachtere, opstijgende stoom om langzaam boterzacht te smelten zonder vloeibaar te worden. Het smeltende vet sijpelt door het dichte gebladerte heen naar beneden en bedruipt zo continu het vlees en de groenten daaronder.
Als de kuil na een paar uur wordt opengemaakt, is het dubbel feest: bovenop ligt de perfect gestoomde, vette huid klaar om in ceremoniële repen gesneden te worden, terwijl men dieper uit de kuil het malse, dampende varkensvlees en de doordrenkte groenten tevoorschijn haalt.
Bob Schijns Baliem-14-009
Bob Schijns Baliem-15-002
Bob Schijns Baliem-14-010
Bob Schijns Baliem-14-011
Bob Schijns Baliem-15-003
Bob Schijns Baliem-15-001
Het gaarproces verloopt in fases; terwijl sommige smoorkuilen al volop stomen, worden andere nog opgebouwd met hete stenen. Opvallend zijn de grote, rauwe stukken varkensvlees die bovenop de afgedekte kuilen zijn gelegd. Hier worden ze door de opstijgende stoom alvast voorverwarmd en mals gemaakt, waarna ze in een latere fase van de ceremoniële maaltijd definitief tussen de hete stenen worden geplaatst.
Bob Schijns Baliem-15-010
Bob Schijns Baliem-18-007 Wam Mawe
Lijkverbrandingsritueel (Ima Wusan)
Dani mannen in de rouw. Diapositief NG-D4-024
Baliem 1956. Piet ter Laag diapositieven 209-1-093
De mannen die geheel of gedeeltelijk zijn ingesmeerd met de licht opdrogende modderklei, zijn de primaire rouwenden: de directe zonen, broers, of de vader van de overledene. Voor hen is de rouw absoluut en fysiek. De klei symboliseert hun diepe verdriet en het feit dat een deel van hun eigen levenskracht met de dode is meegegaan. Daarnaast dient het als een direct spiritueel schild: de geest van de pas overledene (mokat) is onvoorspelbaar en zoekt vaak zijn directe geliefden op. Door de klei ruiken en zien deze mannen eruit 'als de dood', waardoor de geest hen niet herkent of lastigvalt.
De mannen in de groep die zich niet met klei hebben ingesmeerd zijn de clangenoten, verre neven of politieke bondgenoten (alliantiepartners). Zij delen in het collectieve verdriet en de politieke klap van het sterfgeval, maar hun spirituele en praktische taak is juist om schoon te blijven. Zij moeten dadelijk immers de varkens slachten, de zware varkenshuiden dragen naar de heilige boom, of de onderhandelingen over de bloedschuldbetalingen leiden.
Als iedereen zich dik in de klei zou smeren, zou de hele gemeenschap spiritueel 'verlamd' en besmet zijn door de dood. De onbesmeurde mannen bewaren de functionele balans in het dorp zodat het leven en het ritueel door kunnen gaan.
Piet ter Laag-209-1-076
Mannen droegen de kleilaag vaak alleen tijdens de directe dagen van de crematie en het grote verzoeningsfeest daarna. Hun kleilaag was functioneel en tijdelijk.
Vrouwen (moeders, echtgenotes en zusters) droegen de rouw veel zwaarder en zichtbaarder. Zij smeerden zich niet alleen in met klei, maar droegen maandenlang de gelaagde, zware rouw-netten (noken) over het hoofd én ondergingen historisch het ritueel amputeren van vingerkootjes (iki palek) als ultiem offer aan de overledene.
Wam Wusa rouwslacht Bob Schijns Baliem-12-024
Is een belangrijk clanlid overleden wordt een Wam Wusa (de directe uitvaart) gehouden: Dit is de rouwslacht die plaatsvindt op de dag van de crematie zelf. De mannen slachten en tonen het vlees op het rek in de ochtend vóór de crematie). Het dient, net als de schelpen (de jetak-linten op de foto's hieronder), om publiekelijk de rijkdom van de clan te tonen en direct de openstaande 'rouw-schulden' binnen de gemeenschap af te betalen. De levenden worden gevoed, de schulden worden vereffend, en pas daarna is de weg vrij om het lichaam op de stellage aan het vuur toe te vertrouwen.
"Volgens mijn informanten worden onmiddellijk na de dood de nodige varkens geslacht (M. àgàpàdia wògò, E. èkina wart), waarvan het aantal afhankelijk is van ouderdom, rijkdom en aanzien. Zo wordt voor een kind als regel één, voor ouden van dagen en hoofden meerdere dieren geofferd. Het vlees wordt verdeeld onder degenen die rouwbezoek komen afleggen. Bij àgàpàdia wògò mag men dit rauw en onbereid naar huis meenemen. Op de dag van de bijzetting van het lijk of de begrafenis vindt het eigenlijke dodenfeest plaats. Op die dag dragen de naaste verwanten van de dode het lijk in een regenkap en gebonden aan een stok, zoals een varken door twee mensen op de schouders gedragen wordt, naar de bijzettingsplaats of het graf. Ook geschiedt dit wel op een draagbaar van rondhouten en boombast geconstrueerd. Ter plaatse worden dan opnieuw varkens geslacht en na de bijzetting van het lijk vangt de dodenmaaltijd aan (M. wànggoe wògò) Het vlees wordt in de smoorkuil gaar gestoomd tussen de verhitte stenen en moet op de bijzettingsplaats worden verorberd. Familie- en ook kamponggenoten nemen aan de maaltijd deel, doch tegen betaling van schelpengeld."
LeRoux 1950 deel II p.743
In foetushouding gebracht corpus omwonden met jetak-linten, banden kaurischelpen. Bob Schijns diapositief Baliem-12-004/005
Baliem-18-019
Voordat het vuur wordt aangestoken, is het lichaam uit het woonhuis (hunila) gehaald, ingesmeerd met varkensvet om het een glans te geven en in een zittende of foetushouding gebonden. Het gedroogde gras (vaak hetzelfde stugge cyper- of olifantsgras dat voor de daken en de smoorkuilen wordt gebruikt) wordt over het lichaam heen gelegd om het te beschermen tegen vliegen en de felle zon zolang de ceremonie duurt. Familieleden en alliantiepartners zitten om deze grasstapel heen om luidkeels te rouwen, te zingen, en giften (zoals noken-netten en varkensvlees) uit te wisselen.
Wam Wusa. Cris Jan Severins 1970 diapositief IrianJaya2-207-028
De 'troon' (pila) waarop het lijk zal worden opgebaard wordt in gereedheid gebracht.
Wam Wusa. Cris Jan Severins 1970 diapositief IrianJaya2 - 207 -029
Het corpus wordt temidden van de rouwende, zingende en huilende menigte, op een prachtig gemaakte, hoge houten 'troon' of stoel (pila) in de openlucht geplaatst. Men eert de overledene voor zijn reis naar de geestenwereld (mogat) én het tafereel toont de absolute status en kredietwaardigheid van de achterblijvende familie
Wam Wusa. Cris Jan Severins 1970 diapositief IrianJaya2-207-030
Lijkverbranding Woogi 1971. Arie Blokdijk negatieven IrianJaya2 - 212 -014
Vingerkootjes afhakken Woogi 1971. Arie Blokdijk IrianJaya2 - 212 -011
Een integraal onderdeel van de vroege rouwfase vormde het afhakken van vingerkootjes (Ikipalin). Dit vond plaats terwijl de overledene nog op de houten troon of onder het gras lag opgebaard.
De Dani geloofden dat de geest van een recent overleden persoon (mogat) woedend, verdrietig en eenzaam was. Om deze geest te kalmeren en te voorkomen dat hij de achterblijvers in het dorp zou lastigvallen, brachten de vrouwelijke familieleden een fysiek offer van hun eigen lichaam. De pijn en het bloed moesten de geest sussen.
De fysieke pijn van het amputeren overstemde de psychologische pijn van het verlies. Bovendien droegen de vrouwen de rest van hun leven de verminkte handen als een permanent en publiekelijk zichtbaar eerbetoon aan hun overleden dierbaren. Aan de handen van een oudere Dani-vrouw kon je in één oogopslag zien hoeveel naaste familieleden zij tijdens haar leven had verloren.
Vóór de slag werd de elleboog van het meisje of de vrouw heel hard met een houten slagpin op de ulnaire zenuw (het 'telefoonbotje') geslagen. Hierdoor raakte de hele arm en hand tijdelijk volledig gevoelloos en verlamd.
De vinger werd strak over een stevige houten ondergrond gelegd. Met een vlijmscherpe stenen bijl (bisa) werd in één krachtige, trefzekere klap het vingerkootje (meestal van de ringvinger of pink) exact tussen de gewrichten door geamputeerd. Daarna werd de wond direct dichtgebonden met medicinale bladeren en strak ingepakt met klei of as om het bloeden te stelpen. De afgehakte vingerkootjes werden vervolgens gedroogd en later ritueel verbrand, vaak samen met de overledene op de brandstapel.
Oude Dani vrouw met reeds een aantal missende vingerkootjes in de rouw. Bob Schijns diapositief Baliem-12-007
Lijkverbranding Woogi 1971. Arie Blokdijk negatieven IrianJaya2-212-013
De houten stellage waarop het lijk verbrand zal worden wordt door de mannen zeer zorgvuldig opgebouwd in het midden van de centrale binnenplaats. Er wordt gebruikgemaakt van zware, harsrijke houtblokken die lang en heet kunnen branden. De stellage is vaak een soort rechthoekig platform of een 'vork' van palen.
Zodra de rituele voorbereidingen zoals de Wam Wusa ende Ikipalin zijn afgerond, wordt het lichaam vanonder het gras vandaan gehaald, rechtop of liggend op het platform van de stellage geplaatst, en vervolgens volledig omringd en afgedekt met een enorme hoeveelheid brandhout. Het vuur wordt vervolgens met fakkels aangestoken. De opstijgende rook symboliseert de geest van de overledene (moka-oba) die het dorp verlaat.
Het lichaam wordt op de houtstapel gelegd. Anders dan op de eerdere kleurendia's van Cris Severins hebben we hier in deze serie zwart-wit opnames van Jules Camps met een vrouwspersoon te maken. Dit zal voor verloop van het ceremonieel geen verschil maken.
Lijkverbranding Woogi 1971. De overledene krijgt haar draagnet (noken) mee. Arie Blokdijk negatieven IrianJaya2-212-008
Lijkverbranding Woogi 1971. Het vuur voor de lijkverbranding wordt gemaakt. Arie Blokdijk negatieven IrianJaya2-212-016
Lijkverbranding Woogi 1971. Arie Blokdijk IrianJaya2 - 212 -003
Handwassing. Arie Blokdijk negatieven IrianJaya2-212-004
Terwijl de brandstapel rookt, giet een gerespecteerde oudere vrouw uit het dorp met een kalebas water over de gevouwen handen van een man.
De mannen zijn degenen die zojuist het dode lichaam hebben aangeraakt. Zij hebben het corpus naar de brandstapel gedragen, en het brandhout opgestapeld. Vanwege dit fysieke contact met het lijk en mogelijk de betrokkenheid bij de Ikipalin welke altijd door de vader, broer of oom uitgevoerd werd zodat er letterlijk bloed aan hun handen kon kleven, moeten hun handen ritueel worden gereinigd zodra het vuur brandt en de geest (mogat) geacht wordt het lichaam te verlaten. Pas na deze wassing zijn de mannen spiritueel 'veilig' en kunnen zij later op de dag weer voedsel aanraken en opeten zonder de toorn van de geesten over zich af te roepen.
Oudere vrouwen (de matriarchen van de clan) worden bij de Dani gezien als de bewakers van de levensloop, de vruchtbaarheid en de rituele transitie. Waar de mannen de fysieke kracht leveren voor de oorlog en de brandstapel, dragen de oudere vrouwen de spirituele verantwoordelijkheid om de rust en de reinheid in de dorpsgemeenschap (silimo) te herstellen na de chaos van de dood.
De linten kaurischelpen bij de opbaring gebruikt worden niet mee verbrand. Bob Schijns diapositief Baliem-12-006
De schelpenbanden verbranden uiteraard niet mee; dat zou een economische ramp zijn. Nadat het vuur gedoofd is en de geest van de overledene geacht wordt het dorp te hebben verlaten, worden de jetak-banden opnieuw verdeeld onder de levenden. De clanleiders rollen de linten strak op tot ronde bollen om ze compact en veilig te kunnen vervoeren. Deze bollen worden vervolgens uitgedeeld aan de mensen die geholpen hebben bij het feest (zoals de mannen die de varkens slachtten, of verre familieleden die speciaal zijn komen rouwen). De bollen verdwijnen in de noken-draagzakken en gaan mee terug naar de eigen dorpen, waar ze weer worden opgeborgen tot het volgende feest.
De crematie op een brandstapel was géén algemene Papoeatraditie. Sterker nog, het bergland van Nieuw-Guinea was antropologisch extreem verdeeld als het ging om dodenbezorging. De lijkverbranding op deze specifieke wijze was exclusief voorbehouden aan een beperkt aantal groepen:
Alleen de directe buren van de Dani (de Lani in het westen en de Yali in het oosten) praktiseerden eveneens de lijkverbranding op een houten stellage. Zij deelden deze cultuurstroom. Het vuur werd bij hen gezien als de enige manier om de geest snel te zuiveren en los te maken van het aardse lichaam.
De Ekari (Kapauku) en Moni cremeerden hun doden nooit. Zij begroeven gewone stamleden in de grond of legden ze in eenvoudige boomgraven. Belangrijke leiders (Tonowi) kregen soms een 'luchtgraf': zij werden zittend op een houten platform of in een kleine houten constructie boven de grond geplaatst om langzaam te mummificeren of te vergaan.
Reinigingsritueel aan het einde van een rouwperiode
Een verborgen Dani-ritueel uit 1963 in beeld
Hier volgen enkele opnames van een door pater Jules Camps in 1963 gemaakte fotoreportage van een uiterst zeldzaam en diepgaand traditioneel reinigings- en bezweringsritueel (Wam Ilko) van de Dani, dat plaatsvond aan het einde van een zware rouwperiode na het overlijden van een belangrijk persoon.
In 1963 was de Baliemvallei nog nauwelijks geopend voor de buitenwereld. Rituelen waren destijds volledig intact en onbeïnvloed. Omdat dit specifieke ritueel te maken heeft met de omgang met de dood, spirituele onreinheid en geheimhouding, werd het vrijwel nooit met buitenstaanders gedeeld. Dankzij de intense vertrouwensband die pater Camps met de gemeenschap had opgebouwd, kreeg hij de unieke kans om deze 'liturgie' van begin tot eind te documenteren.
Jules Camps Baliem 1963 Reinigingsritueel IrianJaya1-31-005
De voorbereiding: Op het centrale plein, voor de mannenhuizen (pilamo's) en de lange varkensstal, heerst diepe rouw onder de aanwezige mannen. Er liggen tientallen varkenshuiden klaar. De mannen hullen zich in de vers geslachte huiden, binnenstebuiten gekeerd, met het vet naar buiten. Varkensvet is voor de Dani de ultieme bron van levenskracht en bescherming. De huiden fungeren hier als een 'spirituele spons' om het verdriet en de doodsgeest uit het dorp te absorberen. Er zijn strikt geen vrouwen op het terrein aanwezig.
Jules Camps Baliem 1963 Reinigingsritueel IrianJaya1-31-017
Jules Camps Baliem 1963 Reinigingsritueel IrianJaya1-31-029
Jules Camps Baliem 1963 Reinigingsritueel IrianJaya1-31-030
Om de doodsgeest te misleiden en te voorkomen dat de normale dorpspoort spiritueel besmet raakt, verlaten de mannen het dorp niet via de uitgang, maar klimmen zij met de zware huiden op hun rug over de dorpsomheining. Zij trekken in een processie van zo'n honderd man over de grasvelden naar het niemandsland buiten de dorpsgrenzen.
Jules Camps Baliem 1963 Reinigingsritueel IrianJaya1-31-031
Jules Camps Baliem 1963 Reinigingsritueel IrianJaya1-31-032
Jules Camps Baliem 1963 Reinigingsritueel IrianJaya1-31-033
De stoet verzamelt zich bij een grote, oude, knoestige boom, de grens met de spirituele wildernis. Hier heeft men de huiden afgelegd.
Als rituele climax houden twee mannen één varkenshuid omhoog bij de snuit, waarna een derde man de huid met een mes exact doormidden snijdt. Op de laatste foto is goed te zien hoe op de voorgrond de helften van enkele eerder middendoor gesneden huiden bij de (halve) kop vastgehouden worden. De fysieke kloving symboliseert de harde, definitieve breuk tussen de wereld van de levenden en de wereld van de doden. De ziekte en de dood blijven achter bij de boom; het dorp is gereinigd.
Jules Camps Baliem 1963 Reinigingsritueel IrianJaya1-31-034
Mummies
Binnen de traditionele Dani-cultuur bestond de traditie van de akonipuk: het mummificeren van het lichaam van een uitzonderlijk gerespecteerde ap kain (alliantieleider of topkrijger). In plaats van de gebruikelijke lijkverbranding (Ima Wusan) werd het lichaam in een zittende foetushouding geplaatst en gedurende circa 200 dagen blootgesteld aan de hitte en roet van een specifiek houtvuur, intensief behandeld met varkensvet. Er zijn in de hele vallei slechts een stuk of zes van deze mummies bewaard gebleven (zoals de beroemde mummies van Jiwika en Aikima).
Het beeldmateriaal op deze pagina toont de ingrijpende historische en culturele verschuiving die deze mummies in de loop der decennia hebben ondergaan:
De binnenopnames (De sacrale status): De twee zeldzame opnames van de mummie in een binnenruimte van houten schotten tonen de mummie in zijn oorspronkelijke, traditionele context. Tot diep in de jaren '70 en '80 waren deze voorvaderen onderhevig aan een absoluut spiritueel taboe. Zij lagen permanent verborgen op de donkere, geheime zolderverdieping van de centrale mannen-honai (pilamo). Vrouwen, kinderen en buitenstaanders mochten de mummie absoluut niet zien. De mummie werd uitsluitend bij extreme crises (zoals hongersnood of oorlog) door sjamanen naar beneden gehaald om als medium te communiceren met de voorouders. Dat een westerse fotograaf de mannenhut mocht betreden om dit vast te leggen, getuigt van een uitzonderlijke vertrouwensband.
De buitenopnames (De toeristische status): De opnames waarbij de mummie buiten het dorp is geplaatst, markeert de overgang naar de moderne tijd. Vanaf de jaren '80 opende de Baliemvallei zich voor het internationale toerisme. De Dani ontdekten dat de buitenwereld gefascineerd was door de mummies. Om inkomsten voor de dorpsgemeenschap te genereren, besloten de dorpsoudsten het eeuwenoude taboe gedeeltelijk te doorbreken. Tegen betaling wordt de mummie sindsdien uit de honai naar het daglicht gedragen en gepositioneerd voor de camera's van reizigers.
Hoewel het tonen van de mummie in een stoel in de buitenlucht een modern en gecommercialiseerd verschijnsel is, blijft het object zelf een tastbaar en eeuwenoud overblijfsel uit de tijd dat de grote alliantieleiders de politieke scepter zwaaiden over de Baliemvallei.
Oorlogsvoering
Bob Schijns Baliem-18-008
De Dani leefden in een cultuur waarin rituele stammenoorlogen en plotselinge overvallen tussen rivaliserende confederaties aan de orde van de dag waren. Om de eigen akkers en dorpen te beschermen, bouwden de Dani hoge platforms (atata) in bomen (vaak naaldbomen zoals de Casuarina of Araucaria) of op hoge palen. Vanaf deze beschutte vlonders konden jonge krijgers de omgeving in de gaten houden en naderende vijanden vroegtijdig signaleren.
Dead Birds, een Amerikaanse documentairefilm uit 1963 van Robert Gardner over de rituele oorlogsvoering van de Dugum Dani, een volk dat in de Baliem-vallei woont in de huidige provincie Hoogland Papoea, Pegunungan Tengah.
"Hoewel stilistisch indrukwekkend, is Dead Birds bekritiseerd vanwege de authenticiteit. De personages die in de film spreken, worden nooit ondertiteld, en zelfs dan is de stem niet altijd wat het lijkt. Wat het publiek als de stem van Weyak ervaart, is in werkelijkheid een nasynchronisatie van Karl G. Heider die Dani spreekt. Gardner zelf sprak geen Dani, dus al zijn interpretaties van de gebeurtenissen zijn indirect. De gevechtsscènes bestaan ​​uit vele opnames van verschillende veldslagen die aan elkaar zijn geplakt om de indruk van een chronologische samenhang te wekken. De schijnbare continuïteit komt voort uit de nasynchronisatie van het geluid, en in feite is al het geluid in de film nasynchronisatie. Heider geeft zelf in zijn boek Ethnographic Film toe dat sommige gevechtsscènes niet in de juiste volgorde zijn gemonteerd en afgewisseld met een scène van de vrouwen bij het zoutmeer, die op een ander moment dan de gevechtsscènes is gefilmd."
Archive.org
Bob Schijns diapositieven Baliem-mensen-001
Vier Dani uitgedost en toegerust voor een formele rituele strijd (waim).
Twee prominente Dani-krijgers (alliantieleiders) dragen de traditionele muts van koeskoesbont, bekroond met een fel rood-geel gekleurde lori (papegaaiachtige). De opwaartse staart van de vogel symboliseert mannelijke alertheid en trots. Als ultiem statussymbool is de hoofdtooi voorts verfraaid met een meterslange pronkveer van de paradijsvogel. Tijdens het rennen en ontwijken van pijlen boog deze veer wild mee, wat een hypnotiserend effect had op de vijand en het richten voor vijandelijke boogschutters bemoeilijkte. De door de middelste krijger gedragen lange plumeau van witte veren (afkomstig van de Gele Kuifkaketoe) diende als de 'militaire standaard' of clanvlag tijdens de chaotische massa-gevechten. Aan de hand van deze hoog boven de menigte uitstekende wuivende witte veren wisten de krijgers in de linies exact waar hun leider zich bevond en wanneer zij moesten oprukken of terugtrekken.
Bob Schijns diapositieven Baliem-mensen-003
Binnen de strikte, rituele oorlogsvoering van de Dani (zoals ook gedocumenteerd in de film Dead Birds), speelden vrouwen een heel specifieke en cruciale rol aan de zijlijn van het slagveld. Haar uitzonderlijke mannendracht en de koninklijke opsmuk hebben een diepe, strategische en symbolische betekenis:
Tijdens een formele rituele strijd (waim) stonden de vrouwen en meisjes op de heuvelruggen en langs de randen van het slagveld te kijken. De vrouw van de alliantieleider fungeerde als de levende vlag of bezieler van haar clan.
Door zich te sieren met de absolute topstukken van haar man (de koeskoes-bontmuts bekroond met de lori-vogel, de walimo en de gele paradijsvogelveren) straalde zij de totale macht, rijkdom en onoverwinnelijkheid van haar familie uit naar de eigen krijgers én naar de vijand. Haar aanwezigheid in deze koninklijke dracht spoorde de mannen aan om tot het uiterste te vechten om haar en de eer van de clan te beschermen.
De walimo (of wopok) om haar hals en de paradijsvogelveren vertegenwoordigen het grootste kapitaal van de alliantie. Door deze kostbaarheden fysiek mee te nemen naar de rand van het slagveld, gaven de Dani een krachtig signaal af aan de vijand: "Wij zijn zo rijk en zelfverzekerd dat we onze schatten openlijk durven te tonen tijdens de strijd." Het was een ultieme provocatie.
Dat zij een yokal (de rok voor de getrouwde, volwassen vrouw) combineert met de koeskoesmuts en de lori (die exclusief aan mannelijke leiders zijn voorbehouden), is een rituele inversie (omdraaiing). Wanneer de mannen in de frontlinie stonden te vechten, nam zij symbolisch de spirituele bewaking van het dorp en de clan op zich. Zij droeg de symbolen van de mannelijke autoriteit om de geesten van de voorouders (mokat) gunstig te stemmen en de strijdende mannen te zegenen met geluk en bescherming
Huub Zwartjes fotoafdrukken album3-134-012
De verenkraag die deze Dani's dragen wordt een bali-sege genoemd. De veren zijn afkomstig van inheemse roofvogels en wouwen uit de bergbossen van Papoea, zoals de Gevlekte Kiekendief of specifieke inheemse buizerd- en valkensoorten. Omdat roofvogels snelle, dodelijke en gerespecteerde jagers zijn, droeg de leider deze veren om de spirituele kracht, alertheid en jachteigenschappen van de vogel op zichzelf over te dragen.
De veren worden niet los gedragen, maar zijn dakpansgewijs aan de achterzijde van een gevlochten halsband van boombastvezels genaaid.
De veren wijzen schuin naar achteren en beneden, waardoor ze de nek, de trapezius-spieren en de bovenrug bedekken. Wanneer de leider of krijger voorovergebogen op het strijdperk stond, of ritmisch meedanste tijdens de etai (overwinningsdans), waaiden deze veren als een soort natuurlijke roofvogelvleugel op zijn rug omhoog. Dit gaf hem een breder, imposanter en roofvogel-achtig silhouet dat angst inboezemde bij zijn tegenstanders.
Net als de koeskoesmutsen en de walimo (schelpenbanden) behoort de bali-sege tot de heilige, ceremoniële schatten van de clan. Het kledingstuk werd tussen de oorlogen en feesten door zorgvuldig opgeborgen in de geheime ruimtes van de pilamo (het mannenhuis).
Huub Zwartjes fotoafdrukken album3-134-007
Foto boven: Aan de peniskoker (holim) hangt de ceremoniële Dani-oorlogskoteka, door de Dani een suwdi genoemd, het teken van de 'Ap Kain' (Clanleider) dat zijn uitzonderlijke status als topkrijger toonde Het is een met de hand gemaakte kwast-pluim waarvan het kegelvormige, harige deel is gemaakt van de goudbruine of donkere vacht van de koeskoes (de inheemse boom-buidelrat). Het contrasterende witte kwastje aan het brede uiteinde is varkenshaar van een wit varken of het donsveer van de Gele Kuifkaketoe.
Binnen de Dani-oorlogscultuur was de peniskoker niet zomaar een kledingstuk, maar de visuele as van de mannelijke kracht en agressie. Een lange, steil omhoog staande koker diende om de man optisch groter en dominanter te maken. Tijdens het rennen, sprinten en het uitvoeren van schijnaanvallen op het slagveld van de waim slingerde dit koeskoes-kwastje wild en onvoorspelbaar heen en weer en creëerde een flitsend en bewegend doelwit dat de aandacht weg trok van het lichaam van de krijger waardoor vijanden mis schoten.
Bob Schijns Baliem-afdrukken-016
Bob Schijns diapositieven Baliem - mensen -011
Door de peniskoker met een sterk koordje langs het lichaam schuin naar de linkerschouder te laten lopen, bleef de rechterkant van het bovenlichaam vrij van obstakels en kon de krijger ongehinderd en in een fractie van een seconde pijlen pakken, spannen en afschieten of, zoals we hierboven zien, de speer hanteren. Ingeval de koteka juist tegen de rechterschouder zit vastgebonden was de krijger vrijwel zeker linkshandig.
Onder de net boven de biceps gedragen banden (segan) bevinden zich paradijsvogelveren die tijdens de waim bij het spannen van de boog of het zwaaien met en werpen van de speer de armen van de krijger optisch dikker en krachtiger maakte en bij de overwinningsdans (etai) ritmisch meedeinden.
Huub Zwartjes fotoafdrukken album4-35-008
De meterslange speer (wano of sege) van de Dani vormde het absolute koningswapen op het slagveld van de waim (de rituele oorlog). Waar de pijl en boog werden gebruikt voor de middellange afstand, was de speer het ultieme wapen voor de beslissende man-tegen-man confrontaties aan de frontlinie.
Een traditionele Dani-speer is angstaanjagend lang: ze variëren gemiddeld tussen de 3,5 en wel 4,5 meter lengte. De speren worden gemaakt van uiterst hard, zwaar en stug tropisch hardhout (vaak van specifieke inheemse palmsoorten of de ijzerharde myrtaceae-familie). Door de speer zo lang te maken, kon een krijger zijn vijand letterlijk op veilige afstand houden. Op het open slagveld vormden de speervechters vaak een dichte, bewegende muur van houten punten waar de vijand moeilijk doorheen kon breken.
Het dikke basiseinde van de jonge boomstam of tak vormt de voorzijde. Dit deel wordt met behulp van vuur en stenen schrabbers minutieus geslepen tot een vlijmscherpe, massieve, vierkante of ronde punt. Het hout wordt in het vuur 'gehard' waardoor de punt bijna zo hard als metaal wordt. Het achterste uiteinde loopt heel slank en spits toe, wat zorgt voor een perfecte balans tijdens het dragen en stoten.
In de film Dead Birds (zie boven) is prachtig te zien hoe deze speren worden gehanteerd. Ze werden in de regel niet geworpen zoals een speer bij de atletiek. Omdat ze zo zwaar zijn, zou een geworpen speer te snel grond raken en direct een kostbaar wapen aan de vijand schenken.
De speer werd met twee handen stevig onder de arm geklemd en gebruikt als een lans om mee te stoten. Krijgers renden in sprints naar voren, deden een snelle uitval (stoot) en trokken zich direct weer terug achter de linie van hun eigen boogschutters. Alleen in zeldzame gevallen van totale omsingeling, of wanneer een vijand al gewond op de grond lag, werd de speer van korte afstand met een krachtige worp gegooid.
Diapositieven Bob Schijns Baliem - 013
De bladeren die de belangrijkste clanleden in de hand houden op het strijdperk, bestaat uit de bladeren van de kruipende varen of heel specifiek de varenbladeren (in de Dani-taal vaak aangeduid als gusi of elgusi). Soms werden deze gevlochten in combinatie met de bladeren van een specifieke ficus- of crotonsoort.
Deze groene kransen of bossen bladeren zijn absoluut niet willekeurig gekozen; ze dragen twee fundamentele spirituele en rituele functies tijdens de waim (de oorlog):
1. De 'Etai'-overwinningskrans (Het vieren van succes)
Wanneer een krijger aan de frontlinie een vijand had gedood of verwond, barstte aan de zijlijn direct de etai (de overwinningsdans) los waarbij de leider en zijn vrouw deze specifieke bladerkransen ritmisch in de lucht zwaaiden en schudden terwijl ze over het veld renden.
2. Spirituele bescherming en het 'vangen' van de geest (Mokat)
Dit is de diepste, religieuze reden dat de vrouw en de leider deze kransen vasthielden. De Dani geloofden dat wanneer er op het slagveld iemand stierf, de rusteloze geest (mokat) van de overledene direct over het strijdperk zwierf. Deze geesten waren extreem gevaarlijk en wraakzuchtig voor de levenden.
De bladeren als schild: Bepaalde varen- en ficusbladeren bezitten in de traditionele Papoeageneeskunde de spirituele eigenschap om gevaarlijke energieën te neutraliseren of te 'koelen'.
Door de bladeren in de hand te houden, creëerden de leider en zijn vrouw een rituele barrière. Mocht de geest van een gedode vijand proberen hen aan te vallen of te bezeten, dan fungeerden ze als een afleider of een spirituele 'vliegenvanger' die de negativiteit absorbeerde en weghield van hun eigen lichaam.
Bob Schijns diapositieven Baliem-mensen-012
Het uitsteken van de tong door een Dani-krijger aan de frontlinie van een waim (rituele strijd) is een van de meest agressieve en klassieke vormen van psychologische oorlogsvoering binnen hun cultuur. Het is een universeel en diep geworteld gebaar van extreme provocatie, spot en doodsbedreiging.
Attributen-versieringen-lichaamsbedekking
Henny van de Kerkhof diapositieven Baliem DII -131
Baliem 1956. Piet ter Laag diapositieven 209-1-149
Dani vrouw met mitak. Bob Schijns Baliem-009
Een veel gedragen sierraad is de badi-badi: een verfijnd gevlochten halskraag met als blikvanger een groot, centraal hangend deel van de Melo-schelp bevestigd aan een kraag waarin in verloop (dégradé) kleinere, rechthoekig geslepen deeltjes van de Melo-schelp rondom naar buiten steken. De gevlochten kraag is meestal bezet met éen of meerdere rijen nassa-schelpjes.
Ndani man met wopok of walimo, ook wel 'Dani stropdas' genoemd. Baliem 1956-1958. Piet ter Laag diapositieven 209-1-078
Man met wopok of walimo. Bob Schijns diapositieven Baliem-z-002
NG-D4--020 Dani met mondharp in een armband gestoken, een dissel vasthoudend en op de borst een wopok dragend.
Donkers a2-f130-f001/004
Een specifiek borstsieraad van de Dani (Ndani) is de wopok of walimo. In de westerse literatuur en door reizigers wordt het vanwege de vorm en de manier van dragen ook wel aangeduid als de Dani-stropdas (Dani necktie).
De wopok of walimo bestaat uit een lange, smalle, geweven mat van plantaardige vezels waarop tientallen kleine nassaschelpjes (Nassa) in strakke, horizontale rijen heel dicht op elkaar zijn genaaid. Aan de bovenzijde zit een halsband die vaak is versierd met grotere kaurischelpen (Cypraea) om het sieraad rond de nek te knopen.
Voor de Dani was de wopok veel meer dan een decoratief sieraad. De Dani geloven dat de ziel (edai egen) zich vlak onder het borstbeen bevindt. De zware mat van schelpen diende als een spiritueel en fysiek schild om de ziel te beschermen tegen boze geesten (gawi) en rondvliegende vijandelijke pijlen tijdens stammenoorlogen.
Schelpen waren in de hooglanden van Nieuw-Guinea (ver van de kust) extreem zeldzaam en kostbaar. Het dragen van een brede, lange wopok met veel schelpen was voorbehouden aan belangrijke mannen (Big Men) en succesvolle krijgers. Daarnaast deden de losse schelpen of complete sieraden dienst als traditioneel betaalmiddel, bijvoorbeeld bij het betalen van de bruidsprijs of varkensruil.
Het dragen van de koeskoesmuts met de opgerichte lori, was het visuele prerogatief van de ap kain. Het vertelde iedereen op het dorpsplein in één oogopslag: hier staat de man die de allianties smeedt en de vrede bewaart.
Dani man met muts van koeskoesbont. Baliemvallei 1958-09. Piet ter Laag diapositieven 209-1-080
Dani mannen uit het Tiom gebied van wie de man rechts op de opname het deksel van een sardineblik als blikvanger draagt. Baliemvallei 1958-09. Piet ter Laag diapositieven 209-1-052
Bob Schijns diapositieven Adatfeesten-142
Dani of een nauw verwante groep uit de Centrale Hooglanden van West-Papua, zoals de Lani.
Het geelkleurige pantser rond de romp is een traditioneel gevechtsharnas (kuras) van de Dani.
Dit pantser werd uiterst strak en vernuftig gevlochten van rotan en sterke plantenvezels. Het was ontworpen om de vitale organen (onderbuik, borst en rug) te beschermen tegen vijandelijke pijlen en speren tijdens stammenoorlogen.
De opvallende gele kleur is de natuurlijke kleur van de gedroogde stengels van een specifieke gele orchidee (Dendrobium). De Dani vlochten deze felgele vezels decoratief om de buitenkant van het rotan harnas heen. Omdat rotan en orchideeënvezels door de jaren heen verbleken of bruin worden, toont een heldergeel pantser op een foto uit die tijd aan dat het harnas toen relatief nieuw of uitstekend onderhouden was.
De kasuaris-hoofdtooi met witte veertjes: De diepzwarte, borstelige veren van de kasuaris (een grote loopvogel) werden op een strak gevlochten mutsje van boomvezels gemonteerd. Dit gaf de drager een imposant en intimiderend uiterlijk. Aangebrachte plukjes witte donsveertjes (vaak afkomstig van de kaketoe of de reiger) aan de uiteinden van de donkere kasuarisveren was een veelgebruikte techniek om contrast en beweging aan de tooi te geven. Wanneer de man bewoog of danste, wuifden de witte puntjes mee, wat een prachtig visueel effect gaf.
Vrouwen en meisjes Baliem 1966. Jules Camps diapositief IrianJaya2 -125-003
Vrouwen met yokal, een door getrouwde vrouwen gedragen rok bestaand uit horizontaal hangende koorden van gevlochten orchideeënvezels die laag op de heupen hangt. Waarschijnlijk wordt hier de Wano uitgevoerd (het vieren van de overwinning of vrede)
Wanneer mannen een overwinning vierden of een alliantievrede sloten, vormden de vrouwen een dichte, compacte menigte en renden ze in cirkels of in banen in een grote, golvende groep over de open vlaktes of het centrale dorpsplein heen en weer.
Tijdens het rennen stootten de vrouwen een heel specifiek, hoog en ritmisch keelgeluid uit (een soort trillende vreugdekreet of ulu-lopen), dat synchroon liep met het stampen van hun voeten op de grond.
Door de rennende, verende beweging zwaaiden de koorden van de sali (bij de jonge meisjes) en de zware banden van de yokal (bij de getrouwde vrouwen) ritmisch heen en weer wat een prachtig, dynamisch effect teweegbracht dat symbool stond voor vrouwelijkheid, vitaliteit en trots. Ook de grote noken (draagnetten) die over hun rug hingen, deinden krachtig mee op het ritme van de rennende menigte.
Baliem 1966. Jules Camps diapositief IrianJaya2 - 125 -007
Wano feest- of overwinningsdans van de vrouwen. Jules Camps Baliem 1966 IrianJaya2-150-012
Baliem 1966. Jules Camps diapositief IrianJaya2-125-017
Vrouw met yokal, diverse draagnetten (bilums) en speer. De combinatie van de yokal (getrouwde status) en de gelaagde noken over haar schouders en rug is de traditionele rouwdracht voor Dani-vrouwen.
Dat de vrouw een speer bij zich heeft kan verschillende redenen hebben. Tijdens herdenkingsrituelen of begrafenissen van belangrijke krijgers of alliantieleiders houden de vrouwelijke familieleden soms de wapens (zoals de speer) van de overledene vast. Dit doen zij als eerbetoon, of om de speer ritueel te tonen tijdens de klaagzangen en dansen rondom het lijk of de crematieplaats. Ook kan een vrouw die in het dorp met een speer in de hand werd gefotografeerd, op wacht staan tegen dieven of indringers, wanneer de mannen afwezig waren. Maar vermoedelijk hebben we hier met een geënsceneerd portret te maken. Als missionaris was Jules Camps gefascineerd door de materiële cultuur. Het gebeurde in die tijd geregeld dat een fotograaf een lid van de stam vroeg om bepaalde iconische attributen (zoals een prachtige, lange handgemaakte speer) vast te houden voor een statig portret, om zo de verschillende elementen van de cultuur in één compositie te vangen.
Ndani moeders en kinderen verpozen zich in het gras. Baliem 1970. Donkers diapositieven a2-f130A-f003
Donkers a2-f130A-007
Baliem 1956 Meisje drinkt uit kalebas. Piet ter Laag diapositieven 209-1-108
In de Baliemvallei was het halen van drinkwater uit de rivier een taak die primair op de schouders van de vrouwen en jonge meisjes rustte. Terwijl de zware ladingen zoete aardappelen in de noken (draagnetten) op de rug werden gedragen, hielden de meisjes deze grote, vederlichte (maar met water gevulde) tali's in hun handen of droegen ze aan een touwtje met zich mee.
Botanisch gezien is deze grote fleskalebas (Lagenaria siceraria) exact dezelfde plantensoort waarvan de Dani-mannen hun wereldberoemde koteka (peniskoker) maken. De Dani waren meesters in het manipuleren van de groei van deze kalebassen. Door zandzakken of gewichten aan de groeiende vrucht te hangen, of de plant op een specifieke manier op te binden, konden ze de vorm sturen. Voor een koteka wilden ze een lange, smalle en rechte kalebas. Voor de tali (de waterkaraf) lieten ze de vrucht juist uitzetten tot een grote, dikbuikige fles met een natuurlijke handgreep of schenkhals.
De diepe, glanzende paarsrode kleur van de tali op de foto is het resultaat van intensieve traditionele bewerking. Nadat de rijpe karaf-kalebas was geoogst, werd deze uitgehold en boven een smeulend houtvuur in de honai te drogen gehangen. De opstijgende rook en het roet gaven de buitenkant een natuurlijke beschermlaag tegen schimmels. Vervolgens werd de kalebas ingesmeerd met een mengsel van rode okerklei en varkensvet. Dit polijsten zorgde ervoor dat de fles waterdicht werd en gaf het die kenmerkende, diep paarsrode glans.
Negatieven IrianJaya2 -146-003
Naast de aan één oog blinde Dani twee kalebassen die een flinke watervoorraad zullen herbergen. Op het stro ligt een schat aan schelpenbanden.
Huub Zwartjes afdrukken album3-134-010 ca1990
De meest kostbare en spiritueel geladen objecten van een Dani-clan, tijdelijk uit de geheime opslagplaats van de pilamo gehaald. Binnen de Dani-cultuur heeft deze specifieke verzameling objecten een diepe, gelaagde betekenis:
1. De betekenis van de objecten op het rek
De mitak (antropologisch vaak gespeld als mikak) is een grote, kostbare, ovale halssierplaat gemaakt van de Bailer-schelp (Melo melo). Deze grote zeeschelpen waren historisch gezien de absolute 'honderdguldenbiljetten' van de Baliemvallei. Het bezit van meerdere mitaks gaf de clan een enorme politieke en economische status.
De schelpenkoorden (jetak of mege): Dit zijn de gevlochten banden waarop lange rijen kaurieschelpen zijn genaaid. Dit is het traditionele schelpengeld. Dit geld werd gebruikt voor de meest cruciale transacties in het leven: het betalen van de bruidsprijs, het compenseren van een bloedschuld na een oorlog, of het aankopen van varkens tijdens een Wam Mawe.
De bogen en pijlenbundels: Deze pijlen stonden niet zomaar tegen het rek; ze vertegenwoordigen de defensieve macht en de geschiedenis van de alliantie. Vaak zaten hier ook 'heilige' pijlen bij waarmee in het verleden legendarische vijanden waren gedood, of pijlen die gebruikt waren bij rituele offers.
De plumeau van Kasuarisveren: De kasuarisvogel geldt in heel Papoea als een magisch, krachtig en gerespecteerd dier. De dichte, zwarte kasuarisveren werden door topkrijgers gedragen als ceremoniële hoofdtooi. Als plumeau aan het rek fungeert het als een spirituele reinigingsbezem. Tijdens ceremonies gebruikt de alliantieleider (ap kain) deze verenplumeau om ritueel over de schelpen en de mannen te zwaaien om kwade invloeden of ziektegeesten te verjagen.
2. Waarom staat dit rek daar opgesteld?
In de jaren '90 toen deze opname gemaakt werd was het toerisme in de Baliemvallei weliswaar in opkomst, maar de opstelling die pater Zwartjes fotografeerde is puur traditioneel. Dit rek werd buiten de pilamo opgericht tijdens een kapitaalinspectie of een alliantieverzoening:
Balans opmaken: Voordat een groot varkensfeest of een massabruiloft begon, moesten de dorpsoudsten de 'schatkist' van de gemeenschap inspecteren. Alle families brachten hun mitaks en schelpenkoorden naar buiten om ze op het rek te hangen. Zo kon de alliantieleider letterlijk tellen of de clan over voldoende kapitaal beschikte om de bruidsprijzen en de openstaande bloedschulden te betalen.
Getuigenis voor de voorouders: Door de rijkdom (de schelpen), de macht (de pijlen) en de spirituele kracht (de kasuarisveren) in de openlucht tentoon te stellen, lieten de Dani aan de geesten van de voorouders zien dat de clan floreerde en dat de tradities in ere werden gehouden.
Pater Zwartjes heeft met deze dia de centrale bank én het defensie-arsenaal van de Dani in één compositie gevangen. Het rek toont de materiële ziel van de clan. Het feit dat dit in de jaren '90 nog op deze manier werd uitgevoerd, bewijst hoe diep deze rituele economie en tradities destijds nog geworteld waren, ondanks de moderne invloeden van buitenaf.
Bob Schijns Baliem-afdrukken-012 je-stenen
Binnen de religieuze leefwereld van de Dani zijn deze stenen geen dode objecten, maar worden ze beschouwd als levende, bezielde wezens met een eigen geslacht, persoonlijkheid en spirituele kracht (kume).
De Dani verdelen de heilige stenen onder in mannelijke en vrouwelijke stenen. De langwerpige, platte en gladgeslepen je-stenen (groenstenen) worden heel vaak als vrouwelijk beschouwd. Om deze vrouwelijke identiteit te bekrachtigen, binden de mannen een miniatuurversie van de yokal (het getrouwde vrouwenrokje van boombast) of een sali (het meisjesrokje van geknoopte vezels of palmblad) om het 'middel' van de steen. De steen wordt hiermee letterlijk aangekleed en behandeld als een gerespecteerd vrouwelijk lid van de clan. Het aankleden van de steen met een vrouwenrokje weerspiegelt de basis van de Dani-economie. De twee belangrijkste bronnen van rijkdom en continuïteit voor een clan zijn varkens en vrouwen (vanwege hun arbeid in de tuinen en het baren van kinderen).
Door de kostbare ruilsteen te sieren met een vrouwenrokje, smelt de waarde van het object (de steen) samen met de waarde van de mens (de vrouw). Het sieraad symboliseert daarmee vruchtbaarheid, overvloed en de geboorte van nieuw leven.
Bob Schijns Baliem-afdrukken-014 je stenen
Een fascinerende blik op de start van een traditionele Dani ruil- en verzoeningsceremonie. Tegen een serie dichte, rijk gevulde draagnetten (noken), staan de heilige je-stenen schuin opgesteld. In deze netten zijn de meest kostbare bezittingen van de familie de schelpenkoorden (jetak) opgeborgen in de geheime, sacrale ruimtes van de pilamo (het mannenhuis). De langwerpige, ritueel geslepen je-stenen (heilige groenstenen of sluitstenen) die schuin tegen de dichte netten zijn geplaatst, fungeren hier als symbolische 'wachters' en markeren het begin van de ceremonie. Ze vertegenwoordigen de spirituele aanwezigheid en goedkeuring van de voorouders.
Bob Schijns Baliem-afdrukken-015 je-stenen en schelpenkoorden
De onthulling en inspectie van het clankapitaal. Dezelfde grote netten liggen nu volledig leeg en netjes opgevouwen op de dorpsgrond. De kostbare je-stenen liggen op de lege netten uitgespreid, en daar overheen zijn meterslange schelpenkoorden (jetak) zorgvuldig en ceremonieel uitgelegd. Dit is de climax van de kapitaalinspectie vlak voor een groot varkensfeest (Wam Mawe), een begrafenisritueel (Wam Ilko) of een massabruiloft. Het kapitaal van de gemeenschap wordt geteld, gekeurd en getoond aan de gemeenschap én aan de geesten van de voorouders. Vanaf deze netten zal het schelpengeld dadelijk ritueel worden verdeeld om bruidsprijzen of openstaande bloedschulden te betalen.
Zelfs in de jaren '90 waarin deze opnames gedateerd moeten worden, toen de buitenwereld en het toerisme al decennia aanwezig waren in de Baliemvallei, bleven deze specifieke handelingen rondom de je-stenen en het openmaken van de geheime bewaarnetten strikt interne, sacrale aangelegenheden. Men geloofde dat fouten tijdens deze onthulling de toorn van de voorouders over het dorp konden afroepen.
Huub Zwartjes fotoafdrukken album3-67-003b je-stenen en schelpenkoorden
Huub Zwartjes fotoafdrukken album3-66-013 man met je-steen en schelpenkoord
Hepuba (Heppuba) 1970. Donkers diapositieven a2-f130B-f007
De Yali
In de vroege 20e eeuw hebben westerlingen als eerste contact gelegd met subgroepen van de Dani (Ndani) en het naburige Dem-volk in de Centrale Hooglanden van West-Papoea. Andere groepen in de dieper gelegen bergen, zoals de Yali, werden pas veel later ontdekt.
De Yali leefden nog veel geïsoleerder in de ruige, steile rivierdalen ten oosten van de Baliemvallei en het eerste contact met westerlingen ontstond pas in de tweede helft van de 20e eeuw. In 1961 stichtten de Duitse missionaris Siegfried Zöllner en de Nederlandse zendeling Wim Vriend de allereerste missiepost in het Yali-gebied bij Angguruk.
H. van de Kerkhof diapositief DII -096 Yali gebied ca 1975
Diapositief PKN-30-005 Yali kampong
PKN dia-carrousel B-013 Yalimo dorp
Yali mannen (rechterhelft afbeelding) wonen een varkensfeest van de Dani bij. Baliem 1966. Jules Camps diapositief IrianJaya2 -125 -021
De Yali stonden destijds bekend om hun kortere postuur (vaak kleiner dan 150 cm) en hun specifieke rotan hoepelrokken.
Yali mannen (afbeeldingen, diapositief collectie PKN)
Traditioneel zijn de mannen van de Yali alleen gekleed met een peniskoker ( humi ) en rotan ringen rond de taille, deze gecombineerde kledij wordt sabiyab genoemd . Hoe meer rotan ringen, hoe meer prestige en dapperheid, aangezien rotan buiten het Yali-gebied groeide en daarom moeilijk te verkrijgen was. De rotan ring fungeert ook als vuurmaker. De humi van de Yali zijn lang en dun gemaakt van gedroogde fleskalebas en vastgezet met het rotan. Hun hoofden zijn af en toe bedekt met haarnetten, die een puntig uiteinde in de nek hebben. Ze zijn versierd met veren en bont van kasuaris, yalme, koeskoes, terwijl bont van suikereekhoorns wordt gebruikt om de punt van de peniskalebassen te versieren. De huid wordt beschilderd met klei of houtskool, en everzwijntanden worden gevormd tot kettingen of neusaccessoires. (wiki)
Angguruk - Angruk ca 1965. Yali mannen verzamelen stenen voor de smoorkuil. Henk van Mastrigt diapositief Dag-38-017
Een portret van Yali-mannen met hun uiterst kenmerkende, traditionele bamboe-haarversiering. Het jarenlang gekoesterde haar wordt strak ingevet met varkensvet en roet, waarna de individuele dreadlock-achtige strengen één voor één door korte, speciaal gesneden cilinders van jonge bamboe worden getrokken. Dit complexe, strakke patroon vormt een zware haarmat op het achterhoofd. Samen met de tientallen rotan hoepels (sabiyab) rond hun middel vormt dit kapsel hét ultieme statussignaal van de geïnitieerde Yali-krijger, waarmee zij zich visueel direct onderscheiden van hun Dani-buren.
PKN-37-Baliem-005 Yali
Naast de bekende bamboebuisjes kenden de Yali-mannen (afhankelijk van de clan of regio) ook de techniek om hun lange, ingevette haarstrengen strak te omwikkelen met rode boomvezels of de felgekleurde gele/rode stengels van de orchideeënplant. Vrijwel identiek aan de traditie bij de Ngalum-mannen waar dit ceremoniële 'haar-foedraal' bekend staat als de kamil. Het haar wordt aan de achterzijde samengebonden en met boombast of orchideeënvezel strak ingepakt tot een stijve, meterslange of kortere, dikke punt die op de rug rust. Soms werd het uiteinde nog versierd met de staart van een buidelrat (koeskoes).
Zowel de Dani- als de Yali-vrouwen zijn onafscheidelijk verbonden met hun multifunctionele draagnet, de noken (in het Yali-taalgebied vaak een sum genoemd). Hoewel de basistechniek van het met de hand knopen van boombastvezels hetzelfde is, verschilt de wijze waarop de Yali-vrouw haar netten draagt wezenlijk van de Dani-vrouw:
Bij de Dani-vrouwen: de Dani-vrouw drapeert haar noken vaak in meerdere lagen over elkaar heen. De draagband rust stevig op haar voorhoofd, waarna de netzakken als een soort dikke deken direct over haar hoofd, schouders en bovenrug naar beneden hangen. De netten rusten hoog op de rug en beschermen haar nek tegen de zware, harde zoete aardappelen (hipere).
Bij de Yali-vrouwen (de sum): Omdat Yali-vrouwen de kenmerkende, wijd uitstaande rieten rokjes (kem) dragen, dragen zij hun sum (draagnet) opvallend veel langer en lager. De draagband rust eveneens op het voorhoofd, maar het net zelf is zo lang geknoopt dat het over het achterhoofd heen valt en helemaal doorloopt tot over de onderrug en de billen. De sum hangt hierdoor als een soort beschermend schild of achter-schort over de stugge rieten rok heen.
Bovendien weven Yali-vrouwen hun grotere draagnetten vaak met bredere banen en gebruiken ze specifieke gele en rode patronen (gemaakt van gedroogde orchideeënvezels), waardoor de netten een heel andere, kleurrijkere en grovere structuur hebben dan de asgrijze of aarde-ingesmeerde rouwnetten van de Dani.
De Yali-vrouwen zijn uiterst herkenbaar aan hun zeer karakteristieke stugge rieten rokjes, de zogeheten kem.
De kem wordt niet gemaakt van boomschors, maar van specifieke, taaie riet- of grasstengels (vaak moerasriet of varens). De stengels worden gedroogd en in korte, gelijke stukken gesneden. Deze rietjes worden heel dicht naast elkaar aan een stevige heupband geregen. Omdat de stengels van nature hol en stug zijn, vallen ze niet soepel naar beneden, maar staan ze recht overeind of vormen ze een stijf, uitstaand 'plissé'-achtig rokje. De typische okergele tot stro-achtige kleur is de natuurlijke kleur van het gedroogde riet, maar wordt soms versterkt door het materiaal te behandelen met natuurlijke gele plantensappen of lichte kleipigmenten.
Meisjes en ongetrouwde vrouwen dragen een kortere variant, terwijl getrouwde vrouwen soms langere lagen dragen of meerdere rokjes over elkaar heen binden (soms aangeduid als kem lahuog).
Sterrengebergte met Naglum bewoners 1959. Piet ter Laag 209-3-142
De kem van de Yali toont veel overeenkomst met de tingting van de Ngalum-vrouwen uit het oostelijk gelegen Sterrengebergte. Beide geven ze de indruk van een korte, stijve 'hoepelrok' of een gelaagde rieten franjerok.
De Yali vormen cultureel gezien de brug tussen de Dani (in het westen) en de Ngalum (in het oosten). Terwijl de Yali van de Dani de liefde voor varkensfeesten en de koteka deelden, namen ze van hun oostelijke buren (de Ngalum en de bredere Min-cultuurgroep, zie Pegunungan Bintang) de stugge rieten rokjes, de paradijsvogel-hoofdtooien en de met vezels omwonden haarstrengen over.
Literatuur: Pathways of change, chapter 6. Yali p. 113-128 uit Socio-Cultural Change among the Highlanders of Western New Guinea, Anton Ploeg 2020).
Anthonie ('Anton') Ploeg (Rotterdam, 11 mei 1933) is een Nederlandse sociaal antropoloog. Hij heeft veldonderzoek gedaan op een aantal locaties in Nieuw-Guinea. Zijn voornaamste project is een vergelijkende studie van de culturen van het Nieuw-Guinese bergland.
Krantenknipsels
Mysterieuze Baliemvallei midden in Nieuw-Guinea is nu ontsloten
(Van een bijzondere correspondent)
De Baliem... toverwoord op Nieuw-Guinea en ver daarbuiten. De Grote Vallei is een symbool geworden voor het wilde ongenaakbare hart van dit land.
In het begin van deze eeuw was de vallei nog één van de vele witte plekken op de kaart van Nieuw-Guinea. Vele jaren gingen voorbij en veel witte plekken verdwenen van de kaart. Maar de Baliem bleef onbekend gebied.
Enkele zagen de Baliem, maar er binnentreden deed niemand. Het was als wilde de vallei haar eeuwenlang isolement nog niet prijsgeven.
8 November 1909 ziet Van Nouhuys staande op de 4750 meter hoge Wilhelminatop het grootse vergezicht van Nieuw-Guinea's Centrale Bergland. Aan de voet ligt het vlakke veld van de Oost Baliem, daarachter het Habbemameer.
In 1938 trekt Richard Archbold, de Amerikaanse miljonair, met een natuurhistorische expeditie naar de noordelijke hellingen van de Wilhelminatop.
Tijdens luchtverkenningen met zijn Guba-watervliegtuig ontdekt hij de vallei en landt later op een recht stuk in de Baliemrivier.
Het Nederlandse dekkingsdetachement onder lt. Van Arkel doortrekt de hele vallei vanaf de Hablifoeririvier in het noordoosten.
In hetzelfde jaar trekt de latere resident Van Eechoud. van de Waropenkust naar de Wisselmeren en vestigt daar een bestuurspost. De eerste penetratie van het bestuur in het hart van Nieuw Guinea.
De oorlog breekt uit en dr. J. V. de Bruyn (Jungle Pimpernel) maakt zijn legendarische tochten met zijn vrienden, de Bergpapoea's, door het bergland.
In 1948 wordt de bestuurspost te Enarotali aan de Wisselmeren heropend. Voorlopig heeft het bestuur hier handen vol werk en kan niet aan uitbreiding begonnen worden.
Er was genoeg te bekijken en te ontdekken onder de Ekaris aan de Wisselmeren, en bovendien was het noodzakelijk het voor de oorlog gelegde contact met Wandai te herstellen, omdat deze kampong de springplank zou moeten vormen voor eventueel later, te ondernemen ontdekkingsreizen naar het oosten, waar volgens dr. De Bruyn een dichte bevolking zit.
Zware tocht
De landbouwkundig ambtenaar aan de Wisselmeren, Veurman, maakt in Juni 1950 tezamen met rev. Mickelson van de Christian and Missionary Alliance van Enarotali uit een voettocht langs de Kemandora, over de vlakte heen dwars door de centrale keten tot ver ten oosten van de Carstensztoppen. Dit is een zeer zware tocht geworden door het onbewoonde Centraalgebergte.
In October 1951 maakt pater Kammerer alleen de tocht naar het gebied van de Ibele en Baliem-vallei. Volgens beweringen van Oehoendoenis,. die in Enarotali komen, moet men wel aannemen, dat hij door de bevolking is vermoord, omdat deze hem niet verder willen laten trekken naar de Ndani's, die de Baliem bevolken.
22 December van hetzelfde jaar vertrekt Meijer Ranneft, controleur van de Wisselmeren, voor een tocht naar de Baliem.
De volgende dag ontmoet hij pater Kammerer, die, alle doodsberichten ten spijt, levend uit het rotsgebergte is teruggekomen en op terugweg is naar Enarotali.
De pater heeft een tijdlang in het Oehoendoenigebied gezeten vlak ten zuiden van de Carstensztoppen. Voor het taalonderzoek heeft hu 15.000 woorden verzameld.
De pastoor was op zijn tocht boven de 4000 meter geweest.en had zeer veel kou geleden. Hij was zonder tent gegaan en had 's nachts bivakjes gemaakt. Hij had twee paar speciale jungle-schoenen versleten, hij had wonden aan zijn voeten en zag er zeer vermoeid uit. De tocht over het rotsgebergte had vier nachten geduurd. Na afscheid van de pater genomen te hebben, trekken Meijer Ranneft v. d. Pant en dominee Rosé verder in oostelijke richting.
Na 21 dagen onderweg te zijn geweest bereikt Meijer Ranneft op 13 Januari 1954 de Carstensztoppen en hij schrijft in zijn dagboek:
„Duidelijk verandert onderweg de vegetatie. Aan het einde van een drie uur lange klim lopen we over een harde zandige steengrond met .dennen en struikgewas. Af en toe hebben we een prachtig uitzicht op de Carstensz, door de lage bewolking. Om 12.50 uur zijn we op te top.
---
Omkaderd:Bevolking van 100.000 zielen niet langer geïsoleerd
Op de top
Het uitzicht is overweldigend. De kampongs in de buurt lijken heel ver weg. Dit is het laatste bewoonde gebied. Verderop is het onbewoond. Er is geen stuk terrein wat daartoe uitnodigt.
De hellingen zijn zwaar bebost en grillig en verderop kaal. De witte rotsvlakten lijken met rijp bedekt. Er hangen zware onweerswolken boven. Het is griezelig stil...
Van deze top stijgen en zakken we langs een richel langs de noordhelling van Kemaboe die minstens 1000 meter beneden ons stroomt.
Donderdag 24 Januari bereiken we Tenalo op 3700 meter hoogte. Het lopen is vermoeiend, de lucht droog. Het landschap bestaat uit weiden waarin schilderachtige meertjes liggen.
Het regent weer en er waait een poolwind. We zoeken rillend een plaats voor ons bivak. Dan begint het te hagelen. De enige manier om warm te blijven is werken. Zelfs de dragers zien dat in. Van de boomvarens maken ze bivakjes.
Men kan nu niet ver meer zijn van het geheimzinnige Habbemameer. In de verte doemen de besneeuwde Emmatop en de Wilhelminatop op. De dragers juichen: Als een grote spiegel ligt het Habbemameer aan onze voeten, zegt Meijer Rannefter het is mij niet mogelijk te beschrijven wat wij voelden."
Maart 1954: De vallei staat meer dan ooit in de publieke belangstelling. Jerry Rosé van de Amerikaanse zending stijgt met een eigen amphibievliegtuig op van de Sentanistrip bij Hollandia en landt op een recht, stuk in de Baliemrivier. Goederen worden aangevoerd, een linguïst van de zending gaat mee voor het taalonderzoek en de zending vestigt zich definitief in de Baliemvallei.
---
Nieuwe plannen
Intussen heeft men bij de zending reeds nieuwe plannen. Zeer binnenkort wil men met een tweede watervliegtuig landen op het Archboldmeer. Van hieruit zijn de bevolkingsconcentraties langs de Hablifoeririvier. in het oosten en in het Swartdal in het westen te bereiken.
In de loop van dit jaar zal het bestuur, wanneer de personeels- en materiaalpositie dit toelaten, tot ontsluiting van de Baliem overgaan. In dit verband is de reeds in volle gang zijnde aanleg van vliegvelden over heel Nieuw-Guinea en de komst van een aantal Beaver-vliegtuigen van groot belang. Het vliegtuig heeft. overduidelijk zijn grote nut bewezen bij het ontsluiten van moeilijk toegankelijke gebieden.
Vliegtuighulp en bestuurspenetratie in het wilde hart van dit land, houden gelijke tred met elkaar. Alleen op deze manier kan men. sneller en met meer effect alles onder bestuur brengen.
Lange tijd is de Baliem een geheimzinnige lokkende vallei in Nieuw-Guinea geweest.' Maar ook deze.vallei waar ongeveer 100.000 mensen leven, zal onder bestuur worden gebracht.
Lange tijd heeft Nieuw-Guinea buiten de cultuurstromingen gelegen die over de wereld zijn gegaan. Langzaam is hier verandering in gekomen. Moeizaam worden ook. de laatste witte plekken in de kaart van Nieuw-Guinea volgetekend en zullen ' ook deze mensen, de Pesschems, Moerips en Ndani's, worden opgenomen in de gemeenschap der volken.
---
Foto linksboven: Papoea uit de Ibele-vallei, een zijdal van de Baliem. Zijn hoofdtooi is gemaakt van de huid van een koeskoes, een buideldier. Kaurischelpen vormen zijn halsketting, waaraan een grote schelp hangt...
."'Als een wafelvorm strekken zich de landerijen van. deze dorpsbevolking in de Baliem uit.
Foto rechtsboven: Als een wafelvorm strekken zich de landerijen van. deze dorpsbevolking in de Baliem uit.
DE BALIEMVALLEI
Jarenlang heeft de Baliemvallei als een geheimzinnig Shangri-la de verbeelding beziggehouden. Pater Kammerer, de „woudloper Gods” was eender eersten die dit door woeste bergen omgeven gebied binnendrong. Thans is inde vallei een kleine bestuurspost gevestigd en pioniert in dit gebied pater Blokdijk. Van de hand van deze eenzaam ploeterende missionaris is onderstaande reportage over:
De Baliem-vallei in het hart van Nieuw Guinea trok al jaren geleden als een magneet de belangstelling en de fantasie van menig inwoner van Nieuw Guinea en ver daarbuiten. Door allerlei mogelijke en onmogelijke verhalen werd in vele geesten een merkwaardig beeld opgeroepen, een beeld dat de eerste tinten met de meest felle en uitdagende kleuren wist te combineren. Weliswaar ontstonden de meeste verhalen niet aan de boorden der Baliem, maar vermoedelijk dicht inde buurt van de kleine glaasjes met de pittige drank, toch waren sommige verhalen over de zeldzame toestanden in de verborgen vallei betrouwbaar. De Baliemvallei is voor de nieuweling die daar komt een zeldzame verrassing en blijft nog lange tijd de westerse geest bovenmate boeien en verbazen. Het begon al bij het vertrek met het vliegtuig. Op een donderdagmorgen stond het vliegtuig startklaar om mij en mijn spullen inde vallei af te zetten en ik dacht ineen uurtje inde vallei te zijn. Een moderne en vlotte oplossing. Maar de piloot kreeg een telefoontje: „vliegtuig kan niet landen, laatste nacht 5 mm. regenval” en het heeft nog negen dagen geduurd voordat alle omstandigheden zo gunstig waren dat een vlucht naar de Baliem verantwoord werd geacht. Tenslotte werd ik inderdaad afgezet op de landingssstrip en bij het uittaxiën liep eender wielen vast en zakte ruim 50 cm. diep inde valleimodder. Is het niet verbazend, dat de K.L.M. met de regelmaat vaneen klok driemaal per week een slordige 25000 km. (Amsterdam-Biak) overbrugt en dat men met dezelfde K.L.M. negen dagen nodig heeft om de 200 km. naar de vallei te overbruggen en dat de vallei niet bereikbaar is als er 5 mm. water valt?
EEN WONDERE WERELD
Vanuit het vliegtuig krijgt men een hoogst interessant beeld van de vallei. Geen stukje grond is onbewerkt gebleven. Ineen interessante onregelmatigheid liggen tuinen en draineergoten, dijken en stenen wallen, riviertjes en bosformaties, dorpen, huizen en heuvels kris kras door elkaar. Midden door de vallei stroomt de Baliemrivier, breed en statig. Het water is chocoladekleurig vanwege de modder en het vele slijk die de rivier overeen enorme afstand opneemt.
De vallei wordt links en rechts afgesloten door bergketens, die indrukwekkend hoog optornen tegen de vaal blauwe hemel. Tot een hoogte van 2500 meter zijn ze helemaal ontbost, en hele ruggen zijn ontdaan van hun oorspronkelijke vegetatie. Op de toppen steken scherpe en rottige punten steil omhoog. Tegen de hellingen zijn duidelijk de terras-achtig aangelegde tuinen te onderscheiden. Hier wordt sinds onheuglijke tijden een indrukwekkend menselijke prestatie geleverd met een aangepunte stok en een verbazingwekkende dosis energie door mensen die de eerste beginselen van het abc, nog niet in hun netten meedragen. Vooral op een helder-zonneklare dag raakt men niet uitgekeken op het briljantste der landschappen van Nederlands Nieuw Guinea. Ook in andere opzichten neemt de vallei een bijzondere plaats in. Misschien is het land in Nieuw Guinea nergens zo dicht bevolkt als in deze vallei. Men schat het aantal inwoners op 50.000. Naar het uiterlijk te oordelen hebben al deze mensen één cultuur, één taal, één geheel van zeden en gewoonten.
Van het begin tot het einde van de vallei is de huizenbouw, de tuin-aanleg, de bewerking der grond, het voedsel, het gereedschap, de kleding, de wapenuitrusting overal het zelfde. Zelfs de dodenfeesten, huwelijksfeesten, de lijkverbranding en het oorlog voeren luistert overal naar dezelfde wetten en gewoonten. Een voor Nieuw Guinea zeldzame eenheid en eenvormigheid die zou kunnen wijzen naar een sterke verwantschap en onderlinge saamhorigheid. Waar in dit land vindt men zoveel mensen, die onder zoveel opzichten hetzelfde belijden, uitvoeren en regelen?
Er lopen evenwel een heel stel diepe barsten en scheuren door de vallei, die het wonen en werken hier uitermate riskant en onbehaaglijk maken. Naast de eenvormigheid heerst hier een enorme versplintering. Heel de massa mensen is in mootjes opgedeeld. Nu al staat vast dat er meer dan twintig groepen zijn en men houdt er rekening mee dat het wel tot een vijftig groepen zal oplopen. De onderlinge verhoudingen zijn zonder meer slecht, en dat maakt deze vallei ook tot een typisch stuk Nieuw-Guinea. Iedere groep leeft op zichzelf en er zijn met de andere groepen geen andere dan zeer vijandige contacten. Het oorlog voeren is dan ook schering en inslag.
---
Merkwaardige oorlogvoering
De Baliemers volgen bij dat oorlog voeren een merkwaardige tactiek en strategie, waarin ook weer elementen kunnen worden onderkend die elders in Nieuw Guinea volstrekt uit den boze zijn. Een groep krijgers heeft zich verzameld en uitgerust. De „sterkste” van de gehele troep is beslist niet zo indrukwekkend als het lijkt. Aan wapenuitrusting heeft de Baliemer niets anders dan een stevige speer, die slechts op zeer korte afstand dodelijk is, en dan nog een boog en een stel kleine pijltjes, waarmee iemand wel gewond kan worden maar zeer zelden dodelijk getroffen. Meestal levert dit wapen niets anders op dan een wond die weer vrij spoedig geneest.
De krijgers trekken inde vroege morgenuren op. Onderweg houden ze enkele keren halt om de omgeving te verkennen. Inde buurt van het vijandige gebied worden zij zeer voorzichtig en gaan ze sluipende van de ene draineergoot naar de andere, totdat ze inde buurt komen van enkele vrouwen of ook wel kinderen die op de weg lopen of onbewust van enig gevaar in hun tuin aan het werk zijn. Opeens stormen er een tiental krijgers naar voren tot vlakbij het slachtoffer en steken met hun speren op verschillende plaatsen in het lichaam. Anderen slaan alarm en gaan op de vlucht. Inde vlucht wordt er dikwijls nog een afgemaakt.
De krijgers van de tegenpartij beginnen zich op het gehuil en geschreeuw van de slachtoffers snel te verzamelen. Uit alle richtingen komen zij opdraven. Dit is het sein voor de brute aanvallers om zich weer bij de hoofdgroep te voegen, die het schouwspel op een afstand heeft bekeken en allerlei raadgevingen en waarschuwingen aan de aanvallers heeft toegeschreeuwd. Op een bepaald moment staan dan de twee grote groepen krijgers tegenover elkaar en wie denkt dat nu de grote slag zal vallen slaat de plank behoorlijk mis. De aanvallers zijn voldaan en tevreden, dat zij er twee hebben vermoord en dat is blijkbaar genoeg. De partijen blijven op een behoorlijke afstand van elkaar staan schreeuwen en roepen. De ene oorlogsyell na de ander wordt over en weer weggegeven. Zij schelden elkaar behoorlijk de huid vol. Men zwaait en dreigt met speren en pijlen en bogen en allerlei ander oorlogstuig, maar zij benaderen elkaar niet op gevechtsafstand. Vrij plotseling trekt de vijand terug. Men is kennelijk bang dat de tegenstanders, die steeds groter in aantal worden, van hun overmacht gebruik gaan maken en een uitval doen. De vijand trekt een honderd meter terug, geeft nog een yell weg en daarna kiezen zij het hazenpad. Dat is het einde vaneen stuk oorlog. Wij zouden het een laffe overval noemen.
Nu gaat de verslagen partij de boel opruimen. In de middaguren worden de slachtoffers verbrand, en hun as wordt in een speciaal hutje bijgezet. Tegen de avond worden de varkens van de slachtoffers gedood en gesmoord met een enorme hoeveelheid aardappelen. Als het goed en wel donker is, begint de doden- en oorlogsdans. De hele nacht is een ieder op de been en midden op het dorpsplein cirkelt men dansend, zingend, huilend en krijsend rond. Doodmoe gaat eenieder bij het ochtendgloren naar huis. Tevreden, want men., heeft inmiddels afgesproken dat de vijand zijn portie thuis zal krijgen; men heeft de doden betreurd en hen op allerlei manieren trachten tevreden te stellen. De overlevenden tenslotte hebben ook hun portie wel binnen, want er is niet veel meer van de varkens over. Daarmee is het gebeurd.
Zo heeft het hele verloop enkele verrassende elementen: een hele stoet krijgers en helemaal geen bloedbad; een krijg midden op de dag; toch geen open strijd maar een verraderlijke overval; enkele doden zijn voldoende.
---
Voorzichtige pacificatie
In deze omgeving nu werken sinds een jaar twee bestuursmannen met tien agenten en ondergetekende als Franciscaans missionaris. Een handjevol Nederlanders dus. Wij trachten hier binnen te dringen en op de allereerste plaats de Baliemers de weg te wijzen naar orde, rust vrede. Daarna pas kan het echte beschavingswerk aan bod komen. Meestal schieten wij met al onze goede bedoelingen ver naast de roos. Soms denk je iets te hebben bereikt en blijkt het totaal verkeerd opgenomen te zijn. Het is een leven vol avontuur, vol spanning en onrust en van de andere kant kunnen er dagen voorbij zweven dat er geen vuiltje aan de lucht is. Soms is er inderdaad begrip voor de goede zaak. Twee maanden geleden nog werd er inde buurt van onze post aan de Baliemrivier af en toe hevig gevochten. Het maakt de mogelijkheden om te werken te onveilig en te riskant. Goedschiks of kwaadschiks diende er een einde aan te komen. Gelukkig werd er begrip voor de situatie opgebracht en werden onze uitleg en verduidelijking geaccepteerd. Na enige tijd besloten 3000 Baliemers die elkaar jaren lang het leven behoorlijk zuur hadden gemaakt, vrede te sluiten. Tot op de dag van vandaag heeft men woord gehouden en nu is het inde buurt van de post weer rustiger wonen. Af en toe staan wij wel eens doodsangsten uit als er een misverstand geschapen is, of als een of andere doldrieste krijger een moeilijke situatie schept, maarde hartstochten konden toch iedere keer weer ingedamd worden. Meestal Is het begrip heel moeilijk en zelfs onmogelijk te bereiken. Zij staren ons een tijdje aan en beginnen ons dan duidelijk te maken dat zijzelf van onbesproken gedrag zijn maar dat die tegenpartij zo rot is als een mispel. Zij houden uiteraard geen rekening met de mogelijkheid dat hun eeuwenoude vijanden hen zou-
den kunnen ontvangen als gewone medemensen en zelfs als vrienden. Er is een te groot wantrouwen en te sterke achterdocht. Het is voor ons nog een groot raadsel waarom men elkaar steeds te lijf gaat en waarom men elkaar het leven niet gunt en waarom men elkaar op zo’n afstand houdt. Het is niet onmogelijk, dat als wijde ware redenen weten, wij hen nog gelijk moeten geven ook. Nu, in ieder geval, staat er tussen al die stammen en groepen een geweldige dikke betonnen muur. Er zullen jaren mee gemoeid gaan voordat die tot de laatste steen is afgebroken, voordat de verhoudingen zijn gesaneerd.
Dit is ondertussen wel duidelijk: de Baliemer staat op zijn eigen stuk en laat zich helemaal niet gemakkelijk aan het wankelen brengen of intimideren. Als hij een kilo kralen voor een draagnet met aardappels wil hebben dan geeft hij ze voor geen ons minder. En als hij voor een varken een bijl wil hebben dan is het een bijl en iedere Nederlander kan wat hem betreft opkrassen met al zijn andere nuttige spullen. Als hij ons niet in zijn gebied wil binnen laten, probeer het dan echt niet want hij staat klaar met speren en pijlen en hij gebruikt ze. Wil hij geen vrede sluiten, dwing hem dan niet, want het wordt een vrede waar ik nog geen halve cent voor geef. Het is een verschrikkelijk moeilijk karwei met de „heren” handig te manoeuvreren. Op de meest onverwachte ogenblikken glippen ze tussen de vingers weg. Zij hebben dan gezamenlijk een helse pret omdat zij ons eigenlijk achter hun wagentje hebben gespannen. Zij kunnen je zenuwen tot het uiterste opwinden. Niets is veilig voor hun grijpvingers. Je draait jezelf om en bent een mes kwijt. Tracht de misdadiger of dief niet op te sporen want iedereen is solidair met de dief en stuurt je met de grootste vanzelfsprekendheid van het kastje naar de muur en liegt eventueel tegen de klippen op. Zet je toch door, dan bezorg je de dames en heren een heel stel zeer amusante ogenblikken. Het beste is net te doen of je neus bloedt. Lieverdjes zijn het op geen stukken na. Toch is het missiewerk en ’t bestuurswerk niet zonder perspectief en niet zonder een veelbelovende toekomst. Nergens in Nieuw-Guinea woont op zo’n klein oppervlakte zoveel volk. Al zijn zij moeilijk te hanteren, toch zit er pit in. Zij kunnen tegen een stootje, zijn goed gezond en hebben veel energie. Het levenspeil is beter en hoger dan bij vele andere stammen. Zij kunnen werken dat de stukken er af vliegen. In hun eigen familiekring is hun hulpvaardigheid groot en de onderlinge verhoudingen liggen zeer goed. Er is liefde en oudertrots en kinderlijkheid, hartelijkheid en onderling hulpbetoon.
Al groeit er momenteel nog een hele boel onkruid, en al lijkt in de Baliemer momenteel de mens nog dikwijls schuil te gaan achter het dier, ik ben er toch van overtuigd dat er met liefde, tact, veel geduld, toewijding en opoffering in deze vallei veel te bereiken is; dat ook deze vallei een bloeiende wijngaard kan worden van Nieuw Guinea en de katholieke Kerk. Het is evenwel meer dan ooit een gezamenlijke arbeid voor missionarissen en leken in Nieuw Guinea en het vaderland. Geen pantser zo hard is bestand tegen Gods genade en tegen oprechte weldaden van de mede-mensen.
PATER BLOKDIJK O.F.M. Kath. Missie, Baliem- Wamena Ned. Nieuw Guinea.
EEN AMERIKAANSE FILM-EXPEDITIE KOMT NAAR DE BALIEM VALLEI
Reportage van Anthony van Kampen
HOE LEEFT een gemeenschap in het Stenen Tijdperk? Op welke wijze brengt men de dag door? Hoe vindt het crematie-ritueel plaats? Hoe voert men oorlog? Kortom: hoe leeft men in een tijd, die wij, twintigste-eeuwers, al zon 20.000 jaar voorbij zijn? Indien er één plaats ter wereld is, waar men dit leven nog kan aanschouwen, een plaats waar de primitieve mens nog niet met „onze tijd" in aanraking is geweest, dan is dat in de Baliem Vallei in Centraal Nieuw-Guinea.
Er mag rekening mee worden gehouden, dat over anderhalf tot twee jaar een film uitgebracht zal worden, die dat leven weergeeft op een wijze, die nog niet eerder mogelijk was. Dat zal dan een Amerikaanse film zijn, die tot stand kwam dank zij het initiatief van het Hoofd Bevolkingszaken op Nederlands Nieuw-Guinea, dr. J. V. de Bruijn. Een initiatief, dat tijdens een lunch in Amerika, enkele jaren geleden, tot stand kwam.
Dr. De Bruijn bevindt zich elk jaar voor enige maanden in de Verenigde Staten in verband met adviserende werkzaamheden bij de Verenigde Naties. In februari '59 werd hij uitgenodigd door Harold Coolidge, in Washington voorzitter van de Pacific Science Board, voor een lunch, waaraan eveneens deelnam Robert Gardner, directeur van het Harvard Film Studie Centrum van het Peabody Museum, onderdeel van de bekende Harvard Universiteit.
Tijdens die lunch ontwikkelde dr. De Bruijn zijn ideeën omtrent het mogelijk verfilmen van het dagelijks leven van een primitieve gemeenschap, waarbij hij er op wees, dat de bevolking der Baliem Vallei in dit opzicht aan alle eisen voldeed. In de Grote Vallei bevinden zich namelijk nog tal van groepen, die niet of nauwelijks in contact zijn geweest met blanken. Gardner had maximale belangstelling voor datgene wat dr. De Bruijn hem mededeelde tijdens de lunch. Niet lang daarvoor was door hem, Gardner, een wetenschappelijke film vervaardigd over het leven van de Bosjesmannen in de Kalahari-woestijn. Nog tijdens de lunch liet hij er geen twijfel aan bestaan, dat hij volledig geïnteresseerd was in de idee.
Er volgden meerdere gesprekken, waarbij dr. De Bruijn wees op de gunstige verbindingen van de kust van Nieuw-Guinea met het binnenland. Tenslotte zegde hij Gardner toe, dat hij de zaak met de Nederlandse regering en het Gouvernement van Nieuw-Guinea zou opnemen. In Nederland stond men sympathiek ten opzichte van de idee, hetgeen tot gevolg had dat het Gouvernement er toe overging een bedrag van ƒ50.000,— als adhaesie-som beschikbaar te stellen. Zelf fourneert het Harvard Film Studie Centrum 60.000 dollar.
Er komt echter meer steun dan alleen geldelijke van de zijde van Nederland. Zo zal het Gouvernement o.a. een ethnoloog beschikbaar stellen. Dit wordt de heer Broekhuyse, thans als bestuursambtenaar in de Baliem Vallei aanwezig. Deze zal het noodzakelijke etnografische werk voor de film-expeditie verrichten.
Vervolgens verzorgt het Gouvernement de opslag der goederen van de expeditie, waarvan een deel inmiddels reeds verscheept is naar Nieuw-Guinea en op Hollandia aangekomen. Dat betreft voornamelijk het film- en geluidsmateriaal dat deels in gekoelde, deels in ontvochte ruimten is opgeslagen. Tenslotte zal de expeditie kunnen rekenen op dekking door politie gedurende de periode dat men in het veld is. Het is de bedoeling dat 100.000 voet film-materlaal wordt opgenomen, waarvan 20.000 voet nodig zullen zijn voor de uiteindelijke film, die in kleuren zal worden uitgebracht. Als contraprestatie krijgt de Nederlandse regering de beschikking over een kopie, die voor niet-commerciële doeleinden gebruikt mag worden. Er bestaat momenteel een nauw contact tussen Gardner en dr. De Bruijn.
Volgens de laatste kenmerkt de gehele opzet zich door een zorgvuldige, consciëntieuze voorbereiding. Zo zijn de expeditieleden bijv. bezig met het leren van de Dani-taal, waarbij ze gebruik maken van de woordenlijsten van de Amerikaanse linguïst (taalkundige) Bromley.
Volgens dr. De Bruijn is de opzet totaal anders, dan van bijvoorbeeld de Franse expeditie van Gaisseau, die met een hoog tempo door de wildernis stormde, teneinde in de kortst mogelijke tijd zoveel mogelijk filmische stunts te verrichten. Een methode, die in wetenschappelijk opzicht met weinig vertrouwen is gadegeslagen, omdat ze met het weergeven van het werkelijke leven der primitieven slechts weinig van doen heeft.
De leiding van de expeditie is in handen van Gardner (35), die etnoloog en cameraman is. Naast hem treedt op Michael Rockefeller (22), de zoon van de gouverneur van New Vork. Rockefeller is gespecialiseerd in primitieve kunst en verbonden aan het New Yorkse Museum of Primitive Arts. Vervolgens gaan mee Samuel Putnam, antropoloog, de natuurkundige Matthiesson, die voor het weekblad Life zal schrijven en Eliott Eliosofon, de beroemde fotograaf van het Time-Life concern. Tenslotte nog twee Ambonezen, wier werk zal bestaan uit het prepareren van vogels, die verzonden zullen worden naar de Vale Universiteit.
Men denkt in februari 1961 op Hollandia aan te komen. De expeditie zal in april naar de Baliem Vallei worden gevlogen door toestellen van „De Kroondulf". Dr. De Bruin hoopt enkele malen in de gelegenheid te zijn het werk van Gardner en zijn mannen persoonlijk bij te wonen, voor zover zijn werkzaamheden op Nieuw-Guinea en in Amerika hem dat toelaten.
Men hoopt de kans te krijgen de traditionele oorlogvoering tussen de Dani's op de film vast te leggen. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit gelukt, gezien het feit dat oorlog voor een deel der Dani's nog als de culturele focus van hun bestaan geldt. Met andere woorden: oorlog is voor hen de zaak waar het in het leven om draait. Aangezien het Nederlandse Bestuur er op uit is de oorlogszucht der stammen zo snel mogelijk aan banden te leggen, mag wel worden aangenomen, dat Gardner de laatste, zij het unieke kans krijgt dit onderdeel van het primitieve leven der bevolking op celluloid vast te leggen. Dat dit van grote wetenschappelijke waarde kan zijn, ligt voor de hand. Nogmaals, er is waarschijnlijk geen enkele andere plek ter aarde, waar men een dergelijke kans nog krijgt.
Overigens is het niet de bedoeling dat men tot 'n oorlog zal forceren. Men vestigt zich voor 5—6 maanden In de Grote Vallei, en terwijl men het dagelijkse leven filmisch vastlegt, wacht men rustig op de dag dat er een strijd tussen enkele confederaties ontbrandt. Precies hetzelfde geldt over het crematieritueel. Er worden vaartuigjes en buitenboordmotoren meegenomen, zodat men in de kortst mogelijke tijd een bepaalde plaats zal kunnen bereiken.
Wat de veiligheid van de groep betreft, zowel de Amerikaanse zending in de Grote Vallei als het Nederlands Bestuur houden een oogje In het zeil, terwijl er voorts, zoals gezegd, politiedekking zal zijn.
Dr. De Bruin deelde ons mee, dat de expeditieleiding uitermate erkentelijk is voor de medewerking van Nederlandse zijde ontvangen. Een dergelijke hulp had men niet verwacht en heeft men ook nergens anders verkregen. Mede door deze steun hoopt men er in te slagen het leven van een der allerlaatste primitieve gemeenschappen in onze wereld wetenschappelijk verantwoord filmisch vast te leggen.
Het tweede artikel van Anthony van Kampen stond in de Friese Koerier van donderdag 12 januari j.l.
Foto's:
De Baliem Vallei: vergeten plek op moeder Aarde
Dani's, die reeds contact met blanken hebben gehad. Ze bezitten een ijzeren bijl, onschatbaar werktuig in de Baliem Vallei. (Foto dr. J. W. Schoorl)
Cannibal Valley. Russel T. Hitt 1962
Gardens of War
Robert Gardner- Karl G. Heider
Introduction by Margaret Mead
Under the Mountain Wall - a chronicle of two seasons in the stone age. Peter Matthiessen 1962
DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED I DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1948
DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED II DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1950
DE BERGPAPOEA'S VAN NIEUW-GUINEA EN HUN WOONGEBIED III DOOR C. C. F. M. LE ROUX 1950
THE DUGUM DANI
A Papuan Culture in the Highlands of West New Guinea
by KARL G. HEIDER
WENNER-GREN FOUNDATION FOR ANTHROPOLOGICAL RESEARCH, INCORPORATED
1 9 7 0
Overige beeldcollecties Pegunungan Tengah: